Ronald Brautigam in meesterlijk Frans programma

Klassieke Meesterwerken 20.15 uur 

Nederlands Kamerorkest
Gordan Nikolić viool/leiding
Jonathan Waleson dirigent (Milhaud)
Ronald Brautigam piano

Jean-Baptiste Lully 1632-1687

Marche pour la cérémonie turque
uit ‘Le bourgeois gentilhomme’ (1670) 

Maurice Ravel 1875-1937

Tzigane, rapsodie de concert (1924)
voor viool en orkest, oorspronkelijk voor viool en piano

Darius Milhaud 1892-1974

Le boeuf sur le toit, op. 58 (1919)
ballet voor orkest 

pauze

Maurice Ravel

Le tombeau de Couperin (1914-17)
voor orkest, oorspronkelijk voor piano solo
Prélude: Vif
Forlane: Allegretto
Menuet: Allegro moderato
Rigaudon: Assez vif

Camille Saint-Saëns 1835-1921

Vierde pianoconcert in c kl.t., op. 44 (1875)
Allegro moderato – Andante
Allegro vivace – Andante – Allegro

begin van de pauze ca. 20.55 uur
einde van het concert ca. 22.00 uur

Toelichting

Jean-Baptiste Lully 1632-1687

marche pour la cérémonie turque

tekst: Michiel Cleij

Sommige muziekcarrières lijken eerder een voortbrengsel van Disney Studio’s dan van de realiteit. Bijvoorbeeld die van Jean-Baptiste Lully, de Italiaanse molenaarszoon die het tot hofcomponist van Lodewijk de Veertiende schopte en zichzelf uiteindelijk dodelijk verwondde met zijn dirigeerstok.

Hij verrijkte de Franse muziek onder meer met komische muziektheaterwerken op teksten van Molière. Tot hun grootste mfen behoort Le bourgeois gentilhomme, een sociale satire over snobistische burgers en hufterige edellieden.

Op de achtergrond speelden de Franse kopzorgen over het Ottomaanse Rijk mee, een uitdijend imperium dat met evenveel fascinatie als angst werd bezien.

De hier gespeelde parodieert Turkse militaire muziek met nadrukkelijk tromgeroffel. Meer kleur en diepgang zou Turkse exotiek een eeuw later krijgen, bij Wolfgang Amadeus Mozart.

Maurice Ravel 1875-1937

tzigane

Lully was één van de eerste Fransen die zich door vreemde culturen liet inspireren, maar bepaald niet de laatste: de hang naar exotiek werd zelfs een visitekaartje van de Franse muziek en in het bijzonder van Maurice Ravel. Met flair imiteerde hij Spaanse en Aziatische muziek en zette hij Weense wal­sen naar zijn hand. 

In Tzigane kruipt hij in de huid van Balkan-zigeuners. Ravel kreeg het idee voor deze concertrapsodie tijdens een muzikale soirée waar zijn  voor viool en  werd uitgevoerd. Als toegift speelde de Hongaarse violiste Jelly d’Aranyi op Ravels verzoek een lange reeks zigeunerdeuntjes – ‘tot vijf uur ‘s ochtends’, zoals één der aanwezigen zich zou herinneren, ‘en Ravel en de violiste waren de enigen die niet afgemat waren’.

De oorspronkelijke pianopartij, later georkestreerd, kan vervangen worden door een luthéal – niet zozeer een instrument als wel een mechaniek dat in de piano geïmplementeerd wordt, met een -achtig klankresultaat. Maar dergelijke kunstgrepen heeft het werk niet eens nodig, zoals uit de orkestversie blijkt: de Hongaarse kruiden haal je er niet zomaar uit.

Darius Milhaud 1892-1974

Le boeuf sur le toit

Verschillende en door elkaar heen, psalmachtige ën vermengd met jazzy jes en , ke strijkerspartijen waar een soort carnavalsoptocht doorheen marcheert: het palet waarmee Darius Milhaud in de jaren twintig werkte was enorm.

Het reikte van zijn geboortestreek de Provence tot aan Brazilië (waar hij tijdens de Eerste Wereldoorlog woonde) en van Israëlitisch-religieuze diepten tot de top van de Eiffeltoren – want hoe exotisch georiënteerd hij ook was, Parijs bleef altijd zijn belangrijkste werkplek. En in Le boeuf sur le toît komt dat hele palet tot leven, met uitzondering van het religieuze element.

Milhaud vernoemde dit werk (‘De os op het dak’) naar een volksliedje dat hij tijdens zijn verblijf in Brazilië had gehoord. Het is een carrousel-achtig stuk: het aanvankelijke tje klinkt twaalf keer, maar de rondjes daartussenin bieden steeds iets nieuws. Soms zijn dat opgesmukte flarden van bestaande Braziliaanse volksdansjes en fado’s, elders muziekjes die eerder aan Franse dorpsfeesten met harmonica’s doen denken, doorspekt met echo’s uit Parijse nachtclubs.

Milhaud componeerde deze hectische muziek zonder enige bijbedoeling. Toch zit er een hysterie in die kenmerkend is voor twenties-muziek – misschien omdat de rusteloosheid zo mechanisch aandoet. Aardig is dat achter die ronddraaiende ‘raderwerkjes’ een uit de stammend compositieprincipe schuilgaat: het idee van een terugkerend met steeds andere tussenspelen vind je al bij Lully, Couperin en Rameau.

Overigens realiseerde Milhaud zich terdege dat het stuk ‘mechanisch’ klinkt: het leek hem geschikt als begeleidingsmuziek van een koddige film. Zover kwam het niet, maar zijn vriend Jean Cocteau maakte er wel een succesvol ballet van. Niet lang daarna opende een café-dansant genaamd ‘Le boeuf sur le toît’ zijn deuren; het bestaat nog steeds, al is het vijfmaal verhuisd.

Maurice Ravel

le tombeau de couperin

Behalve een stilistische kameleon was Maurice Ravel ook een briljant instrumentator. De orkestraties die hij van zijn eigen piano­werken maakte zijn gelijkwaardige herinterpretaties van het origineel. Ook van Le de Couperin maakte hij een orkestversie. Het origineel is pure klaviermuziek, gecomponeerd als hommage aan François Couperin en andere Franse klave­cinisten uit de zeventiende eeuw, vol vingertechnisch vernuft. Toch komen al die ke versierinkjes uitstekend tot hun recht in Ravels inventieve, caleidoscopische . Twee delen van de oorspronkelijke liet hij weg – niet zozeer omdat hij ze niet kón als wel omdat hij het gewoon niet wilde.

Met deze compositie greep hij terug op een oude vorm: eeuwen eerder componeerde men ‘tombeaux’ voor luit, als een laatste groet aan dierbaren of, als voorzorg, aan zichzelf. Behalve aan Couperin refereert de muziek ook aan een recenter verleden: Ravel droeg de afzonderlijke delen op aan een aantal vrienden die tijdens de Eerste Wereldoorlog waren gesneuveld. Sombere muziek is het echter absoluut niet. ‘Want’, verklaarde Ravel, ‘de doden zijn treurig genoeg.’

Camille Saint-Saëns 1835-1921

vierde pianoconcert

Camille Saint-Saëns is de muziekgeschiedenis ingegaan als een geraffineerd ambachtsman die persoonlijk lief en leed zorgvuldig buiten zijn composities hield, tegen de romantische tijdgeest in. Ondertussen is aan zijn geschriften over muziek niets menselijks vreemd. Roemrucht zijn de tirades die hij in zijn nadagen afstak tegen de modernist Claude Debussy; vijftig jaar dienst kan een onderzoekende geest veranderen in een zure conservatief.

Want ooit was Saint-Saëns een grensverlegger. Hij promootte instrumentale muziek bij een publiek dat enkel wilde horen. Hij laveerde behendig rond de bijna perverse Wagnerliefde van de overwegend anti-Duitse Fransen. Hij componeerde stukken voor minder gebruikelijke instrumentcombinaties en deed muzikaal verslag van zijn reizen naar Afrika. En hij experimenteerde met traditionele vormen, zoals uit het hoogst originele Vierde pianoconcert blijkt.

Het werk bestaat uit twee delen in plaats van de gebruikelijke drie. De kalme tred van het eerste deel contrasteert met de bruisende energie van deel twee, maar de onderlinge tische verwantschap is zó sterk dat je een overtuigende eenheid hoort, een doorlopende verhaallijn met verschillende episodes. De jes die aan het begin klinken worden in het tweede deel uitgewerkt en de vorstelijke, hymne-achtige waarmee het concert eindigt is in deel één al aangekondigd.

Het is die continuïteit die het zo’n onweerstaanbaar stuk maakt. Pianistisch vuurwerk ontbreekt uiteraard niet, maar is streng gedoseerd; bij Saint-Saëns, meer classicist dan romanticus, ontaardt virtuositeit nooit in bombast. Overigens verraadt de pianopartij dat de componist vertrouwd was met het spel. Het beginthema is een vraag- en antwoordspel tussen verschillende ‘registers’, uitwaaierend in meerstemmige weefsels; en de finale heeft dezelfde quasireligieuze grandeur als de ‘Orgelsymfonie’ die Saint-Saëns elf jaar later zou componeren.

Biografie

Nederlands Kamerorkest, orkest

Het Nederlands Kamerorkest, dat optreedt in bezettingen van 25 tot 45 musici, verzorgt gemiddeld per seizoen 25 ­concerten – veelal zonder en onder leiding van concertmeester Gordan Nikolić – op het ‘thuispodium’ van de , zowel in eigen series als binnen de Eigen Programmering van Het Concertgebouw.

Daarnaast treedt het op in vele andere zalen in binnen- en buitenland en speelt het ook op minder gebruikelijke plekken als poppodium Paradiso in Amsterdam en openluchttheater Caprera in Bloemendaal.

In het oprichtingsjaar 1955 gaf het Nederlands ­Kamerorkest zijn eerste concert in het kader van het Holland Festival. De eerste 22 jaar was de legendarische ­violist en Szymon Goldberg ­muzikaal leider, met David Zinman als secondant. Antoni Ros-Marbà leidde het orkest van 1979 tot 1986.

Toen het gezelschap in 1985 organisatorisch opging in de Stichting Nederlands Philharmonisch Orkest werd het begeleiden van producties van De Nationale een van de kerntaken; tegenwoordig worden het Nederlands Kamerorkest en het Nederlands Philharmonisch internationaal gerekend tot de beste operaorkesten.

Veelgeprezen cd’s van het Nederlands Kamerorkest zijn bijvoorbeeld de Mozart-albums met violiste Julia Fischer, pianist Martin Helmchen en violiste Noa Wildschut. Binnen de Eigen Programmering stond het gezelschap voor het laatst in de op 29 augustus 2025, met een programma ron­dom de Zesde symfonie ‘Pastorale’ van Beethoven met Floris Kortie als verteller.

Gordan Nikolić, viool

Gordan Nikolić is uitgegroeid tot het gezicht van het Nederlands Kamerorkest, dat hij sinds seizoen 2004/2005 op zijn eigen, unieke wijze leidt vanaf de eerste lessenaar. Een programma in de met ­orkestcollega’s en pianist Ronald Brautigam markeerde in september 2024 zijn twintigjarig jubileum als artistiek leider.

Gordan Nikolić werd geboren in het huidige Servië en leerde het vak bij de Franse violist en Jean-Jacques Kantorow aan de ­Musikhochschule in Basel.

Daar verdiepte hij zich in de viool, maar werkte hij ook samen met componisten als Lutosławski en Kurtág. In 1989 kreeg hij zijn eerste aanstelling als concertmeester bij het Orchestre d’Auvergne, en van 1997 tot en met 2017 bekleedde hij dezelfde functie bij het London Symphony Orchestra.

Daar werkte hij samen met top­en als Colin Davis, Claudio Abbado, Valery Gergiev en Bernard Haitink. De afgelopen jaren was Gordan Nikolić als concertmeester te gast bij onder meer Manchester Camerata, het Antwerp Symphony Orchestra en het Australian Chamber Orchestra. Sinds 2007 heeft hij bovendien de leiding over het in Spanje gevestigde BandArt, een orkest dat inzet op maatschappelijke betrokkenheid.

Naast zijn podium­activiteiten is de violist docent aan het conservatorium in Parijs, de Hochschule für Musik in ­Saarbrücken en Co­darts in Rotterdam. Hij speelt op een instrument uit 1794 van ­Lorenzo Storioni.

Jonathan Waleson, dirigent

Jonathan Waleson werd geboren in de Verenigde Staten. Zijn grootvader was de Amsterdamse violist Dick Waleson. Na een studie en piano aan de Juilliard School of Music in New York bouwde Jonathan Waleson aan een bloeiende concertpraktijk als pianist, alt­violist en .

Regelmatig combineert hij ook de rollen van solist en . Hij was te gast bij gezelschappen als het Kammerorchester Basel, het Ensemble Modern, het Smithsonian Jazz Masterworks Orchestra en het Orquesta Cambra de Lliure. Bij de Santa Fe werkte hij als repetitor. Jonathan Waleson is oprichter en artistiek leider van het Bethaniën Ensemble.

Het Nederlands Kamerorkest dirigeerde hij eerder in 2013 in de kinderopera Help heksen heXen! en in december 2014 in een programma met Amerikaans repertoire.

Ronald Brautigam, piano

Als leerling van de legendarische Rudolf Serkin heeft Ronald Brautigam zich gevestigd als een autoriteit op het gebied van klassieke en vroeg-romantische componisten, met in zijn discografie onder meer de complete solowerken van Haydn, Mozart en Beethoven, muziek van Kraus en Schubert en kamermuziek met violiste Isabelle van Keulen en cellist Christian Poltéra.

Hij maakte een reconstructie van de orkestpartituur van Beethovens pianoconcert WoO4 en verzorgde een uitgave van de vijf pianoconcerten van Johann Wilhelm Wilms, en van 2011 tot 2024 gaf hij les aan de Musikhochschule Basel.

De Amsterdamse pianist won de Nederlandse Muziekprijs (1984), twee Midem Classical Awards, de Jahrespreis der deutschen Schallplattenkritik 2015, twee Diapasons d’Or de l’Année en vier Edisons (inclusief oeuvreprijs 2024). Zijn 15-delige Beethovensonatereeks op ­fortepiano is volgens BBC Music Magazine een van de beste Beethoven-­cd-cycli ooit. Ronald Brautigam soleerde bij de ­Nederlandse omroeporkesten, het Concertgebouw­orkest (inclusief cd-opnames van Martin, Hindemith en Sjostakovitsj), het London Philharmonic Orchestra, het BBC Philharmonic Orchestra, het ­Budapest Festival Orchestra, het Orchestre National de France, het Gewandhaus­orchester Leipzig en orkesten in Japan, Hongkong, Australië en Amerika.

Op historische instrumenten speelde hij met vele gespecialiseerde ensembles, en in 2009 begon een samenwerking met Die Kölner Akademie die resulteerde in vele gezamenlijke concerten en in opnames van de complete pianoconcerten van Mozart, Beethoven, Mendelssohn, Weber en Wilms. Al sinds 1980 is Ronald ­Brautigam regelmatig in Het Concertgebouw te beluisteren. In de zomer van 2009 speelde hij er alle 32 s van Beethoven, in 2014/2015 vierde hij er zijn zestigste verjaardag met al Beethovens piano­concerten met verschillende orkesten.

Zijn laatste optredens in de waren op 30 januari 2022 een Schubert­ op fortepiano en op 21 september 2024 een programma met Gordan Nikolić en musici van het Nederlands Kamerorkest. In de was hij meest recent te gast in het Derde pianoconcert van Beethoven met het Radio Filharmonisch Orkest in Het Zondagochtend Concert van 29 september 2024; na dat optreden werd Ronald Brautigam verrast met de Concertgebouwpenning.