Rossini’s Petite messe solennelle: Amsterdam Sinfonietta en Nederlands Kamerkoor
Nederlands Kamerkoor
Amsterdam Sinfonietta
Candida Thompson viool/leiding
solisten uit het Nederlands Kamerkoor
Dit concert maakt deel uit van de series Spotlight en Onsterfelijke Noten.
Gioacchino Rossini (1792-1868)
Petite messe solennelle (1863)
oorspronkelijk voor solisten, koor, twee piano’s en harmonium
versie voor solisten, koor, strijkorkest, twee hoorns en harmonium (bew. W. van Klaveren)
Deel 1
Kyrie
Gloria
Gratias agimus tibi
Dominus Deus
Qui tollis peccata mundi
Quoniam tu solus sanctus
Cum sancto spiritu
Deel 2
Credo
Crucifixus
Et resurrexit
Preludio religioso (Offertorium)
Sanctus
O salutaris hostia
Agnus Dei
er is geen pauze
einde ± 21.40 uur
Toelichting
Gioacchino Rossini 1792-1868
Rossini’s Petite messe solennelle: Amsterdam Sinfonietta en Nederlands Kamerkoor
Door Lonneke Tausch
‘Pom, pom-pom-pom, pom-pom-pom, pom-pom-pom, pom, pom…’; met deze luchtige, dansante inleiding – in de oorspronkelijke versie gespeeld op piano – laat Gioacchino Rossini zijn Petite messe solennelle beginnen. Vervolgens zet het koor partij voor partij en sotto voce (‘met gedempte stem’) in, om na elf maten het eerste forte te bereiken op een smekend ‘eleison’ (‘ontferm u over ons’). Voor de volgende pakweg tachtig minuten blijft de muziek boeien tot en met de overtuigend getoonzette slotwoorden ‘dona nobis pacem’ (‘geef ons vrede’).
Première
Rossini droeg de Petite messe solennelle op aan gravin Louise Pillet-Will, en ten paleize van haar en haar man Michel-Frédéric – graaf en bankier, gespecialiseerd in aandelen – vond de première plaats: op maandagochtend 14 maart 1864 werd de huiskapel ermee ingewijd. De was dan ook afgestemd op een uitvoering in huiselijke kring. Zoals Rossini het formuleerde: ‘Twaalf zangers van drie geslachten – mannen, vrouwen en castraten – zijn voldoende voor een uitvoering. Te weten acht voor het koor, vier voor de solo’s, een totaal van twaalf cherubijnen.’ Daarnaast vereiste de ‘kleine plechtige mis’ twee piano’s en een harmonium, instrumenten die doorgaans wel aanwezig waren in de onderkomens van de Franse fine fleur. Een uitvoering kon zelfs nóg bescheidener, want de tweede pianopartij is weinig zelfstandig en behelst goeddeels een verdubbeling van de eerste.
Oude dag
Onder de genodigden bij de privépremière waren politici, ambassadeurs en consuls, maar ook Rossini’s collegacomponisten Giacomo Meyerbeer, Ambroise Thomas en Daniel Auber. De eerste openbare uitvoering volgde een dag later en zowel de Parijse pers als het publiek waren enthousiast over wat Rossini zelf ‘deze kleine compositie’ noemde, ‘de laatste zonde van mijn oude dag’. Met deze opmerking verwees de componist naar de Péchés de vieillesse, een verzameling van zo’n 150 werken uit de jaren 1857-68 die hij in dertien banden had samengevoegd. Rossini’s ‘oudedagszonden’ bevatten muziek voor uiteenlopende bezettingen, waaronder ook tientallen humoristische miniaturen voor piano solo met titels als Prélude prétentieux, asthmatique en Quatre hors d’oeuvres (onderverdeeld in De radijzen, De ansjovis, De augurken en De boter). Veel van deze muziek werd uitgevoerd tijdens de zaterdagse soirées die de componist organiseerde in zijn Parijse appartement of in zijn buitenverblijf in de voorstad Passy.
Jarenlange pauze
Dat Rossini eind jaren 1850 weer aan het componeren sloeg, was verrassend: sinds de première van zijn ‘grand ’ Guillaume Tell op 3 augustus 1829 in Parijs was er nauwelijks nog iets van zijn hand verschenen. Rossini, in heel Europa beroemd om zijn operasuccessen, leek nog voor zijn veertigste vrij plotseling de pen te hebben neergelegd. Over zijn beweegredenen circuleren vele interpretaties: zijn gezondheid zou te wensen hebben overgelaten, hij was lui en genoot liever van het leven dan dat hij werkte, hij zou met depressies hebben gekampt, hij zou zich de wat koele eerste ontvangst van zijn (negenendertigste!) opera Guillaume Tell erg aangetrokken hebben, hij zou zich bedreigd voelen door jongere en modernere operacomponisten als Gaetano Donizetti en Vincenzo Bellini. In de decennia die volgden verbleef hij voornamelijk in zijn geboorteland Italië, maar in het voorjaar van 1855 keerde hij terug naar Parijs en nam toch de pen weer op.
Bach…
In 1857 had Rossini ingetekend als abonnementhouder op de kritische uitgave van het werk van Johann Sebastian Bach die destijds in Duitsland tot stand kwam. De Petite messe solennelle, waaraan hij in 1863 begon, verraadt zijn kennis van Bachs componeerkunst. Bijvoorbeeld in het deel ‘Cum sancto spiritu’ (de dubbelfuga die het Gloria besluit) en in de laatste frase van het Credo (‘Et vitam venturi saeculi, Amen’) laat Rossini duidelijk zien dat hij bekend was met de technieken van de meester van het ke . Dat hij ook de ouderwetse à la Palestrina beheerste, bewijst het -middendeel van het Kyrie.
… maar ook opera
Ondanks de referenties aan Bach bleef Rossini in zijn mis toch ook de man van de opera en van de mooie ën, zoals in de tenor- ‘Domine Deus’. Het Credo (met zijn mysterieuze tempo-aanduiding ‘ Cristiano’) is een toonbeeld van economie: aan dit hele deel liggen slechts een paar muzikale ideeën ten grondslag, terwijl het woord ‘credo’ zelf met de bijbehorende noten telkens optreedt als refrein. Het ‘Crucifixus’ lijkt wel los te staan van de omringende delen: het is een sopraan-aria met een eenvoudige begeleiding, rijk aan inkleuringen, waarna de koorinzet op ‘Et resurrexit’ extra massaal overkomt. Opvallend is vervolgens de ‘Preludio religioso’, een instrumentaal intermezzo dat Rossini tussen de reguliere misdelen invoegde tijdens het offertorium. Bijkomend effect is dat hiermee na de razende slotfuga van het Credo de rust weerkeert voordat het lieflijke Sanctus begint. Tussen het Sanctus en het Agnus Dei voegt Rossini nogmaals een extra deel in; in deze sopraansolo ‘O salutaris hostia’, ter begeleiding van de consecratie, is de opera wederom niet ver weg. Met het diepgaande Agnus Dei, een drievoudig gebed om vrede voor alt solo met onbegeleide koorinterrupties, sluit Rossini zijn allerlaatste grote compositie stemmig af. Aan het einde van zijn manuscript schreef de componist: ‘Bon Dieu, voilà, nu is deze arme kleine mis klaar. Is het werkelijk sacrale muziek (de la musique sacrée) die ik heb geschreven, of is het vervloekte muziek (de la sacrée musique)? Ik ben voor de opera buffa geboren, dat weet u best! Een beetje techniek, een beetje ziel, dat is alles. Welnu, wees geprezen en verleen mij toegang tot het paradijs.’
‘Ik ben voor de opera buffa geboren, dat weet u best! Een beetje techniek, een beetje ziel, dat is alles’
Postuum
In 1867 zou Rossini van zijn Petite messe solennelle nog een orkestversie maken. Hij deed dit naar eigen zeggen om te voorkomen dat ‘monsieur Sax met zijn saxofoons’ of ‘monsieur Berlioz met de andere reuzen van het moderne orkest’ het zou doen; hij hield de van zijn klaviermis liever in eigen hand. Zijn orkestbewerking klonk voor het eerst in het Parijse Théâtre Italien op 28 februari 1869, de verjaardag van de op 13 november van het jaar daarvoor overleden componist – dat wil zeggen ongeveer, want Rossini was in het schrikkeljaar 1792 op 29 februari geboren. Dat deze première nog zo lang op zich had laten wachten en bovendien plaatsvond op een wereldlijk podium, had te maken met het voorschrift dat er in de katholieke kerk geen vrouwenstemmen mochten klinken (‘mulier tacet in ecclesiam’). Rossini had de grote variant van zijn petite messe bedoeld voor een kathedraal, maar ondanks een persoonlijke petitie aan paus Pius IX kreeg hij geen toestemming. Onder de verzuchting ‘Arme kerkmuziek!’ had hij dan maar afgezien van een uitvoering, want hij vond het ‘ronduit armzalig’ om ter ere van God ‘onharmonische en gewoonlijk valse’ jongensstemmen in te zetten voor de alt- en sopraanpartijen. Pas in 1967 zou de pauselijke ban officieel worden herroepen.
Biografie
Nederlands Kamerkoor, koor
Het Nederlands Kamerkoor voert repertoire uit van de vroege Middeleeuwen tot de muziek van morgen. Het werkt samen met acteurs, dansers, dj’s en vj’s, componisten, dichters en wetenschappers. Het koor won in 2017 De Ovatie van de VSCD voor het programma Via Crucis onder leiding van Reinbert de Leeuw, en in 2019 won het de Rotterdamse dagen Award.
Vanuit zijn thuisbasis in Utrecht zet het Nederlands Kamerkoor zich in voor een bloeiende koorwereld met onder meer het traineeship NKK NXT voor jonge professionals en de Zingdagen voor amateurkoren. Oprichter Felix de Nobel was chef- van 1937 tot 1972; hij gaf opdrachten aan componisten als Francis Poulenc en Frank Martin.
Opvolgers waren Hans van de Hombergh (1972-1976), Kerry Woodward (1977-1980), Uwe Gronostay (1988-1997), Tõnu Kaljuste (1998-2000), Stephen Layton (2002-2005) en Risto Joost (2011-2015). Sinds 2015 is Peter Dijkstra chef-dirigent. De laatste decennia werden compositieopdrachten verleend aan onder anderen David Lang, Michel van der Aa, Sofia Goebaidoelina, James MacMillan en Caroline Shaw. De vorige samenwerking met het Concertgebouworkest betrof Bachs Matthäus-Passion onder Riccardo Minasi in april 2025.
Amsterdam Sinfonietta, strijkorkest
Amsterdam Sinfonietta, opgericht in 1988, geeft zo’n 65 concerten per jaar in binnen- en buitenland met strijkersrepertoire van de tot opdrachtcomposities en nieuwe arrangementen. De uitvoeringen staan meestal onder leiding van concertmeester en artistiek leider – sinds 2003 – Candida Thompson (hierboven op de foto).
De strijkers trekken op met vooraanstaande solisten, onder wie violiste Simone Lamsma, cellisten Kian Soltani en Sol Gabetta en pianisten Lucas en Arthur Jussen, Fazıl Say en Beatrice Rana.
Een tournee met Janine Jansen met De vier jaargetijden van Vivaldi werd in 2022 bekroond met De Ovatie van de VSCD. Amsterdam Sinfonietta gaat ook graag grensverleggende samenwerkingen aan – recent met Nai Barghouti respectievelijk Maria Mena – en integreert in zijn programma’s film, dans (bijvoorbeeld met ISH Dance Collective) of theater (bijvoorbeeld met Orkater). De discografie omvat titels als The Mahler Album, The Argentinian Album, Lento Religioso en Tides of Life (met Thomas Hampson), maar ook Franse chansons met Thomas Oliemans en producties met De Dijk, Jonathan Jeremiah en Rufus Wainwright.
In samenwerking met Het Concertgebouw zijn er sinds 2005 KleuterSinfonietta-voorstellingen, zoals deze maand Speelgoedfabriek Tokkel & Strijk. Het Concertgebouwdebuut van Amsterdam Sinfonietta dateert van 28 maart 1993, en in seizoen 2023/2024 was het gezelschap Spotlight-artiest van de Eigen Programmering. De vorige keer dat een afvaardiging uit het strijkorkest kamermuziek speelde in de was op 13 april 2024, samen met pianist Alexander Gavrylyuk.
Candida Thompson, viool
Candida Thompson studeerde in 1989 met onderscheiding af bij David Takeno aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen en bekwaamde zich verder aan het Banff Centre for the Arts in Canada. Ze leidde strijkorkesten in Scandinavië, Nederland, Spanje en Groot-Brittannië.
De Britse violiste is een gepassioneerd kamermusicus, deelde het podium met musici als Isaac Stern, Janine Jansen, Harriet Krijgh, Simone Lamsma, Isabelle Faust en Bruno Giuranna, en werd uitgenodigd op evenementen als het Kuhmo Festival (Finland), het Gubbio Festival (Italië), het Internationaal Kamermuziek Festival Utrecht en La Musica (Verenigde Staten).
Met celliste Xenia Jancovic en pianist Paolo Giacometti vormt ze het Hamlet Pianotrio. Als soliste trad Candida Thompson op met talloze orkesten in Europa, de Verenigde Staten en het Verre Oosten. Bij Amsterdam Sinfonietta werd ze in 1995 concertmeester en in 2003 tevens artistiek leider. Ze bespeelt een viool van Guarneri del Gesù (Cremona, 1698-1744).


