Ruysdael Kwartet 25! Jubileumconcert

Ruysdael Kwartet:
Joris van Rijn viool
Emi Ohi Resnick viool
Gijs Kramers altviool
Michael Müller cello

Dit concert maakt deel uit van de serie Het Middagconcert.

Ook interessant:

Joris van Rijn: ‘Sommige foto’s in mijn koffer zijn al wel tien jaar oud’

Henry Purcell (1659-1695)

Fantasia in Bes gr.t., Z 736
Fantasia in c kl.t., Z 738
Fantasia in a kl.t., Z 740
uit ‘Nine Fantasias a 4’ (1680)

Franz Schubert (1797-1828)

Quartettsatz in c kl.t., D 703, op. posth. (1820)

Louis Andriessen (1939-2021)

...miserere... (2006-07)

Ludwig van Beethoven (1770-1827)

Strijkkwartet in c kl.t., op. 18 nr. 4 (1798-1800)
Allegro ma non tanto
Scherzo: Andante scherzoso quasi Allegretto
Menuetto: Allegretto
Allegro

er is geen pauze
einde ± 15.30 uur

Toelichting

Louis Andriessen 1939-2021

Andriessen: ...miserere...

Door Martijn Voorvelt

In de jaren zestig rebelleerde Louis Andriessen samen met onder meer Peter Schat en Reinbert­ de Leeuw tegen de gevestigde muzikale orde. Na 1975, toen hij begon als compositiedocent aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, zou hij geleidelijk zelf gaan behoren tot de gevestigde orde: toen Andriessen op 1 juli vorig jaar overleed, verloor Nederland zijn invloedrijkste naoorlogse componist.

Andriessen haalde zijn inspiratie vaak bij schrijvers, mystici en kunstenaars uit vroeger tijden. Zijn laatste strijkkwartet, …miserere…, is een reeks variaties, formeel gebaseerd op het beroemde Miserere van Gregorio Allegri (1582-1652), waarmee het de vorm A B A C A B A B deelt. De inspiratie voor deze verwantschap vond Andriessen in de roman n (1993) van de Duitse auteur Helmut Krausser, waarin een alchemist in het dertiende-eeuwse Italië op zoek gaat naar de ‘26 magische melodieën’, waarvan Allegri het geheim zou hebben gekend. Deze geheime melodieën hebben het vermogen om te bekoren of om te helen.

Henry Purcell (1659-1695)

Purcell: Fantasia’s

Door Lonneke Tausch

Engelands grootste componist is vooral bekend gebleven vanwege zijn vocale muziek: composities die waren verbonden aande rijke Engelse theatertraditie. Onder het belangrijkste wat Henry Purcell op instrumentaal vlak leverde, zijn zijn ‘fantasy’s for viol consort’. Deze ensemblevorm van gamba’s in verschillende groottes was destijds al op zijn retour, ten gunste van modernere ensembles die waren samengesteld uit instrumenten uit de vioolfamilie.

Purcell – twintiger, hofmusicus, organist aan de Westminster Abbey in Londen – leverde in de zomer van 1680 in één manuscript vijftien van dergelijke fantasia’s. Negen ervan waren vierstemmig, en sinds de publicatie ervan in 1959 komen deze ‘fantasias a 4’ geregeld terecht op de lessenaars van een strijkkwartet.

Deze fantasievolle en gevarieerde werken van ieder een paar minuten vormen een staalkaart van ische technieken en expressieve harmonische effecten. In die zin worden ze wel vergeleken met Die Kunst der Fuge (1745-50) van Johann Sebastian Bach. Nóg een overeenkomst: het is onzeker of de muziek bij leven van de componist eigenlijk wel is uitgevoerd en voor welk doel ze is geschreven. Waren het componeerstudies?

Franz Schubert 1797-1828

Schubert: Quartettsatz

Door Noortje Zanen

Toen Franz Schubert in 1820 aan zijn Quartettsatz begon had hij al vier jaar geen strijkkwartet meer geschreven. Het was zijn eerste poging om een stuk voor deze bezetting te schrijven met het oog op professionele musici in plaats van de informele strijkkwartetavonden samen met zijn broers en zijn vader, die enthousiaste amateurs waren.

Schubert componeerde het eerste deel en de eerste 41 maten van een langzaam tweede deel, maar hij zou het werk nooit voltooien. Was hij onzeker over het resultaat?

Helaas bestaat daar geen duidelijkheid over, maar het is wel bekend dat 1820 een moeilijk jaar was voor de componist. Hij was in een experimentele fase en zocht naar een nieuw idioom. Dat is goed hoorbaar in de originele, vitale muziek vol merkwaardige ën.

Ook zijn privéleven verliep moeizaam: de zangeres Therese Grob, zijn grote jeugdliefde, ­trouwde met iemand anders. Dat verklaart wellicht de wanhopige, emotionele stemming van het stuk.

Ook al was het werk niet af, het was in ieder geval wel een geslaagd muzikaal experiment. Een goede oefening voor het ontwikkelen van een nieuw muzikaal idioom, verder uitgewerkt in alle werken voor strijkers die Schubert nog zou creëren.

Ludwig van Beethoven (1770-1827)

Beethoven: Strijkkwartet in c klein

Door Paul Janssen

In 1798 begon Ludwig van Beethoven voor het eerst aan een strijkkwartet. In opdracht van Prins von Lobkowitz van Oostenrijk schreef hij er meteen zes. Hij had de lessen van Joseph Haydn en Wolfgang Amadeus Mozart geleerd en was in de kracht van zijn muzikale leven. Dat is ook aan het Strijkkwartet in c klein, 18 nr. 4 te horen. Ondanks de toonsoort is er nergens sprake van overdreven pathos. Met pakkende ën en een enorme drive leidt Beethoven de luisteraar door vier delen. Alleen op de plek waar het van oudsher het minst gebruikelijk is, in het , pakt de componist uit met drama, complexe meerstemmigheid en vergaande . Aan het slot laat Beethoven een frisse wind waaien met een voor hem zeldzaam in de Hongaarse stijl waar Haydn zo dol op was. Het brengt het kwartet tot een en humoristisch einde.

Met zijn opus 18 zette Beethoven niet alleen de lijn van Haydn en Mozart voort, hij maakte ook meteen met vele vernieuwingen duidelijk dat het genre van het strijkkwartet nog lang niet uitgeput was. Toch hadden tijdgenoten en latere Beethoven-vorsers bedenkingen bij de kwaliteit van dit vierde kwartet, dat Beethoven als laatste van de zes schreef. Omdat er geen schetsen van terug te vinden zijn in Beethovens schetsboeken van die tijd, bestaat het vermoeden dat het gebaseerd is op materiaal dat Beethoven misschien al eerder in Bonn componeerde. Het weerhield een componist als Franz Schubert er niet van om zich later te laten inspireren door dit werk.

Bij zijn zilveren jubileum doorsnijdt het Ruysdael Kwartet vier eeuwen: van muziek die eigenlijk niet voor twee violen, en is geschreven via de Weense Klassieken naar het laatste strijkkwartet van een vorig jaar overleden grote Nederlandse componist met wie de vier strijkers nog samen aan hun interpretatie hebben gewerkt.

Biografie

Ruysdael Kwartet

Het Ruysdael Kwartet werd opgericht in 1996, toen alle leden studeerden aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Het kwartet volgde lessen bij leden van het Amadeus Quartett, het Hagen Quartett en het Quatuor Mosaïques en studeerde bij het ­Alban Berg Quartett aan de Hochschule für Musik in Keulen.

Prijzen won het ensemble van de Internationale Sommerakademie Prag-Wien-Budapest (1999, 2000 en 2001), het Charles Hennen Internationaal Kamermuziek­concours (2000) en het Concours International de Quatuor à Cordes in Bordeaux (2001). In 2002 kreeg het Ruysdael Kwartet de Persprijs en de AVRO-prijs in de Vriendenkrans-finale in Het Concertgebouw, en in 2006 volgde de Kersjes van de Groenekan Prijs.

Het Ruysdael Kwartet werd een gevestigde naam in binnen- en buitenland. In 2015 was het de initiatiefnemer van het Zoom! ­kamermuziekfestival in Rheden, in 2016 vergezelden het kwartet en sopraan Lenneke Ruiten het Koninklijk Paar tijdens het staatsbezoek in Parijs, in 2018 had het een prominente rol in de eerste Strijkkwartet Biënnale Amsterdam, en in 2019 maakte het zijn meest recente tournee door Japan.

Kamermuziek in grotere bezetting speelde het kwartet met collega’s als Rafael Wallfisch, Gavriel Lipkind, Nino Gvetadze, Igor Roma en Charles Neidich. Naast hun uitvoeringen van het klassieke kwartetrepertoire werkten de musici samen met hedendaagse componisten als Louis Andriessen, Jacob ter Veldhuis en Gabriel Prokofjev.