RENAUD CAPUÇON MET DVOŘÁKS TWEEDE STRIJKKWINTET

Spotlight op Renaud Capuçon / Kleine Zaal Melange 20.15 uur

Renaud Capuçon viool
Guillaume Chilemme viool
Adrien La Marca altviool
Edgar Moreau cello
Alois Posch contrabas

Ludwig van Beethoven 1770-1827

Strijkkwartet in Bes gr.t., op. 130 (1825-26)
Adagio, ma non troppo – Allegro
Presto
Andante con moto, ma non troppo – poco scherzoso
Alla danza tedesca: Allegro assai
Cavatina: Adagio molto espressivo
Finale: Allegro

Joseph Haydn 1732-1809,

toegeschreven aan Roman Hofstetter 1742-1815
Strijkkwartet in F gr.t., op. 3 nr. 5, Hob. III: 17 (1777)
‘Serenade’ 
Presto
Andante cantabile (Serenade)
Menuetto – Trio
Scherzando

pauze

Antonín Dvořák 1841-1904

Tweede strijkkwintet in G gr.t., op. 77 (1875)
Allegro con fuoco
Scherzo: Allegro vivace
Poco andante
Allegro assai

begin van de pauze ca. 21.15 uur
einde van het concert ca. 22.10 uur

Toelichting

Ludwig van Beethoven 1770-1827

strijkkwartet

Tekst: Clemens Romijn

‘Ik wacht met groot ongeduld op een nieuw kwartet van u, maar ik verzoek u tegelijkertijd daar geen aandacht aan te schenken, en alleen uw inspiraties en de bereidheid van uw geest te volgen, want niemand weet beter dan ik dat men een genie niets kan ­bevelen, maar hem zijn gang moet laten gaan, en […] dat muziek op bestelling helemaal niet uw zaak is.’

Dat las Ludwig van Beethoven in 1823 in een brief van een verre mecenas uit Sint-Petersburg. Het was prins Nikolaus Galitzin (1794-1866), een fanatieke muziekliefhebber en begaafde cellist die Beethoven dik een jaar eerder had uitgenodigd een paar strijkkwartetten te componeren. De componist had die ook toegezegd, maar sindsdien was er louter stilte geweest.

Galitzin besefte dat veel liefhebbers van Beethovens muziek sinds zijn volledige doofheid totaal ­vervreemd waren van zijn late werk, zoals de Pianosonate in c klein, 111. En dateerde zijn laatste strijkkwartet niet van dertien jaar geleden?

Uiteindelijk liet het eerste kwartet voor Gali­tzin, het Strijkkwartet in Es groot, 127 tot februari 1825 op zich wachten, omdat Beethoven het werken daaraan maandenlang moest onderbreken vanwege zijn Negende symfonie.

De eerste uitvoering in Wenen onder leiding van Ignaz Schuppanzigh, door Beethoven plagerig Falstaff genoemd, werd door de veel te korte voorbereidingstijd een compleet fiasco. Een tweede poging twee weken later, onder leiding van de tweede ­violist Joseph Böhm, Beethovens ‘wakkere fiedelaar’, slaagde beter. Beethoven zelf was bij de uitvoering niet aanwezig, maar wachtte in een naburige Weense kroeg op het nieuws. 

Het Strijkkwartet in Bes groot, opus 130 kwam gereed eind 1825 en kreeg zijn eerste uitvoering in maart 1826 onder leiding van Schuppanzigh. Ook dit werk bleek geen sinecure voor spelers en luisteraars. Beethovens secretaris Anton Schindler had het over ‘het monster van alle kwartetmuziek’. Niettemin vroeg het publiek om de herhaling van twee delen.

Oorspronkelijk was de reusachtige en merkwaardige Grosse Fuge het slotdeel, maar volgens de recensent van de ­Allgemeine Musik Zeitung klonk die als ‘onbegrijpelijk Chinees’ en zaaide hij bij de spelers ‘Babylonische verwarring’. ‘Misschien zou veel hiervan niet zijn opgeschreven, als de meester zijn eigen scheppingen ook nog kon hóren. Maar laten wij niet overhaast zijn: wellicht komt nog de tijd, dat wat ons nu op het eerste gezicht troebel en verward lijkt, als helder en aangenaam van vorm wordt erkend.’

Beethoven trok zich deze kritiek aan en verving de Grosse Fuge door het huidige Haydn-­achtige slotdeel. De Grosse Fuge gaf hij als een afzonderlijk werk uit onder opusnummer 135.

Joseph Haydn 1732-1809; Roman Hofstetter 1742-1815

strijkkwartet 'serenade'

Het tweede werk op dit programma werd lang aangezien voor een kwartet van Joseph Haydn en gaat door het leven als nummer vijf uit zijn 3, compleet met het catalogusnummer van Anthony van Hoboken: Hob.III: 17. Kort voor de Tweede Wereldoorlog rees bij de Deense musicoloog Jens Peter Larsen twijfel over de echtheid van deze hele serie van zes zogenaamde Haydnkwartetten.

In de jaren zestig werd door de gerenommeerde Haydn-vorsers Somfai, Robbins Landon en Tyson bewezen dat ze niet van Haydn stammen, maar van de Benediktijner monnik Roman Hofstetter (1742-1815), die Haydns stijl imiteerde. Omstreeks 1777 gaf de Parijse uitgever Bailleux de werken van Hofstetter uit, maar verving diens naam door die van Haydn, om zodoende de verkoop te bevorderen.

Robbins Landon en Tyson vonden plaatsen in de oude Bailleux-druk waar Haydns naam over die van Hofstetter heen is gedrukt. Toen Haydns leerling Ignaz Pleyel omstreeks 1802 de uitgave van de complete strijkkwartetten van Haydn verzorgde, nam hij abusievelijk ook deze Bailleux-druk over en hielp daarmee het misverstand over deze stukken nog verder de wereld in.

De bladmuziek van deze zogenaamde Haydnkwartetten is nog steeds te koop bij de muziekhandel, er worden nog steeds opnamen van gemaakt onder Haydns naam en vele pianostudenten ­spelen nog steeds een bewerking voor ­piano van het beroemde tweede deel, de zogenaamde , uiteraard weer onder de naam van Haydn.

Het is een bijzonder fraai werk, zelfs grote musicologen wisten zeker Hayns genie erin te herkennen. Maar vast staat: het is de pennenvrucht van pater Roman Hofstetter, destijds woonachtig in een Benedictijner­klooster in Miltenberg, niet ver van Wenen.

Antonín Dvořák 1841-1904

tweede strijkkwintet

De Tsjechische componist Antonín Dvořák was van jongs af aan gewend aan strijk­instrumenten in diverse combinaties met of zonder piano. Eerst als ‘fiedelend’ jongetje in Boheemse volksmuziek en later als beroepsaltist en -violist.

Piano en strijkers bracht hij bijeen in diverse werken voor viool of en piano, in vier piano­’s, twee ­pianokwartetten en twee piano­etten. Voor alleen strijkers liet hij maar liefst vijftien strijkkwartetten na, en ook drie strijkkwintetten en een strijksextet.

Het Strijkkwintet in G groot, 77 schreef Dvořák deels in de lente van 1875. Een jaar eerder had hij een Oostenrijkse staatsbeurs gekregen ‘ter ondersteuning van zijn uitzonderlijke artistieke kwaliteiten’, zo schreef de commissie waartoe Johannes Brahms en de Weense muziekcriticus Eduard Hanslick behoorden.

De invloed van Brahms en de verwantschap met diens muziek laat zich goed beluisteren in het Tweede strijkkwintet. Dankzij de financiële hulp had Dvořák zijn tot dan toe slechts half gecomponeerde werk kunnen voltooien.

Oorspronkelijk had hij het opgezet in vijf delen, maar later schrapte hij een van de twee langzame delen, het Intermezzo, om het et terug te brengen tot een conventionele lengte en een klassieke vierdelige structuur. Het geschrapte Intermezzo herschreef hij in 1882 tot de sfeervolle , opus 40 voor strijkorkest.

Biografie

Renaud Capuçon, viool

Geboren in de Franse plaats Chambéry werd Renaud Capuçon op veertienjarige leeftijd toegelaten tot het conservatorium in Parijs. Vervolgens studeerde hij in Berlijn, waar Thomas Brandis en Isaac Stern zijn docenten waren.

In 1997 nodigde Claudio Abbado de jonge violist uit om concertmeester te worden van het Gustav Mahler Jugendorchester. In deze jaren musiceerde Renaud Capuçon onder leiding van maestro’s als Pierre Boulez, Seiji Ozawa en Claudio Abbado. Ondertussen werkte hij aan een carrière als solist en maakte hij debuten bij orkesten als het Boston Symphony Orchestra, de Berliner Philharmoniker en het Orchestre de Paris.

In zijn agenda staan momenteel optredens met bijvoorbeeld het London Symphony Orchestra en het Chamber Orchestra of Europe. Als kamermusicus werkte Renaud Capuçon met vele beroemde collega’s, onder wie Yuri Bashmet, Martha Argerich, Vadim Repin en Maria João Pires.

Ook treedt hij graag op met zijn broer, cellist Gautier Capuçon. Renaud bespeelt de Guarneri del Gesù ‘Panette’ (1737) waar eerder Isaac Stern op speelde.

Guillaume Chilemme, viool

Guillaume Chilemme begon op jonge leeftijd met vioolspelen. Aan de conservatoria van Toulouse en Parijs volgde hij lessen bij onder anderen Laurent Pellerin en Boris Garlitsky. De inzichten die hij opdeed bij pianist Pierre-Laurent Aimard waren van groot belang voor zijn ontwikkeling als kamermusicus.

In 2010 vervolgde Guillaume Chilemme zijn opleiding aan de Musikhochschule in Berlijn bij onder anderen Stephan Picard en leden van het Artemis Kwartet. Seiji Ozawa selecteerde de violist tweemaal voor deelname aan een cursus in het kader van zijn International Music Academy in Zwitserland. Inmiddels was Guillaume Chilemme te gast op tal van belangrijke festivals in onder meer Duitsland, Frankrijk, Zweden en Japan.

Samen met pianist Nathanael Gouin treedt de violist veelvuldig op en in 2014 bracht het duo zijn eerste cd uit, met daarop werken van Maurice Ravel en Marguerite Canal. Ook op 17 en 19 december 2015 en 19 februari 2016 speelde Guillaume Chilemme in de in kamermuziekprogramma’s m Renaud Capuçon.

Adrien La Marca, altviool

Adrien La Marca begon zijn muziekstudie op jonge leeftijd in Aix-en-Provence. In 2005 werd hij toegelaten tot het conservatorium in Parijs, waar hij vervolgens met de hoogste onderscheiding afstudeerde. Adrien La Marca had ook les in Duitsland en Zwitserland; onder zijn docenten waren Tabea Zimmermann, Yuri Bashmet en Hatto Beyerle.

De altist won een reeks onderscheidingen en maakte in de afgelopen jaren debuten in tal van Europese concertzalen. Zo speelde hij in Wigmore Hall in Londen, de Salle Rameau in Lyon en het Auditorium van het Louvre in Parijs. Kamermuziek voert hij uit met partners als Frank Braley, Nicholas Angelich, Edgar Moreau en Renaud Capuçon.

In kamermuziekcombinaties met de laatstgenoemde violist was Adrien La Marca al drie keer eerder te gast in de . Ook deelt hij het podium graag met zijn broer, de cellist Christian-Pierre La Marca. In 2016 verscheen de eerste cd van Adrien La Marca, English Delight, opgenomen met pianist Thomas Hoppe.

Edgar Moreau, cello

Edgar Moreau werd op zijn dertiende toegelaten tot het Conservatoire National Supérieur de Musique en studeerde later bij Frans Helmerson aan de Kronberg Academy. Masterclasses volgde hij bij Anner Bijlsma, Miklós Perényi, Gary Hoffman en David Geringas.

Hij viel in de prijzen bij het Rostropovitsj Concours 2009 en het Tsjaikovski Concours 2011, won in 2014 in New York de Young Concert Artists International Auditions en kreeg twee jaar later een ECHO Klassik voor Giovincello, opgenomen met de oudemuziekspecialisten van Il Pomo d’Oro.

Edgar Moreau musiceerde inmiddels met vele beroemde collega’s, onder wie Valery Gergiev, András Schiff, Gidon Kremer, Yuri Bashmet, Krzysztof Penderecki, Gustavo Dudamel, Renaud Capuçon, Frank Braley, Khatia Buniatishvili en het Talich Kwartet.

Als solist werd hij uitgenodigd door onder meer het Orkest van het Mariinski Theater, het Los Angeles Philharmonic Orchestra, het Orchestre Philharmonique de Radio France, het Simón Bolívar Symphony Orchestra of Venezuela en Hong Kong Sinfonietta. In de was Edgar Moreau eerder te beluisteren in 2015/16 in drie programma’s m violist Renaud Capuçon, met pianist Pierre-Yves Hodique in de serie Rising Stars van 2016/17 en met pianist David Kadouch tijdens de Robeco SummerNights 2018.

Alois Posch, contrabas

Alois Posch speelde vanaf zijn tiende viool en piano en stapte over op de contrabas toen hij vijftien was. Na een studie aan de Musikhochschule in Graz bij Johannes Auersperg en het winnen van enkele concoursen werd hij in 1978 – op zijn achttiende – opgenomen binnen de gelederen van de Wiener Philharmoniker.

Van 1983 tot 2008 was hij solobassist van de Wiener Philharmoniker en de Wiener Staatsoper. Daarnaast trad Alois Posch op tijdens verschillende bekende festivals en neemt hij regelmatig deel aan de projecten van violist Gidon Kremer, bijvoorbeeld m Piazzolla, Schubert, Schulhoff, Mozart en Beethoven.

Alois Posch is sinds 1993 verbonden aan de Musikhochschule in Wenen en geeft als gastdocent regelmatig les aan het Mozarteum in Salzburg. In de trad hij eerder op in december 2014 in Schuberts ‘Forellenkwintet’, in een programma dat was samengesteld door pianist Laul Lewis.