Rouvali leidt Sjostakovitsj bij het Concertgebouworkest
Concertgebouworkest
Santtu-Matias Rouvali dirigent
Omar Tomasoni trompet
Dit programma maakt deel uit van de series B en A.
Ook interessant:
- Componist Anna Thorvaldsdottir: ‘Ik speel de muziek af in mijn hoofd’
- Solotrompettist Omar Tomasoni: ‘Als ik boos ben, ga ik studeren’
- Dit zijn de luistertips van solotrompettist Omar Tomasoni
Anna Thorvaldsdottir (1977)
Metacosmos (2017)
Nederlandse première
Ennio Morricone (1928-2020)
UT (1991)
voor trompet in C, pauken, grote trom en strijkorkest
Nederlandse première
pauze ± 20.50 uur
Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)
Symfonie nr. 15, op. 141 (1971)
Allegretto
Adagio, Largo, Adagio, Largo
Allegretto
Adagio, Allegretto, Adagio, Allegretto
einde ± 22.20 uur
Toelichting
Anna Thorvaldsdottir (1977)
Thorvaldsdottir: Metacosmos
Door Hugo Bouma
De IJslandse componiste Anna Thorvaldsdottir laat zich vaak inspireren door natuurverschijnselen en de woeste landschappen van haar geboorteland. Die vertalen zich in haar muziek meestal op een tamelijk abstracte manier in vorm, en . In Metacosmos kijkt ze echter een stuk verder dan aardse landschappen. Thorvaldsdottir schrijft zelf: ‘Het idee achter dit stuk is om in een zwart gat te vallen – het onbekende – en door de eindeloze samenstellingen van tegengestelde krachten ergens in getrokken te worden waar je geen controle over hebt.’ Het werk is evenwel niet bedoeld als beschrijving van een zwart gat, het was slechts het uitgangspunt voor het compositieproces.
Het verloop van de muziek is door de componist in de aangegeven, als tekstinstructies aan de . Vanuit een duister, mysterieus begin horen we gaandeweg steeds meer activiteit, totdat het hele orkest, geholpen door het , steeds agressiever begint te pulseren; Thorvaldsdottir noemt dit ‘Industriële adem’. De serene harmonie die hierop volgt krijgt als titel ‘Visioenen’, even later schrijft ze ‘Geen weg terug’. Gaandeweg worden de spanning en agressie weer opgevoerd (‘Ritmische structuren in een chaotisch veld’) om uiteindelijk met een terugkeer van de serene, verstilde harmonie aan gene zijde te arriveren. Waar het stuk begon met de laagste noot van de contrabas, is de wereld nu gespiegeld en blijven we achter met een stratosferisch hoge noot van de soloviool.
Ennio Morricone (1928-2020)
Morricone: UT
Door Martijn Voorvelt
Ennio Morricone kennen we van de iconische filmmuziek voor de epische westerns van Sergio Leone, waaronder The Good, the Bad and the Ugly (1966) en natuurlijk Once Upon a Time in the West (1968), met die desolate . Later werkte hij samen met onder anderen Pier Paolo Pasolini en Oliver Stone.
Minder bekend is dat Morricone ook trompettist was, en als componist meer dan honderd composities voor het concertpodium op zijn naam had. Van 1964 tot 1980 maakte hij deel uit van de Gruppo di Improvvisazione di Nuova Consonanza, een baanbrekend experimenteel componistencollectief. In deze periode raakten Morricones commerciële werk en zijn autonome oeuvre steeds meer met elkaar verknoopt. Zijn filmmuziek werd compromislozer en atonaler. Onder zijn meest inventieve concertwerken vinden we Tre scioperi voor kinderkoor en grote trom (1979-88), Frammenti di giochi voor en harp (1990) en het ‘trompetconcert’ UT.
UT werd geschreven voor Mauro Maur, net als Morricone trompettist en componist, maar dan van een jongere generatie. De lettergreep ‘ut’, in de elfde eeuw geïntroduceerd als aanduiding van de eerste toon van een toonladder – later meestal ‘do’ genoemd – verwijst naar de c, de grondtoon van het soloinstrument in kwestie (zie uitleg hieronder). Het is ook de toon waarmee het werk van start gaat. Tijdens een onrustige, hyperactieve zoektocht naar tracht de een e te vormen, maar hakkelt, stottert, aarzelt, of verzandt in nurks gemijmer. Geleidelijk voegen de strijkers zich steeds meer naar de wil van de solist. Na een solo waaiert vanuit de lage c van de trompet een nieuwe textuur uit, die geleidelijk toewerkt naar contemplatieve strijkersakkoorden. Daarbinnen ontstaat een harmonisch geheel, waarbij de soloviool zich nu en dan losmaakt en de trompet imiteert en bijstaat.
Ut en do-re-mi
De bekende solmisatie-lettergrepen, die we nu kennen als do-re-mi-fa-sol-la-si, hebben hun oorsprong bij de benedictijner monnik Guido van Arezzo (991-1033). Om de zangers te helpen met het onthouden van de toonhoogten in de e gezangen, ontwikkelde hij een toonladder. Hij gebruikte een overbekende hymne, waarbij iedere regel op een hogere toon begon: Ut queant laxis / resonare fibris/ mira gestorum / famuli tuorum/ solve polluti / labii reatum/ Sancte Iohannes (Mogen uw dienaren met zachte stem uw wonderdaden doen klinken; verlos onze bezoedelde lippen van schuld, Heilige Johannes).
In Guido’s tijd was het zestonige hexachord de basis van het toonsysteem. Het werd uitgebreid met de zevende toon (het septime), maar pas in de negentiende eeuw werden de initialen van Sancte Iohannes gebruikt om die aan te duiden (‘si’).
Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)
Sjostakovitsj: Vijftiende symfonie
Door Hugo Bouma
‘Het eerste deel is een speelgoedwinkel.’ Dit was het enige, dat Dmitri Sjostakovitsj losliet over zijn vijftiende en laatste symfonie. De componist stond erom bekend dat hij zich in zowel tekst als muziek soms ambigu, cryptisch en sarcastisch uitdrukte, niet in de laatste plaats om de censuur van het Sovjet-regime te omzeilen. Hiernaast was hij een notoir verlegen en teruggetrokken man, die de biografische duiding van zijn werk graag aan anderen overliet. Mede hierdoor is deze symfonie een bijzonder raadselachtig stuk.
Wat we weten, is dat Sjostakovitsj de Vijftiende symfonie schreef in slechts twee maanden in de zomer van 1971, en haar baseerde op eerdere schetsen voor een ‘vrolijke symfonie’. Een deel van deze tijd verbleef hij in een kliniek waar hij werd behandeld voor polio, en hij voltooide de laatste twee delen in zijn zomerhuisje in Repino, in de buurt van Sint-Petersburg. De première moest worden uitgesteld nadat de componist in september voor de tweede keer een hartaanval had gekregen, en vond uiteindelijk plaats in Moskou in 1972, onder de directie van Dmitri’s zoon Maksim.
Zijn de andere werken van Sjostakovitsj uit deze periode vaak duister, weerbarstig en streng, deze symfonie is, tenminste aan de oppervlakte, een stuk lichtvoetiger. Het eerste deel, de ‘speelgoedwinkel’, opent met celesta en een huppelende fluitsolo van bijna kinderlijke naïviteit. Na verloop van tijd mondt de muziek uit in een citaat van Rossini’s bekende Ouverture ‘Wilhelm Tell’, dat binnen al het gehuppel en gegaloppeer nauwelijks uit de toon valt. Aldus de componist: ‘Ik weet zelf ook niet precies waarom die citaten erin zitten, maar ik kon ze niet níet opschrijven.’
‘Ik weet zelf ook niet precies waarom die citaten erin zitten, maar ik kon ze niet níet opschrijven’
Het hierop volgende opent met een luguber koperkoraal, gevolgd door een desolate solo. Gaandeweg ontvouwt zich een onmiskenbare dodenmars, onverbiddelijk langzaam en voortdurend in . Zonder onderbreking sluit hier een op aan dat druipt van het sarcasme. Het typeert Sjostakovitsj: oprechte vrolijkheid is in zijn muziek slechts zelden te horen, iedere glimlach is met punaises vastgeprikt. Ook opvallend zijn de vele solo’s, als voorproefje op hun prominente rol in het slotdeel.
Het eerste dat we horen in de finale is het Todesverkündigung- uit Richard Wagners Der Ring des Nibelungen. Ook zonder expliciete duiding van de componist is het vrij onmogelijk om dit citaat níet te beschouwen als verwijzing naar Sjostakovitsj’ eigen naderende dood. Wanneer het tempo hierna oppikt horen we geen exuberante finale-muziek, maar eerder bedachtzaamheid. Een strenge passacaglia resulteert in de climax van de symfonie, maar wordt gevolgd door nog meer bedachtzaamheid, nog meer doodsaankondigingen én nog meer Wagner, ditmaal het openingsthema uit zijn liefdesdrama Tristan und Isolde. Het einde van de symfonie is nog enigmatischer dan de rest. Op zeker moment begint in het slagwerk weer een stuk opwindspeelgoed te tikken, terwijl de strijkers op een ijzig blijven liggen. En – daar blijft het bij.
Biografie
Santtu-Matias Rouvali, dirigent
Santtu-Matias Rouvali is chef van Philharmonia (sinds 2021) en was dat ook acht seizoenen lang (van 2017 tot 2025) van het Göteborg . Van het Tampere Philharmonisch Orkest in zijn thuisland Finland is hij eredirigent. In 2022 maakte Santtu-Matias Rouvali met Philharmonia zijn BBC Proms-debuut, en jaarlijks reizen dirigent en orkest naar het Mikkeli Festival in Finland.
In september 2025 leidde Santtu-Matias Rouvali het tachtigjarige Philharmonia in een grote tournee, uitmondend in een concert in Carnegie Hall in New York; ook Het Concertgebouw werd aangedaan, met onder meer een wereldpremière van composer in residence Gabriela Ortiz.
De Finse was te gast bij gezelschappen als de Berliner en de Münchner Philharmoniker, de Wiener Symphoniker, het Orchestre Philharmonique de Radio France, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia en de orkesten van New York, Cleveland, Chicago en Los Angeles. Sinds zijn overtuigende debuut bij het Concertgebouworkest in januari 2020 keerde hij er jaarlijks terug; de laatste keer, in maart 2025, dirigeerde hij werken van Clyne, Rachmaninoff en Sibelius.
Santtu-Matias Rouvali bouwt gestaag aan een uitgebreide discografie met zijn orkesten in Londen en Tampere, en met het Göteborg voltooide hij een Sibelius-cyclus die goed was voor onder meer een Gramophone Editor’s Choice, een Preis der deutschen Schallplattenkritik en een Diapason d’Or. Santtu-Matias Rouvali, van oorsprong er, studeerde directie aan de Sibelius-Academie in Helsinki bij onder anderen Jorma Panula, Leif Segerstam en Hannu Lintu.
Omar Tomasoni, trompet
Omar Tomasoni is solotist van het Concertgebouworkest sinds augustus 2013. De Italiaanse musicus studeerde cum laude af aan het conservatorium van Brescia, waarna hij snel carrière maakte door de positie van solotrompettist te vervullen bij onder meer het Orchestra Filarmonica della Scala, het Janáček Festivalorkest, het Orchestra del Maggio Musicale Fiorentino onder leiding van Zubin Mehta en van 2008 tot 2013 bij het orkest van Santa Cecilia in Rome onder Antonio Pappano.
Wegens zijn verdiensten als actief lid van het European Union Youth Orchestra werd in 2003 aan Omar Tomasoni de bronzen medaille van de Italiaanse Republiek toegekend.
Bij het Concertgebouworkest soleerde hij in 2014 met Yuja Wang in Sjostakovitsj’ Concert voor piano, trompet en strijkers (het Eerste pianoconcert).
Omar Tomasoni is ook een fervent kamermusicus. Zo is hij lid en medeoprichter van het eclectische blaaskwintet Italian Wonderbrass en treedt hij veelvuldig op met zijn collega’s van het Concertgebouworkest.
Omar Tomasoni speelt onder meer op een C-trompet die gebouwd werd door Gerd Dowids. Het instrument, in bruikleen van de Foundation Concertgebouworkest, was een schenking van de Swiss Friends of the Concertgebouworkest.
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest




