Sitkovetsky Trio met Tsjaikovski, Schumann en Arenski

Sitkovetsky Trio:
Alexander Sitkovetsky viool
Wu Qian piano
Isang Enders cello

Dit concert maakt deel uit van de serie Pianotrio’s.

Robert Schumann (1810-1856)

Phantasiestücke, op. 88 (1842/1850)
Romanze
Humoreske
Duett
Finale

Anton Arenski (1861-1906)

Pianotrio nr. 1 in d kl.t., op. 32 (1894)
Allegretto moderato
Scherzo: Allegro molto
Elegia: Adagio
Finale: Allegro non troppo

pauze ± 21.05 uur

Pjotr Tsjaikovski (1840-1893)

Pianotrio in a kl.t., op. 50 (1881-82)
Pezzo elegiaco
Tema con variazione

einde ± 22.05 uur

Toelichting

Robert Schumann 1810-1856

Phantasiestücke

Door Aad van der Ven

Zijn vriendschap met Felix Mendelssohn was voor Robert Schumann niet alleen privé maar ook muzikaal van grote betekenis. Onder Mendelssohns invloed gaf hij zich meer dan vroeger rekenschap van de waarde van de klassieke vormen zoals hij die kende van Joseph Haydn, Wolfgang Amadeus Mozart en Ludwig van Beethoven. Daarvan getuigen in het bijzonder de drie strijkkwartetten die hij in 1842 schreef.

Op 3 december van hetzelfde jaar luisterde hij in Leipzig naar een uitvoering van Mendelssohns Eerste in d klein. Hij was daarvan zo onder de indruk dat hij besloot ook zelf iets te schrijven voor deze bezetting. Na in hetzelfde jaar behalve drie strijkkwartetten ook een pianokwintet en een pianokwartet te hebben gecomponeerd – 1842 wordt wel Schumanns ‘kamermuziekjaar’ genoemd – zag hij nieuwe mogelijkheden in de combinatie piano, viool en .

Al op 28 december 1842 voltooide hij een vierdelige compositie, maar hij stelde publicatie uit omdat hij nog niet tevreden was. In 1850 werden de Phantasiestücke uitgegeven, maar niet zonder dat Schumann er tal van veranderingen in had aangebracht. Hij vermeed de benaming Klaviertrio en zette er Phantasiestücke boven. Waarschijnlijk zag hij in dat de delen onvoldoende samenhang vertoonden om het werk op één lijn te kunnen stellen met de grote voorbeelden in dat genre. Ook de beknoptheid van de vier delen en het vluchtige karakter ervan zullen daarbij hebben meegespeeld.

De slechts zevenenvijftig maten lange Romanze (‘Nicht schnell, mit innigem Ausdruck’) aan het begin is eigenlijk een pianostuk met een summiere strijkersbegeleiding. Viool en cello treden meer op de voorgrond in het -achtige Humoreske en in de als variatiereeks opgebouwde, kordaat klinkende Finale (‘Im chtempo’). In het daartussen geplaatste Duett zingen de viool en de cello voluit, terwijl uit de piano kabbelende klanken opstijgen.

Anton Arenski 1861-1906

Eerste pianotrio

Door Sabien van Dale

Al prijkt Anton Arenski’s naam niet bovenaan de ranglijst van Russische topcomponisten, toch drukte hij een aanzienlijk stempel op het negentiende-eeuwse muziekleven van zijn land. Hij studeerde bij Rimski-Korsakov en raakte later nauw bevriend met Tsjaikovski. Als docent aan het conservatorium van Moskou kon hij Rachmaninoff en Skrjabin onder zijn studenten rekenen. Tegen het einde van zijn carrière werd hij aangesteld als van de Keizerlijke Hofkapel in Sint-Petersburg.

  • Anton Arenski met zijn leerlingen Conus, Morozov en Rachmaninoff in 1892

Het Eerste in d klein, tot op heden nog een van Arenski’s meest gekende werken, is opgedragen aan Karl Davidoff. Tijdens het tsarenrijk maakte Davidoff furore als virtuoos. Tsjaikovski riep hem uit tot ‘keizer van de cellisten’. Bovenop zijn glansrijke carrière en internationale status wordt Davidoff terecht beschouwd als de grondlegger van de Russische celloschool.

Arenski’s hommage komt vooral naar voren in het derde deel van het , het verfijnde Elegia dat bijwijlen opstijgt in onaardse lichtheid. De valkuil van kleverig pathos wordt vakkundig vermeden. Dat Arenski een van de meest eclectische Russische componisten van zijn generatie was, blijkt met name in het eerste deel. Hier is de geest van Felix Mendelssohn (vooral van diens pianotrio in dezelfde toonaard d klein) nooit ver, hoewel Arenski gloedvoller en meer elegisch van toon is. De noten van het lijken te dansen zonder de grond te raken en transformeren halverwege tot een salonwals à la Camille Saint-Saëns.

De Finale schiet koortsachtig uit de startblokken. Als een vervlogen herinnering gooit de herneming van ’s uit het derde en eerste deel de sfeer volledig om. De subtiele, natuurlijke welsprekendheid van deze ondergewaardeerde componist zorgt echter voor een overtuigende eenheid.

Pjotr Tsjaikovski 1840-1893

Pianotrio in a klein

Door Frits de Haen

Het kamermuziekoeuvre van Pjotr Tsjaikovski is klein, tenzij je zijn eren en piano­solowerken er ook onder verstaat. Verder zijn er slechts wat losse stukken, drie strijkkwartetten, de Trois souvenirs d’un lieu cher voor viool en piano, het strijksextet Souvenir de Florence en het monumentale in a klein, 50.

Tsjaikovski: ‘Het is niet uitgesloten dat ik, in de vorm van een trio, muziek heb geschreven met een symfonisch karakter.’

Aanleiding voor het was de onverwachte dood van pianist Nikolaj Rubinstein, oprichter van het Moskouse conservatorium – vandaar de opdracht ‘Ter nagedachtenis aan een groot artiest’. Tsjaikovski was geschokt door Rubinsteins dood in maart 1881 en besloot hem te eren met een kamermuziekwerk waarin de piano een grote rol speelde. Het werk, waaraan hij in Rome begon, zou uiteenvallen in twee delen: een inleidende klaagzang met daarna een variatiereeks. Daarin is een bonte afwisseling van dansante variaties te horen, zoals een en een (een verwijzing naar de manier waarop Rubinstein Chopin speelde) en een (een toespeling op Rubinsteins docentschap).

Het piano­trio beleefde zijn première in Moskou in maart 1882, met als uitvoerenden pianist Sergej Tanejev, violist Jan Hrimaly en cellist Wilhelm Fitzenhagen (voor wie Tsjaikovski zijn Rococo-variaties had geschreven). Aan zijn mecenas Nadezjda von Meck liet Tsjaikovski weten: ‘Het is niet uitgesloten dat ik, in de vorm van een trio, muziek heb geschreven met een symfonisch karakter.’ Inderdaad zijn de dimensies van het trio symfonisch. Maar illustreert dit ook niet Tsjaikovski’s grote twijfels? Want in een brief aan haar had hij al eens gesteld dat het voor hem ‘een echte marteling [is] te luisteren naar een trio of een met viool of en piano’. Uitgerekend diezelfde Nadezjda von Meck had hem expliciet een compositie voor ‘haar’ pianotrio gevraagd, zodat haar beschermeling kon excelleren. Zo stond ze niet alleen aan de wieg van Tsjaikovski’s geliefde Pianotrio in a klein, maar ondersteunde ze ook een jonge musicus die later hoge ogen zou gooien. Want de jonge pianist die in haar trio meespeelde was niemand minder dan Claude Debussy.

Biografie

Sitkovetsky Trio, trio

Het Sitkovetsky werd in 2007 opgericht aan de Yehudi Menuhin School in Engeland en was laureaat van onder meer de Festspiele Mecklenburg-Vorpommern 2009. Het ensemble was te gast op podia als de Londense Wigmore Hall, de Alte Oper in Frankfurt, het Parijse Musée du Louvre, l’Auditori Barcelona en het Lincoln Center in New York en reisde ook naar China, Australië, Zuid-Amerika, Zuid-Korea en Japan.

Naast velerlei kamermuziek zet het Sitkovetsky Trio graag Beethovens Tripelconcert op de lessenaar; bijvoorbeeld met het Konzerthausorchester Berlin, de Münchner Philharmoniker en – in Het Concertgebouw, in februari 2018 – het Nederlands Philharmonisch Orkest.

In 2019 verzorgde het drietal samen met het Philharmonia Orchestra ook de ­wereldpremière van een nieuw tripelconcert van Charlotte Bray. Voor een album met Ravel en Saint-Saëns won het Sitkovetsky de Chamber Music Award 2022 van het BBC Music Magazine. Momenteel werken de musici aan een Beethovencyclus, waarvan het eerste deel al werd gelauwerd met een Diapason d’Or. Hoogtepunten in het huidige seizoen zijn een residency op het Beethovenfest Bonn, optredens op de Heidelberger Frühling, in Madrid, Londen, Istanbul en Hong Kong en tournees in de Verenigde Staten en Israël.

In de van Het Concertgebouw debuteerde het Sitkovetsky Trio in seizoen 2013/2014 en was het voor het laatst te gast in ­oktober 2022 (met werken van Robert ­Schumann, Arenski en ­Tsjaikovski). Alexander ­Sitkovetsky bespeelt de ­‘Parera’-Stradivarius (1679) en Isang ­Enders een van Carlo Tononi (Venetië, 1720).