Roderick Williams: Schubert en Finzi

Roderick Williams bariton
Iain Burnside piano

Dit concert maakt deel uit van de serie Vocaal 1. 
Zangteksten zijn gratis verkrijgbaar aan de zaal.

Gerald Finzi (1901-1956)

Childhood among the Ferns
uit ‘Before and After Summer’,
op. 16 (1932-49)

Franz Schubert (1797-1828)

Im Haine, D 738 (1822-23)
Der Wanderer, D 649 (1819)
Der Einsame, D 800 (1826) 

Gerald Finzi

Amabel
uit ‘Before and After Summer’

Franz Schubert

Liebhaber in allen Gestalten, D 558 (1817)
An Rosa II, D 316 (1815)
Die Liebe hat gelogen, D 751 (1822) 

Gerald Finzi

Channel Firing
uit ‘Before and After Summer’

Franz Schubert

Rückweg, D 476 (1816)
Totengräbers Heimweh, D 842 (1816)
Auf den Tod einer Nachtigall, D 399 (1816)
 
pauze ± 21.00 uur

Franz Schubert

Im Frühling, D 882 (1826)
Herbst, D 945 (1828)

Gerald Finzi

Earth and Air and Rain, op. 15 (1928-32)
Summer Schemes
When I Set out for Lyonnesse
Waiting Both
The Phantom
So I Have Fared
Rollicum-Rorum
To Lizbie Browne
The Clock of the Years
In a Churchyard
Proud Songsters
 
einde ± 22.00 uur

Toelichting

1901-1956

Gerald Finzi

Door Axel Meijer

Roderick Williams en Iain Burnside brengen een programma vol bespiegelingen over afstand en tijd, en hoe die door menselijk verlangen (en soms tovenarij) zijn te overbruggen. 

Het leven van de Britse componist Gerald Finzi wordt al vroeg getekend door verlies: nog voor zijn achttiende verliest hij zijn vader, zijn oudere drie broers en zijn geliefde muziekleraar. Finzi vindt soelaas in poëzie, vooral die van Thomas Hardy (1840-1928). Diens agnostische levensvisie sluit naadloos aan bij die van de componist. Finzi’s stijl ligt in het verlengde van die van zijn vriend Ralph Vaughan Williams. De toon van de dertig jaar jongere Finzi is echter er; zijn pianobegeleidingen zijn bovendien beeldender en met aanzienlijk meer affiniteit voor het instrument geschreven.

Before and After Summer, 16, opent met Hardy’s Childhood among the Ferns, over een jongen die kind wil blijven, in een veilige schuilplaats in het groen – precies zoals Finzi er zelf een had. Amabel betreurt de vergankelijkheid van schoonheid. Finzi-biografe Diana McVeagh hoort in deze toonzetting een sluwe kritiek op Hardy’s nogal misogyne beschrijving van vrouwelijke veroudering. In Channel Firing menen de doden de aanstaande wederopstanding te horen. God legt uit dat het om een artillerieoefening gaat. Zolang er oorlog is, is er geen rust, zelfs niet voor de doden.

De uiterst zelfkritische Finzi schrijft niet snel: de eren uit Earth and and Rain, 15, ontstaan in vier jaar tijd, van 1928 tot 1932. Hoewel de componist de bundel geen cyclus noemt, zijn afstand en tijd hier sterk verbindende ’s. 

Zo gaat Summer Schemes over de futiliteit van fraaie voornemens, hoe liefdevol ook gemaakt, en is Waiting Both een dialoog tussen ster en mens: het oeroude en het zeer tijdelijke vinden elkaar in de wetenschap dat alles ooit eindigt, alle plannen ten spijt. In The Phantom beschrijft Hardy de geestesverschijning van zijn overleden vrouw, als jong meisje te paard op het strand. To Lizbie Browne is het bekende, wrange verhaal van een man die het betreurt zijn jeugdliefde te hebben laten lopen.The Clock of the Years vormt een horror-achtig tegenwicht, in de stijl van Edgar Allen Poe: de verteller draait, in een noodlottige deal met een boze geest, de tijd terug om zo zijn verloren geliefde te redden. 

Finzi’s toonzetting is even schrijnend als berustend: zonder leven geen dood; zonder dood geen leven

Het slotlied van de bundel, Proud Songsters was, volkomen begrijpelijk, een van Finzi’s eigen favorieten. Hardy verwondert zich erover dat er ieder jaar, in de vorm van jonge vogels, weer nieuw leven voortkomt uit een natuur die eeuwig verjongt door zich te voeden met de resten van wat is vergaan. Zo verbindt Hardy de dood onlosmakelijk met het leven. Finzi’s toonzetting is even schrijnend als berustend: zonder leven geen dood; zonder dood geen leven.

Vijf jaar nadat bij Finzi de ziekte van Hodgkin wordt geconstateerd overlijdt de componist in 1956, 55 jaar jong.

1797-1828

Franz Schubert

Menig Schubert verschijnt voor het eerst als bijlage in het chique Wiener Zeitschrift für Kunst und Mode. Im Haine, D 738, is er een van. Een zorgeloos (en goed speelbaar!) je illustreert een aangename boswandeling. 

Der Wanderer, D 649, beschrijft daarentegen een echte voetreis. Friedrich Schlegels tekst beschrijft Schuberts eigen artistieke Werdegang: de reiziger volgt oude (muzikale) paden, ‘onvermoeid klimmend, opgewekt zingend’, op weg naar onbekende hoogten. De verteller is weliswaar ‘omgeven door geluk, maar alleen’.

Der Einsame, D 800, verschijnt eveneens voor het eerst in genoemd Wiener Zeitschrift. Hier gaat het juist om het geluk van de luie stoel: Schuberts springerige pianobegeleiding verwijst vrolijk naar de krekel die in de tekst tevreden tjirpt op de warme schoorsteenmantel. In Liebhaber in allen Gestalten, D 558, neemt de zanger steeds andere gedaantes aan om zo dichter bij zijn geliefde te komen.

Van paard tot aap, en van vis tot schaap: Goethes tekst telt negen coupletten, waarvan er vanavond vier klinken. In tegenstelling tot Finzi’s The Clock of the Years gaat het hier om vrolijke toverkunst in plaats van zwarte magie.

Op 19 oktober 1815 zet Schubert naast An Rosa II, D 316, maar liefst zes andere liederen van Gotthard Kosegarten op muziek. Recent onderzoek toont aan dat Schubert zijn twintig toonzettingen van deze dichter heeft bedoeld als een cyclus voor meerdere stemmen.

Schubert legt enorme harmonische spanning in het eerste couplet van Die Liebe hat gelogen, D 751. Wanneer de openingsmelodie na een tussenvers wordt herhaald, maakt het diepe zelfmedelijden door een geraffineerde plaats voor droeve berusting: natuurlijk stelt de liefde teleur...
Rückweg, D 476, is stiekem een opvallend politiek .

Schuberts vriend, dichter Johann Mayrhofer, beschrijft hoe hij met tegenzin uit de provincie terugkeert naar Wenen. Daar wachten hem een saaie ambtenarenbaan en drukkende censuur. Pianist-musicoloog Graham Johnson hoort er een voorloper in van de politieke cabaretliederen van honderd jaar later.

Totengräbers Heimweh van Nicolaus Craigher de Juchelatta is een drakerige tekst: de grafdelver verlangt naar zijn eigen graf. Maar Schuberts toonzetting doet het de luisteraar vergeten, en maakt van de eendimensionale doodgraver uit het gedicht een bijna geloofwaardige tragische figuur. De stevige pianopartij volgt het harmonisch verloop van Pergolesi’s Stabat mater, dat Schubert goed kende. 

Na zo veel doodsdrift ontroert de kleinheid van Auf den Tod einer Nachtigall, D 399. De haast ononderbroken zanglijn herinnert na een subtiele modulatie troostend aan het lied van de nachtegaal, dat het bos zoveel mooier maakte. 

Im Frühling, D 882, opnieuw eerst verschenen in het Wiener Zeitschrift, heeft een bijzondere vorm: een reeks variaties in de piano begeleidt de mild-melancholische herinnering aan een liefdevoller voorjaar.

Ook Ludwig Rellstabs Herbst roept verloren lenteliefdes op. Schuberts pianobegeleiding in D 945 doet de droge bladeren ruisen in de koude wind. Door een aanpassing in de tekst verwaait bij Schubert niet alleen de ‘Liebe’, maar heel het ‘Leben’ zelf. Het lied dateert uit Schuberts laatste levensjaar.  

Biografie

Roderick Williams, bariton

Roderick Williams ontving in 2016 de Singer of the Year Award van de Royal Philharmonic Society en in 2017 de Most Excellent Order of the British Empire.

Voordat hij in Londen zijn ­zangstudie aan de Guildhall School of Music begon, was hij muziekleraar. De zanger is tevens componist; zijn werk klonk onder meer in Barbican Hall en Wigmore Hall in Londen.

Roderick Williams geniet bekendheid door zijn Mozart- en Britten-vertolkingen, maar stond ook in de premières van nieuwe ’s van onder anderen Sally Beamish, Alexander ­Knaifel en Michel van der Aa. Hij trad op met alle BBC-orkesten en met uiteenlopende gezelschappen als de Academy of Ancient Music, London Sinfonietta, de Berliner Philharmoniker, het RIAS Kammerchor, het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin, het Russisch Nationaal Orkest, de New York Philharmonic, het Bach Collegium Japan en De Nationale Opera.

In de van Het Concertgebouw was Roderick Williams onder meer te beluisteren in maart 2018 in Bachs Matthäus-Passion met het Orchestra of the Age of Enlighten­ment en in december 2018 in Händels Messiah met Britten . In de gaf hij s in april 2017 (Brits repertoire) en in april 2019 (Schubert en Finzi). In maart 2021 nam Roderick Williams met pianist Daan Boertien in de Kleine Zaal een Empty Concertgebouw Session op met de Songs of Travel van Vaughan Williams.

Iain Burnside, piano

Iain Burnside is pianist, schrijver en presentator. Hij studeerde aan conservatoria in Londen en Warschau en specialiseerde zich als begeleider. Hij werkt met zangers als Benjamin Appl, Susan Bickley, Susan Chilcott, Joyce DiDonato en Ailish Tynan.

Met mezzosopraan Sarah Connolly bracht hij een Korngold-album uit, en met bariton Roderick Williams – een vaste muzikale partner – vertolkte hij de drie grote liedcycli van Schubert in Wigmore Hall in Londen. In het huidige seizoen keert het duo naar datzelfde podium terug met een Russisch programma.

Na het succesvol presenteren van het Cardiff Singer of the World-concours werd Iain Burnside gevraagd als presentator voor BBC Radio 3, en voor zijn eigen programma Voices won hij een Sony Radio Award. Iain Burnside schreef ook een aantal theaterstukken. Naast dit alles is de musicus artistiek leider van het Ludlow English Song Weekend en artistiek adviseur van de Grange Park .

In de van Het Concertgebouw was de pianist eerder te gast in recitals met John Mark Ainsley (2006), Carolyn Sampson (2007), Rodion Pogossov (2010) en Roderick Williams (2017).