Simone Lamsma speelt Sjostakovitsj, Lawrence Renes leidt Brahms

Residentie Orkest Den Haag
Lawrence Renes dirigent
Simone Lamsma viool

Lees ook: Wat maakt een Stradivarius tot een Stradivarius?

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Vioolconcert nr. 1 in a kl.t., op. 77 (1947-48)
Nocturne: Moderato
Scherzo: Allegro – Poco più mosso
Passacaglia: Andante – Cadenza
Burlesque: Allegro con brio

pauze ± 20.55 uur

Johannes Brahms (1833-1897)

Symfonie nr. 1 in c kl.t., op. 68 (1862-76)
Un poco sostenuto – Allegro
Andante sostenuto
Un poco allegretto e grazioso
Adagio – Più andante – Allegro non troppo ma con brio – Più allegro

einde ± 22.00 uur

Toelichting

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Sjostakovitsj: Eerste vioolconcert

Door Rutger Helmers

  • Dmitri Sjostakovitsj en Isaac Glikman, zomer 1948

Dmitri Sjostakovitsj componeerde zijn Eerste vioolconcert in a klein in een van de moeilijkste periodes in zijn leven. Als ­onderdeel van een brede campagne om de Russische intelligentsia na de Tweede ­Wereldoorlog weer in het gareel te krijgen, richtte Stalins cultuurminister Andrej Zjdanov in januari 1948 zijn pijlen op het muziekleven. Samen met andere prominente sovjetcomponisten als Prokofjev en Chatjatoerjan werd Sjostakovitsj opgetrommeld voor een driedaagse conferentie in het Kremlin, waar zij werden beticht van ‘formalisme’ en hun werken veroordeeld als ‘anti-volk’ en ‘anti-democratisch’. Sjostakovitsj verdroeg deze vernederingen naar eigen zeggen slechter dan in 1936, toen hij al door het stof had moeten gaan omdat zijn Lady Macbeth van Mtsensk ‘chaos in plaats van muziek’ zou zijn. Maar ondertussen deed hij iets wat volgens zijn vriend Isaak Glikman ‘juist van kracht en moed getuigde’: ’s avonds, na afloop van de ‘schandalige, walgelijke debatten’, ging hij naar huis en werkte verder aan het vioolconcert dat hij in de zomer was begonnen.

Dit intens persoonlijke en sombere werk sloot geenszins aan bij het toegankelijke en heroïsche type muziek dat de autoriteiten voor ogen hadden, en het concert verdween daarom aanvankelijk in de la. Pas in 1955, na de dood van Josef Stalin, werd het in première gebracht door David Oistrach, de legendarische violist aan wie Sjostakovitsj het had opgedragen.

Het concert opent niet met een – voor een symfonie of soloconcert gangbaar – , maar met een mijmerende waarin de soloviool met lange lijnen de boventoon voert. Als de celesta halverwege inzet, wordt er een moment van uiterste verstilling en vervreemding bereikt – daarna bouwt de spanning even op, om geleidelijk weer terug te zakken in de kalme en raadselachtige sfeer van daarvoor. Het contrast met de tomeloze energie van het daaropvolgende deel kan nauwelijks groter zijn: een springerig met wilde uitbarstingen – een typisch voorbeeld van Sjostakovitsj’ meer humoristische delen, die gemakkelijk omslaan in het groteske.

De onmiskenbare kern van het werk is het derde deel, de Passacaglia. Deze oude vorm, waarin één basmelodie (een ) steeds wordt herhaald met andere combinaties daarboven, heeft de paradoxale eigenschap dat deze mechanische structuur in de juiste handen kan samengaan met uitzonderlijke expressiviteit. Daarin toont Sjostakovitsj zich een waar meester. Het is de moeite waard om aan het begin van dit deel goed naar de contrabassen en ’s te luisteren, die de melodie voor de inzet van de viool tweemaal spelen – eerst met tragisch klinkende s, vervolgens met zachtere erboven. Deze herhaling gaat stug door, maar vanaf het moment dat de solist zijn intrede doet, klinkt het als één lange, e opbouw – tot de viool uiteindelijk, op het hoogtepunt, zelf de ostinatomelodie overneemt.

De Passacaglia mondt uit in een lange solocadens waarin verschillende motieven uit de voorgaande delen voorbijkomen, en die direct doorloopt in de afsluitende Burlesque. Daarmee zijn we terug bij de hoge energie­niveaus van het Scherzo. Het stuk eindigt in met razende, virtuoze figuratie in de viool, maar het klinkt misschien iets te manisch om voor echt optimisme door te kunnen gaan.

Johannes Brahms (1833-1897)

Brahms: Eerste symfonie

Door Rutger Helmers

  • Brahms omstreeks 1865

Johannes Brahms werd weliswaar niet door de staat gecontroleerd of tot de orde geroepen in resoluties van het Politburo, maar hij was desalniettemin volkomen doordrongen van het feit dat anderen over hem zouden oordelen. BrahmsEerste symfonie staat in veel opzichten symbool voor zijn bewustzijn van zijn plek in de geschiedenis, zijn worstelingen met de nalatenschap van Ludwig van Beethoven en de vrijwel onmogelijke verwachtingen van sommige tijdgenoten.

‘Beethovens Tiende’ werd Brahms’ Eerste symfonie al snel genoemd

Het kostte twee decennia aan twijfels en veertien jaar daadwerkelijk componeren voordat hij in 1876 eindelijk naar buiten durfde te treden met zijn Eerste symfonie. ‘Beethovens Tiende’ werd het werk al snel genoemd, niet alleen omdat het Beethovens symfonieën als model volgde – wat geenszins uniek was – maar ook vanwege de openingsmelodie van de finale (het non troppo), die nadrukkelijk aan het ‘Alle Menschen werden Brüder’ uit Beethovens Negende symfonie doet denken. Dit was ongetwijfeld bewust en toont hoe Brahms besloot om te gaan met de meesterwerken uit het verleden: door muziek te schrijven die niet alleen aansloot en voortbouwde op dat verleden, maar er ook actief mee in dialoog ging.

De symfonie opent met een langzame inleiding (Un poco sostenuto) die direct van ongekende intensiteit is, met meedogenloze slagen en chromatisch stijgende strijkers die in een ander werk wellicht het dramatische hoogtepunt zouden vormen, maar hier slechts het vertrekpunt zijn voor een monumentaal Allegro.

De twee middelste delen van deze symfonie zijn wel eens afgedaan als relatief licht en daarom van ondergeschikt belang, maar zij vormen een welkome en noodzakelijke brug tussen de twee imposante hoekdelen. Het e sostenuto lijkt het wel te proberen, maar kan niet werkelijk gemoedelijk of ontspannen overkomen: sommige verschuivingen van naar suggereren een verdriet dat ergens onder de oppervlakte schuilgaat. Het derde deel (Un poco allegretto) slaagt er beter in om de lucht te klaren, en heeft een dat qua klank doet denken aan Beethovens heroïsche stijl en daarmee wellicht ook aan eenvoudigere tijden.

De finale brengt ons terug naar het conflict dat het eerste deel heeft opgeworpen. Opnieuw klinkt er een langzame inleiding, maar dan in twee delen: eerst een dramatisch gebaar dat doet denken aan het begin van de symfonie (); en dan breekt plots het licht door met een overgang van c klein naar C groot en een solo met grote symbolische betekenis (Più andante). Deze , in de literatuur vaak aangeduid als het Alphorn-, had de componist al enkele jaren voor de uiteindelijke voltooiing van de symfonie met Clara Schumann gedeeld, en lijkt een vorm van verlossing of openbaring te vertegenwoordigen. De eigenlijke finale, beginnend met de hymne à la Beethovens Negende, moet dan nog beginnen. Het is veelzeggend dat dat laatste thema gaandeweg uit beeld raakt – waarmee Brahms zich losmaakt van zijn voorganger en wellicht ook van het inmiddels verouderde vertrouwen in menselijke maakbaarheid dat de Negende symfonie verkondigde. Zodoende zette Brahms, net als Sjostakovitsj, de symfonische vormen naar zijn hand en reageerde hij middels klassieke vormen op de problemen van zijn eigen tijd.

Biografie

Residentie Orkest, orkest

Aan de wieg van het Residentie Orkest stond in 1904 Henri Viotta – advocaat, , componist en conservatoriumdirecteur. Hij was overtuigd van de impact van muziek op de samenleving en van de noodzaak van een uitzonderlijk orkest in Den Haag, en tot 1917 bleef Viotta dirigent en directeur van zijn nieuwe orkest.

Na de Tweede Wereldoorlog werd ­Willem van Otterloo aangesteld als chef-dirigent; hij bleef tot 1973. Vervolgens leidden Jean Martinon, Ferdinand Leitner, Hans Vonk, Evgeny Svetlanov, Jaap van Zweden en Neeme Järvi het orkest.

In de zomer van 2021 is Nicholas Collon opgevolgd door Anja Bihlmaier, en sinds afgelopen zomer is Jun Märkl chef-. Richard Egarr is sinds 2019 vaste gastdirigent, Chloe Rooke is sinds de zomer van 2024 emerging artist in residence. Het Residentie Orkest is gehuisvest in het nieuwe cultuur- en onderwijscomplex Amare. Tournees in de afgelopen jaren voerden naar Duitsland, Roemenië en China.

Het orkest werkt samen met Haagse en nationale partners als het Nationaal ­Theater, het Festival Classique, het The Hague African Festival, Het Paard, De Nationale en het Koninklijk ­Conservatorium. Met zijn educatieprogramma en het jaarlijkse Zuiderparkzomerconcert draagt het bij aan de sociale cohesie in zijn thuisstad. Het vorige optreden van het Residentie Orkest in Het Concertgebouw was op 24 augustus jongstleden, samen met violiste Bomsori Kim, die voor het seizoen 2025/2026 artist in residence is van het orkest.

Lawrence Renes, dirigent

De Nederlands-Maltese Lawrence Renes ontwikkelde een rijke carrière in zowel de als op het concertpodium. Zo opende hij 2019/2020 bij de San Francisco Opera met Brittens Billy Budd, debuteerde hij datzelfde seizoen bij het Orchestre National de Lyon en het National Taiwan Symphony Orchestra en keerde hij terug bij het Melbourne Symphony Orchestra en het Filharmonisch Orkest van Malta.

In seizoen 2020/2021 debuteerde hij bij het Sydney Symphony Orchestra en werkte hij veel in Azië, bijvoorbeeld bij het Tokyo Metropolitan Symphony Orchestra en het NHK Symphony Orchestra. Van George Benjamins Written on Skin verzorgde hij de Chinese première op het Beijing Music Festival met het Shanghai Symphony Orchestra.

Eerder werd de geëngageerd door de huizen van Brussel, Seattle, Lissabon en Santa Fe, en hij is chef-dirigent geweest van de Koninklijke Zweedse Opera in Stockholm. In de concertzaal leidde hij onder meer de orkesten van Oslo en Helsinki, het Orchestre Philharmonique de Radio France, het BBC Symphony Orchestra en het New Zealand Symphony Orchestra.

Lawrence Renes wordt vaak geassocieerd met het werk van John Adams: hij deed Nixon in China aan de San Francisco Opera, Doctor Atomic bij English National Opera en De Nationale Opera, en diverse orkestwerken bij het London Philharmonic Orchestra, het Hong Kong Philharmonic Orchestra, het Mahler Chamber Orchestra en het Royal Stockholm Philharmonic Orchestra. Ook heeft hij werken op zijn repertoire van George Benjamin, Mark-Anthony Turnage, Guillaume Connesson en Robin de Raaff.

Bij het Residentie Orkest Den Haag stond Lawrence Renes al vaker op de bok, en in Het Concertgebouw dirigeerde hij ook meermaals het Radio Filharmonisch Orkest.

Simone Lamsma, viool

Simone Lamsma begon op haar vijfde met vioolspelen, kreeg vanaf haar negende les van Davina van Wely, studeerde vanaf haar elfde aan de Yehudi Menuhin School bij Hu Kun en debuteerde op haar veertiende bij het Noord Nederlands Orkest met het Eerste vioolconcert van Paganini. Ze vervolgde haar opleiding bij Hu Kun en Maurice Hasson aan de Royal Academy of Music in Londen, en won in 2003 het Nederlands Vioolconcours ‘Oskar Back’.

Haar repertoire omvat inmiddels meer dan zestig vioolconcerten, waaronder ook opdrachtcomposities van Mattijs de Roo, Mathilde Wantenaar en Joey Roukens die ze in première bracht met het Radio Filharmonisch Orkest.

Simone Lamsma debuteerde bij de New York Philharmonic onder Jaap van Zweden, de Los Angeles Philharmonic onder Otto Tausk, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia onder Antonio Pappano en Die Deutsche Kammerphilharmonie Bremen onder Paavo Järvi.

Ze soleerde ook bij veel van ’s werelds belangrijkste orkesten, waaronder die van Chicago, Washington, Detroit, Pittsburgh, Dallas, San Francisco, Seoul, Hongkong, Sydney, Londen, Helsinki, Oslo, Stockholm, het Concertgebouworkest, het Konzert­hausorchester Berlin, Les Siècles, het BBC Symphony Orchestra, de Wiener Symphoniker en het Mostly Moz­art Festival Orchestra. In 2021/2022 was ze artist in residence bij het Residentie Orkest en begon haar driejarige residency bij de Oregon Symphony.

In 2022/2023 had de violiste een residency in PHIL Haarlem, en in 2023/2024 bij de Royal Liverpool Philharmonic. Het vorige optreden van Simone Lamsma in de was in juni 2023 een met Thomas Beijer, die voor die gelegenheid een vioolsonate componeerde.