Serenade aan de Vrienden

Dit is een voorlopig concertprogramma. Minimaal een week voor aanvang van het concert vindt u hier toelichtingen op de muziek en biografieën van musici.

Leden van het Concertgebouworkest

Aanvang van het concert: 20:15
Einde van het concert: 21:45

Serenade in Bes, KV 361 'Gran Partita'
Mozart

Serenade in E, op. 22, B. 52
Dvořák

Toelichting

Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791

‘Gran partita’

Door Frits de Haen

Alle instrumenten kennen hun pièce de résistance. Voor pianisten behoren Beethovens s tot dit genre, terwijl violisten en cellisten zich altijd zullen blijven bezighouden met Bachs ­solopartita’s respectievelijk solosuites. Als je voor blazersensemble een dergelijk stuk zou moeten aanwijzen, dan gaat die eer ongetwijfeld naar Wolfgang Amadeus Mozarts Gran , een werk dat door zijn dimensies en inhoud een levenslange uitdaging blijft. 

Het is geen eenvoudige ‘musik’, zoals de s en aubades met blaas­instrumenten die extra cachet gaven aan feestelijke gebeurtenissen. Vooral nadat keizer Joseph II in 1782 een blazersoctet had laten vormen, werd het een rage voor de adel om er een dergelijk ensemble op na te houden.

Daardoor ontstond een grote vraag naar werken voor blazers, meestal in de bezetting van twee hobo’s, twee klarinetten, twee s en twee ten. Dat konden lichte werken zijn met uitwisselbare namen als ‘parthia’s’, ‘Feldmusiken’ of de hierboven genoemde ‘’s’ of ‘serenades’, maar ook bewerkingen: Mozart laat in zijn Don Giovanni een blaas­ensemble opdraven dat zijn eigen Le nozze di Figaro citeert.

Het erop nahouden van een blazersensemble bleef ook ná Mozart populair. Mecenassen wier beurs een beetje te beperkt was om een volwaardig orkest op de been te houden, zochten graag hun toevlucht tot kleinere blazersensembles om hun maaltijden op te luisteren of om feestelijke bijeenkomsten iets extra’s te geven. Ook al omdat in Wenen veel voortreffelijke blazers rondliepen, met name uit Bohemen.

De bijnaam ‘Gran ’ is waarschijnlijk niet authentiek. Het boven het manuscript geschreven ‘gran Partitta’ lijkt pas later te zijn toegevoegd door een onbekende. Daardoor is ze echter niet minder toepasselijk: het is een echte partita (of ), zoals een opeenvolging van meerdere dansen in de genoemd werd.

Bovendien is de Tiende in Bes groot inderdaad qua inhoud en bezetting ‘grande’: niet minder dan twaalf blaasinstrumenten (plus een contrabas) schrijft de componist voor, zeer ongebruikelijk voor zulke ’s. Aan het reguliere octet zijn twee extra s, twee bassethoorns en een contrabas toegevoegd. Daardoor ontstaat een bezetting met een steviger ­fundament: met name de lagere registers zijn versterkt. Over de periode waarin de Gran partita gecomponeerd werd, is het laatste woord nog niet gezegd.

Aanvankelijk luidde de theorie dat het werk ontstond in München (1780 of 1781) of in Wenen (1781). Op gezag van Georg Nikolaus Nissen, de latere man van Mozarts weduwe Constanze, werd echter door velen aangenomen dat het werk geschreven was als ­tafelmuziek voor Mozarts huwelijk, op 4 augustus 1782, maar daaraan kan met recht getwijfeld worden. Anderen houden het er weer op dat de Gran partita van latere oorsprong is.

In ieder geval moet ze op zijn laatst in 1784 voltooid zijn: de eerste notitie ervan vinden we namelijk in het Wiener Blätchen van 23 maart 1784, wanneer het blad een ‘Musikalische Akademie’ aankondigt ‘waarbij naast andere goed uitgekozen stukken een grote blasende Musik van heel bijzondere soort gegeven wordt, gecomponeerd door de heer Mozart’. Klaarblijkelijk was het publiek bijzonder te spreken over het werk. De achttiende-eeuwer Johann Friedrich Schink schrijft in zijn memoires: ‘Ik hoorde vandaag blaasmuziek van de heer Mozart. [...] Achter elk instrument zat een maestro – het had een effect, heerlijk zo groot, voortreffelijk en majesteitelijk!’ 

Lees hier meer over Mozarts ‘Gran partita’.

Antonín Dvořák (1841-1904)

Serenade

Door Noortje Zanen

De Tsjechische componsit Antonín Dvořák had een grote voorliefde voor strijkinstrumenten. Als jongetje speelde hij al Boheemse volksmziek op zijn kleine viooltje, later werd hij beroepsaltist en violist en componeerde hij veel kamermuziek voor zijn favoriete instrumenten. Ook de antrekkelijke strijkerspartijen in zijn orkestwerken bewijzen dat hij van strijkers hield. Zijn Serende in E groot, 22 voor strijkorkest is misschien wel het mooiste voorbeeld. Dvořák schreef het in 1875, een gelukkige periode in zijn leven aan het begin van zijn carrière. Hij was net getrouwd, zijn eerste zoon werd geboren, zijn composities werden eindelijk gewaardeerd en hij ontving een prestigieuze Oostenrijkse staatsbeurs ter ondersteuning van 'jonge, arme en talentvolle kunstenaars'.

De bekende Weense muziekcriticus Eduard Hanslick, die in de jury van deze staatsbeurs zat, feliciteerde de jonge componist per brief en sprak de wens uit dat Dvořáks muziek ook bekend zou worden buiten het kleine Tsjechische vaderland. Johannes Brahms was ook onder de indruk van Dvořák en introduceerde hem bij zijn Duitse uitgebver Simrock met een noodoproep: ''Een zeer talent vol mens. En arm bovendien!' Dit was het begin van Dvořáks internationale doorbraak. Mede gestimuleerd door de Oostenrijkse beurs voltooide Dvořák in 1875 zijn Vijfde symfonie, een aantal kamermuziekwerken en ook de in E groot. Voor de Serenade had hij slechts twaal fagen nodig en in deze aantrekkelijke compositie weerklinkt de voorspoed van de componist.

Het stuk opent met een cantabile moderato. gevolgd door een melancholische en een humoristisch en levendig . Het enige langzame vierde deel is en wijs en het itbudnige en gedreve nslotdeel doet denken aan een Boheemse volksdans. In alle vijf delen klinken onweerstaanbaar aantrekkelijke ën, vol Sloavische hartstocht en karakteristieke s. Sinds de première in 1876 in Praag is de Serenade wereldwijd met veel succes ontvangen en is het totp op de dag van vandaag een van Dvořáks populairste composities.