renaud capuçon en nicholas angelich: beethoven

Renaud Capuçon viool
Nicholas Angelich piano

Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791

Sonate in G gr.t., KV 379 (1781)
Adagio – Allegro
Andantino cantabile

Ferruccio Busoni 1866-1924

Tweede sonate in e kl.t., op. 36a (1898)
Langsam
Presto
Andante, più tosto grave

pauze 

Ludwig van Beethoven 1770-1827

Sonate in G gr.t., op. 96 (1812)
‘Erzherzogssonate’
Allegro moderato
Adagio espressivo
Scherzo: Allegro
Poco allegretto

Toelichting

Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791

Mozart: Sonate

Door Clemens Romijn

Op 9 juni 1763 vertrok er uit Salzburg een koets met een man van 43 jaar, zijn vrouw van 42, een dochtertje van elf, een zoontje van zeven en een bediende. Het gezelschap was begonnen aan een grote rondreis door Europa. Vader Leopold geloofde dat hun een wonder was overkomen. Zijn zoontje Wolfgang kon met drie jaar binnen een half uur gemakkelijke klavecimbelstukjes uit zijn hoofd leren en foutloos spelen. En hij smeekte zijn vader hard huilend om op diens viool te mogen spelen. Wolfgang wist met zijn eerste tonen en streken zijn vader te ontroeren.

Vanaf dat moment wist Leopold, zelf violist en componist, dat hij het talent van zijn zoontje moest ontwikkelen en tonen aan de wereld. Zo was de familie jarenlang onderweg door Europa. Wolfgang trad op voor de keizerlijke familie in Wenen, voor de koningen van Frankrijk en Engeland en in de paleizen van de geestelijke en wereldlijke adel van Europa. Zo speelde hij in München, Augsburg en Frankfurt. Via Brussel ging de reis naar Parijs, waar Wolfgang een concert gaf voor koning Lodewijk XV en zijn eerste muziek werd gedrukt, de s voor klavecimbel en viool, KV 6-9. Vader en zoon speelden deze rococo-niemendalletjes onder grote bijval, maar Wolfgang stal met zijn e klavecimbelpartij natuurlijk de show.

Op zijn dertiende was Wolfgang benoemd tot onbezoldigd concertmeester van de aartsbisschoppelijke hofkapel in Salzburg, waar hij met enige tegenzin het orkest leidde als eerste violist. Leopold mopperde: ‘Je schijnt geen viool gestudeerd te hebben. Dat doet me veel verdriet. Je weet zelf niet hoe goed je viool speelt, als je er tenminste eer in legt en elegant, kernachtig en intelligent wilt spelen, ja, alsof je inderdaad de beste violist van Europa bent.’ Maar Mozart kon de schelle vioolklank zo dicht bij zijn oren moeilijk verdragen en verzocht de hofkapel vanaf het klavecimbel te mogen dirigeren. Vergeefs. Niettemin schreef Mozart ruim dertig vioolsonates, grotendeels in Mannheim, Parijs en Wenen. Zes stuks, KV 296 en 376-380, gaf hij als 2 uit bij Artaria in 1781 en droeg hij op aan zijn begaafde leerlinge Josepha Aurnhammer. ‘Deze juffrouw is een verschrikking, maar speelt verrukkelijk,’ aldus Mozart.

De Sonate in G groot, KV 379 omvat slechts twee delen, maar het uitgebreide eerste deel – een duister, expressief en modern aandoend in g klein – heeft een langzame inleiding. Het tweede deel, een met vijf variaties, keert terug naar de lieftallige wereld van de galante rococo. In deze sonate wordt de viool regelmatig in de wacht gezet tijdens solo-episoden voor de piano (variaties 1 en 4).

Ferruccio Busoni 1866-1924

tweede sonate

Met de Tweede voor viool en piano in e klein, 36a van Ferruccio Busoni beleven de luisteraars een echte buitenkans. Want de muziek van deze in Toscane geboren pianovirtuoos en componist is zelden te horen in de concertzalen. In zijn tijd gold hij als een van de grootste pianisten, befaamd om zijn grenzeloze techniek en de beheersing van het allermoeilijkste repertoire. Mede daardoor is zijn compositorische nalatenschap tot op heden in de schaduw gebleven. En zeer ten onrechte. Dat is de tragiek van Busoni.

Zijn ouders verhuisden met hun talentvolle zoon vanuit Triëst naar Wenen, de ideale plek voor iemand met een componistendroom. Busoni ontmoette er Johannes Brahms, die hem adviseerde verder te studeren bij Carl Reinecke aan het conservatorium van Leipzig, hetgeen gebeurde. Historische ontmoetingen had Busoni daar met Tsjaikovski, Mahler, Sinding, Grieg en Delius. Door zijn benoeming als docent aan het conservatorium in Helsinki in 1890 kwam Busoni in contact met Sibelius. Later toerde hij als concertpianist drie jaar door de Verenigde Staten en doceerde hij in Boston. In 1894 vestigde hij zich voorgoed in Berlijn (dat hij gedurende de Eerste Wereldoorlog tijdelijk verliet), van waaruit hij zijn vele concerttournees ondernam.

Het was voor de in 1900 overleden Tsjechische violist en componist Ottokar Novacek dat Busoni zijn Tweede vioolsonate schreef. Het eerste, langzame deel begint traag en droef en ontvouwt zich als een intense rapsodie. Een groot contrast daarmee vormt het snelle tweede deel, een razendsnelle Italiaanse springdans, tarantella. Het laatste deel bestaat uit een gebaseerd op Bachs  Wie wohl ist mir met variaties die sterk uiteenlopen qua tempo en sfeer. Zo bracht Busoni een eerbetoon aan de grootmeester uit Leipzig.

Clemens Romijn

Ludwig van Beethoven 1770-1827

Beethoven: ‘Erzherzogssonate’

Door Dirk Luijmes

De in G groot, 96 – Beethovens laatste vioolsonate – werd in december 1812 ten doop gehouden door de Franse violist Pierre Rode. Aartshertog Rudolf, aan wie het werk was opgedragen, speelde de pianopartij. Rode, een sterleerling van Giovanni Battista Viotti, deed in die tijd Wenen aan. De violist, die zelf ook componeerde, had een grote naam, maar maakte bij de première van Beethovens laatste vioolsonate weinig indruk op de luisteraars; waarschijnlijk excelleerde hij eerder als solist dan als kamermusicus. Vergeleken met de virtuoze ‘Kreutzer-sonate’ is opus 96 voor violisten veel minder veeleisend. Het werk is veel introverter en de bravoure van 1803 heeft plaatsgemaakt voor rustige, gesublimeerde poëzie. 

Al in het eerste deel ontbreken felle contrasten en dramatiek. Het en het zijn met elkaar verbonden en gaan vooraf aan het slotdeel, dat een volksliedachtig met variaties bevat. Beethoven wilde aanvankelijk wat meer ‘rauschende Passagen’ in deze finale, maar dat was niet naar de zin van Rode. Er zijn aanwijzingen dat Beethoven de in 1814-15 herzag.

Nadat het werk in 1816 in druk verscheen, volgden er in diverse bladen lovende woorden. De ‘ernst’ van deze sonate is ‘weldadig’, schreef de Leipzigse pers, en ‘doet nergens geweld aan het aansprekende’. Bovendien was het werk volgens de Duitse commentator niet al te moeilijk uit te voeren, iets wat onderschreven werd door een collega van de Weense Allgemeine Musikzeitung. In dat laatste periodiek werd de sonate gedetailleerd beschreven. Het eerste deel werd volgens de recensent gekenmerkt door een ‘zekere rust en algemeen aansprekende begrijpelijkheid, een juiste soliditeit en een consequente ordening’. Zonder dat er ‘reuzen of draken’ moeten worden bestreden, ‘bewandelen we een doornloos pad’. In het Adagio hoorde hij een gevoelige en verliefde arcadische herder klagen tussen de bomen, bloemen en bronnen. Daarmee contrasteerden de satyrachtige bokkensprongen van het Scherzo, waar vrolijkheid en schalksheid de boventoon voeren.

Ook in de finale ontwaarde de recensent een ‘humoristische gezel’, die blij is met het leven, maar soms ernstig nadenkt. In het algemeen, zo jubelde de krant, toont de geniale componist in deze sonate een grote hoeveelheid ‘reinen Kunstgemüthes’, ‘ein phantasienreicher Ideenaufschwung’ en een ‘karakteristieke originaliteit’ waaraan zijn epigonen een puntje konden zuigen.

Biografie

Renaud Capuçon, viool

Geboren in de Franse plaats Chambéry werd Renaud Capuçon op veertienjarige leeftijd toegelaten tot het conservatorium in Parijs. Vervolgens studeerde hij in Berlijn, waar Thomas Brandis en Isaac Stern zijn docenten waren.

In 1997 nodigde Claudio Abbado de jonge violist uit om concertmeester te worden van het Gustav Mahler Jugendorchester. In deze jaren musiceerde Renaud Capuçon onder leiding van maestro’s als Pierre Boulez, Seiji Ozawa en Claudio Abbado. Ondertussen werkte hij aan een carrière als solist en maakte hij debuten bij orkesten als het Boston Symphony Orchestra, de Berliner Philharmoniker en het Orchestre de Paris.

In zijn agenda staan momenteel optredens met bijvoorbeeld het London Symphony Orchestra en het Chamber Orchestra of Europe. Als kamermusicus werkte Renaud Capuçon met vele beroemde collega’s, onder wie Yuri Bashmet, Martha Argerich, Vadim Repin en Maria João Pires.

Ook treedt hij graag op met zijn broer, cellist Gautier Capuçon. Renaud bespeelt de Guarneri del Gesù ‘Panette’ (1737) waar eerder Isaac Stern op speelde.

Nicholas Angelich, piano

Nicholas Angelich kreeg zijn eerste pianolessen van zijn moeder en debuteerde op zijn zevende met Mozarts Pianoconcert nr. 21 in C groot, KV 467. Op dertienjarige leeftijd werd de Amerikaanse pianist toegelaten tot het Conservatoire National Supérieur de Musique in Parijs, waar hij studeerde bij Aldo Ciccolini en Yvonne Loriod.

Masterclasses volgde hij bij Leon Fleisher, Dmitri Bashkirov en Maria João Pires. Nicholas Angelich won prijzen tijdens de Cleveland International Piano Competition en de Gina Baucher International Piano Competition. Ook kreeg hij een onderscheiding van het prestigieuze Klavier Festival Ruhr.

Rond dezelfde tijd, in 2003, debuteerde de pianist als solist bij de New York Philharmonic onder leiding van Kurt Masur. Sindsdien is hij te beluisteren met vele grote orkesten, waaronder in het lopende seizoen het National Symphony Orchestra in Washington, het Chicago Symphony Orchestra, het Orchestre Métropolitain de Montréal en het Orchestre de la Suisse Romande.

Kamermuziek speelde Nicholas Angelich in de van Het Concertgebouw eerder met bijvoorbeeld het Pavel Haas Kwartet, het Henschel Kwartet en – de vorige keer, in januari 2016 – met violist Renaud Capuçon.