Rising Stars: Benjamin Appl

Rising Stars 20.15 uur

Benjamin Appl bariton
James Baillieu piano

De keuze van Barbican centre, Londen

Reynaldo Hahn 1875-1947

A Chloris (1916)
Quand je fus pris au pavillon (1899)
L’énamourée (1892)

Franz Schubert 1797-1828

Nähe des Geliebten, D 162 (1815)
Rastlose Liebe, D 138 (1815)
Wandrers Nachtlied I, D 224 (1815)
Prometheus, D 674 (1819)
Ganymed, D 544 (1817)
Erster Verlust, D 226 (1815)
An den Mond, D 259 (1815)
Der Musensohn, D 764 (1822)
Meeres Stille, D 216 (1815)
Erlkönig, D 328 (1815)

pauze

Nico Muhly 1981

The Last Letter (2015)
in opdracht van het Barbican Centre en de European Concert Hall Organisation; Nederlandse première
Dear Molly
Jack
Dear Leader of the Company!
Dear Husband!
Fair World, Where Are You?

Robert Schumann 1810-1856

Dichterliebe, op. 48 (1840)
Im wunderschönen Monat Mai
Aus meinen Tränen spriessen
Die Rose, die Lilie, die Taube, die Sonne
Wenn ich in deine Augen seh’
Ich will meine Seele tauchen
Im Rhein, im heiligen Strome
Ich grolle nicht
Und wüssten’s die Blumen
Das ist ein Flöten und Geigen
Hör ich das Liedchen klingen
Ein Jüngling liebt ein Mädchen
Am leuchtenden Sommermorgen
Ich hab’ im Traum geweinet
Allnächtlich im Traume seh’ ich dich
Aus alten Märchen
Die alten bösen Lieder

begin van de pauze ca. 20.55 uur
einde van het concert ca. 21.55 uur

teksten gratis verkrijgbaar aan de zaal

Toelichting

Reynaldo Hahn 1875-1947

Liederen

Tekst: Astrid de Jager

De van oorsprong Venezolaanse componist Reynaldo Hahn groeide in muzikaal opzicht op in de Franse school. Hij werd een bekend componist van Franse eren, en ­enkele van zijn beste liederen schreef hij al op de prille leeftijd van vijftien.

In het tedere L’énamourée – de componist was inmiddels ouder, maar niet zo veel – kan de zanger zijn geliefde niet loslaten, ook al is deze dood en begraven, en in zijn fantasie streelt hij haar haar en sluiers in het diepst van de nacht.

De tekst van Quand je fus pris au pavillon stamt uit de vijftiende eeuw en is door Hahn in een neorenaissancestijl gezet, compleet met ‘luit­begeleiding’ (hoewel gespeeld op de piano) en typische verschuivende s in de opgewekte zangpartij.

Voor A Chloris kruipt Hahn in de huid van een vroege componist. De piano imiteert hier de stijl van een klavecimbel, terwijl de lieflijke doch melancholieke zangmelodie doet denken aan de eren van weleer.

Franz Schubert 1797-1828

Liederen

Franz Schubert was een verlegen man. Een man die als componist velen inspireerde, maar als mens nog wel eens tegenviel. Hij was ‘een klein, onbeduidend mannetje, en hij stonk’, aldus een van de vele jonge componisten die hem opzochten. Dit laatste kan overigens verklaard worden door armoede en ziekte, die Schubert al van jongs af aan teisterden.

Dit deed echter niets af aan zijn compositietalent, iets wat zijn vrienden en bewonderaars bleef verbazen. Wanneer hij zijn gave losliet op de gedichten van Goethe, dan kende Schubert zijn gelijke niet.

Zo zette hij Nähe des Geliebten op een ­lieflijke die spreekt van zoet verlangen, simpel en effectief. Rastlose Liebe was bij de eerste uitvoering al een hit. En het is niet moeilijk te horen waarom: de rusteloze begeleiding en branieachtige zangmelodie staan garant voor enig spektakel in de concertzaal.

Wandrers Nachtlied I is een korte hymne waarin de rust van de nachtelijke natuur tot bezinning oproept. Het tisch verwante An den Mond heeft Schubert in drie jaar twee keer op muziek gezet: de eerste versie (D 259) is strofisch en de tweede (D 296) is doorgecomponeerd. Het telt maar liefst acht coupletten, en de tekst herbergt een grote variatie aan emoties.

D 259 is echter van een ontroerende eenvoud, vloeiend als een volksliedje maar met een typisch schubertiaanse gevoeligheid. Ook het  Meeres Stille is een natuurschets, maar dan van onheilspellende aard: de kent voorschriften als ‘sehr langsam, ängstlich’ en de ‘bewegingloze’ pianopartij is tot enkele en beperkt. In Erster Verlust spreekt de van een bodemloze nostalgie, met een begeleiding die zelden ‘thuiskomt’ op de grondtoon. 

In Goethes poëzie duiken geregeld mythologische figuren op, zoals in Prometheus. Hij stal het vuur van de goden en ondermijnde daarmee hun gezag; Goethe portretteerde hem met een woedende monoloog, die door Schubert in een -achtige vorm werd getoonzet.

Ganymed is een ode aan de schone jongeling Ganymedes, die Zeus’ aandacht trok en door de godheid naar de Olympus werd gedragen om daar tot in de eeuwigheid als page te dienen. Schubert toonzette Goethes tekst met een mix van romantische en klassieke slotcadensen, beginnend met een serene lieflijkheid en eindigend in extatisch verlangen. De zoon der muzen (Der Musensohn) zingt een opgewekt en meeslepend lied vol verlangen naar de lente en zijn thuis.

Weinig liederen zijn zo vaak uitgevoerd en beschreven als Schuberts Erlkönig. In een roerige storm (regen, wind en donder in de piano) rijdt een vader te paard met zijn doodzieke zoon, op zoek naar hulp. De zoon ijlt, en droomt van de Erlkönig, de vileine kinderlokker die stoute en onvoorzichtige kinderen meelokt naar het elfenland om nooit meer terug te keren. De zanger zingt afwisselend met de donkere stem van de bezorgde vader en de hoge, hysterische jongensstem, maar ook voor de pianist is deze ballade een acrobatische opgave.

Nico Muhly 1981

The last letter

De Amerikaan Nico Muhly componeerde The Last Letter speciaal voor Benjamin Appl, op brieven van soldaten in de Eerste Wereldoorlog. De cyclus bestaat uit vijf eren met elk een compleet eigen karakter.

Het eerste lied is schimmig, een mistig landschap met een achtige , een verloren ziel die de tekst herhaalt: ‘Vertel me alsjeblieft je naam, want ik ben hem vergeten.’ Het tweede lied is een liefdeslied, ademloos en obsessief.

In het derde vraagt een vrouw om een bezoek van haar man, hongerig en extatisch. Het wordt gevolgd door een hartbrekende brief waarin een vrouw een scheiding aankondigt, de kinderen verdwijnen in een weeshuis. De pianopartij is constant, terwijl in de stem de vernietigende boodschap langzaam doordringt.

Het laatste is gezet op een gedicht van Schiller. Het schildert een verlaten landschap, en eindigt zoals de cyclus begon, al wordt de op het eind begeleid door een pianistisch klokkenspel.

Robert Schumann 1810-1856

Dichterliebe

Robert Schumann was een van Schuberts grootste fans. In Dichterliebe is deze verwantschap overduidelijk. Het beschrijft de gecompliceerde liefde van een dichter, die niet gelukkig kan zijn met of zonder het object van zijn bewondering.

Im wunderschönen Monat Mai zou een vrolijk lentelied kunnen zijn. Schumans zetting vervult de ongecompliceerde tekst met twijfel en onbestemd verlangen. Het melancholieke Aus meinen Tränen spriessen contrasteert met het opgewekte en opgewonden Die Rose, die Lilie, waarin de zanger verklaart dat hij alles wat hij eens liefhad, nu niet meer ziet staan: hij heeft alleen nog oog voor die ene.

Wenn ich in deine Augen seh’ is de ultieme liefdesverklaring. Of niet? Als de geliefde verklaart van de dichter te houden, huilt hij bittere tranen. Ich will meine Seele tauchen lijkt in het midden van het betoog te beginnen. Het spreekt van verlangen naar het onbereikbare, teder en melancholiek.

Ondanks zijn ambivalente gevoelens kan de dichter zijn geliefde niet loslaten. Zelfs in het beeld van de heilige madonna, Im Rhein, im heiligen Strome, ziet hij haar beeltenis. De Dom wordt massief weergegeven in de monumentale en, maar geleidelijk wordt het beeld zachter, met als slot een tedere muzikale omlijsting van de lieve vrouwe.

In Ich grolle nicht is de relatie eindelijk over, en hoewel duistere wolken doorklinken in de piano, en de zanger gepassioneerd zingt van zijn verloren liefde, klinkt er ook een zekere opluchting door in de .

Und wüssten’s die Blumen zingt van leed en eenzaamheid, bijna genietend van de pijn, met vette e akkoorden die het verscheurde hart van de dichter onderstrepen.

In Das ist ein Flöten und Geigen voltrekt zich een persoonlijk drama als de allerliefste danst met haar gloednieuwe echtgenoot, begeleid door een hyperactieve houten-­klazenwals, die suggereert dat – althans voor de dichter – de liefde van het bruidspaar niet vanzelfsprekend is.

Het gemis van de geliefde dringt pas echt door in Hör ich das chen klingen. Uit de verstilde pianopartij spreekt een onbevattelijke wanhoop, de zanger lijkt gebroken, uitgeblust. 

Het sarcastische Ein Jüngling liebt ein Mädchen is een vicieuze cirkel van liefdesongeluk, waarbij niemand voor de ware liefde kiest. De zanger geeft zijn versie van de liefde op een bijtende, soms gepassioneerde wijze.

In Am leuchtenden Sommermorgen voelt de zanger zich ver verwijderd van de zomerweelde om zich heen, zijn wereld lijkt grijs, zijn stem nevelig en bedrukt.
Ich hab’ im Traum geweinet begint in het luchtledige, de piano antwoort de zanger met duistere en, wat het gevoel van leegte en totale vervreemding versterkt.

De dichter bereikt een staat waarin hij zijn geliefde zelfs in zijn slaap niet los kan laten. Allnächtlich im Traume beschrijft een prachtige droom, waarin de geliefde met mededogen op de dichter neerkijkt.

Het opgewekte lied Aus alten Märchen klinkt bijna manisch vrolijk na alle neerslachtigheid van voorheen. De dichter verdwijnt even in de fantasie van het elfenland, maar de weemoed keert weer als hij beseft dat hij daar niet heen kan.

In de finale van de cyclus, Die alten bösen Lieder, begraaft de dichter al zijn pijn en verdriet, en dat doet hij met veel bombarie, op de zware akkoorden van een begrafenismars. Pas op het eind verzacht de muziek en herinnert de piano zich de verlangende klanken van het begin van de cyclus.

Biografie

James Baillieu, piano

De Zuid-Afrikaanse James Baillieu studeerde aan de University of Cape Town en aan de Royal Academy of Music in Londen. Prijzen won hij op de Wigmore Hall Song Competition, het Kathleen Ferrier Concours en het Richard Tauber Concours, en in 2012 kreeg hij zowel een Borletti-Buitoni Trust Fellowship als een Geoffrey Parsons Memorial Trust Award.

Dit seizoen is de pianist artist in residence van Wigmore Hall in Londen.

Als kamermusicus en begeleider werkt James Baillieu met het Elias en het Heath Quartet, met violiste Tamsin Waley-Cohen, met altviolist Timothy Ridout en met zangers als Jamie Barton, Ian Bostridge, Lise Davidsen, Véronique Gens, Kiri Te Kanawa en Pretty Yende. Voor de festivals van Brighton, Bath en Verbier, voor BBC Radio 3 en voor de Perth Concert Hall cureerde hij diverse series.

James Baillieu is coach bij het Britten Pears Young Artist Programme en het jongtalentprogramma van het Royal House, geeft les aan de Royal Academy of Music en het Royal Northern College of Music en verzorgde masterclasses op het Aldeburgh Festival, het Cleveland Institute of Music, de ­Vancouver Academy of Music en de University of Waikato (Nieuw-Zeeland).

In de speelde hij eerder met Benjamin Appl (2016 en 2017), met trombonist Peter Moore (2018), met tenor Allan Clayton (2019), meermaals met saxofoniste Jess Gillam en de laatste keer, op 14 februari jongstleden, als lid van het YCAT-Collective.

Benjamin Appl, bariton

Benjamin Appl begon al jong in de Regensburger Domspatzen, en afgelopen jaar bracht hij met dat jongenskoor een kerstalbum uit. Hij studeerde aan de Hochschule für ­Musik und Theater München en de Guildhall School of Music and Drama in Londen, en onder zijn mentoren was Dietrich Fischer-­Dieskau.

De Duitse bariton trok de aandacht als BBC New Generation Artist (inclusief Proms-debuut in 2015), Wigmore Hall Emerging Artist en Young Artist of the Year van Gramophone.

Als ECHO Rising Star tourde hij in 2015/2016 bovendien door Europa en op 25 mei 2016 debuteerde hij – met pianist James ­Baillieu – in de . Op Oudjaarsdag 2017 keerde het duo terug, met Schuberts Die schöne Müllerin in Het Zondagochtend Concert. Van ­Schuberts Winterreise namen de BBC en het Zwitserse SRF in de Alpen een film op met de zanger. Bij het Concertgebouworkest maakte Benjamin Appl in november 2022 zijn debuut in Mozarts Requiem onder leiding van Klaus Mäkelä. De - en concertzanger doet ook in de van zich gelden: zo staat hij dit seizoen als Papageno in Mozarts Die Zauberflöte in de Hamburger Staatsoper.

Bovendien maakte hij afgelopen januari zijn debuut als , in Händels ­Messiah bij de Royal Liverpool Philharmonic. Andere hoogtepunten dit seizoen zijn engagementen bij de Oslo Philharmonic met Klaus Mäkelä en bij Le Concert Spirituel met Hervé Niquet. Met pianist James Baillieu bracht Benjamin Appl drie albums uit: Heimat (2017), Winterreise (2021) en Forbidden Fruit (2023).