Quirine Viersen speelt Bachs Cellosuites

Extra Concert 20.15 uur

Quirine Viersen cello

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Derde suite in C gr.t., BWV 1009 (ca. 1720)
Prelude
Allemande
Courante
Sarabande
Bourrée I
Bourrée II
Gigue 

Tweede suite in d kl.t., BWV 1008 (ca. 1720)
Prelude
Allemande
Courante
Sarabande
Menuet I
Menuet II
Gigue 

pauze

Zesde suite in D gr.t., BWV 1012 (ca. 1720)
Prelude
Allemande
Courante
Sarabande
Gavotte I
Gavotte II
Gigue 

begin van de pauze ca. 21.00 uur
einde van het concert ca. 21.55 uur

Toelichting

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Cellosuites

Iedere cellist die de beroemde suites van Johann Sebastian Bach wil spelen wordt geconfronteerd met een aantal onopgeloste vraagstukken. Van een mistige ontstaansgeschiedenis tot aan een ontbrekend handschrift: niemand weet precies hoe de muziek destijds klonk. Waar baseren cellisten zich dan op?

tekst: Noortje Zanen

Het is niet duidelijk of Bach de s voor een bepaalde cellist, een bepaald concert of een bepaalde opdrachtgever heeft geschreven en ook niet in welke volgorde de suites ontstonden. De grootste bron van frustratie voor cellisten is misschiel wel het ontbreken van het handschrift van Bach: het manuscript is verloren gegaan. Waar violisten voor hun interpretatie van de s en ’s voor viool solo altijd kunnen terugvallen op het handschrift van de meester zelf, hebben cellisten slechts twee indirecte bronnen uit Bachs tijd: een kopie van Bachs tweede vrouw Anna Magdalena en een kopie van Bachs leerling Johann Peter Kellner.

Een nadeel van deze twee bronnen is dat zowel Anna Magdalena als Kellner erg slordig waren in het overnemen van de bogen van Bach. Cellisten moeten dus naar eigen inzicht beslissingen nemen over streken, fraseringen en articulaties. Enerzijds is dat een belemmering, want zolang Bachs handschrift niet wordt teruggevonden zullen cellisten nooit weten of hun interpretaties overeenkomen met de oorspronkelijke ideeën van Bach. Maar tegelijkertijd biedt het ook ruimte: het geeft cellisten meer vrijheid om de suites op een unieke eigen manier uit te voeren. 

Hofkapel
Bach schreef de Cellosuites zeer waarschijnlijk tussen 1717 en 1723, de jaren waarin hij werkzaam was aan het hof van prins Leopold van Anhalt-Köthen. Het was de enige periode in zijn leven waarin hij in een vrijwel volledig seculiere omgeving verkeerde en waarin hij voornamelijk instrumentale werken schreef. Vorst Leopold, zelf een muziekliefhebber en -kenner, creëerde een gunstig muzikaal klimaat voor zijn kapelmeester, in de hoop dat zijn hofkapel tot een van de meest vooraanstaande ensembles zou gaan behoren. Bach kreeg een flink budget om een goed orkest samen te stellen, hij kreeg tijd om regelmatig te repeteren met zijn musici en er vonden veel muzikale activiteiten plaats.

In het calvinistische Köthen hoefde de hofkapel bovendien niet mee te werken aan de begeleiding van kerkdiensten. Anders dan in de Lutherse steden waar Bach eerder had gewerkt (bijvoorbeeld in Weimar) was in de sobere calvinistische liturgie geen plek voor meerstemmige instrumentale muziek.Bach had dus alle tijd om nieuwe instrumentale muziek te componeren en uit te voeren samen met de uitmuntende musici van de hofkapel. Behalve de Cellosuites ontstonden in deze periode vermoedelijk ook de Brandenburgse concerten, het eerste deel van Das wohltemperirte Clavier, de Franse suites en de Sonates en partita’s voor viool solo

Unieke dansmuziek
Geheel volgens de traditie in de tijd van Bach bestaat elke suite uit een verzameling op dansmuziek gebaseerde stukken, waarvan de allemande, courante, sarabande en gigue vaste ingrediënten waren, soms voorafgegaan door een prelude. Daarnaast konden nog andere dansen worden toegevoegd aan een suite, zoals een , een bourrée en een gavotte. In de zes Cellosuites komen al deze onderdelen aan bod, maar de gestileerde dansen zijn bij Bach allerminst populaire danswijsjes.

Bach toont zijn meesterschap in variatiekunst met een onuitputtelijke overvloed aan onverwachte melodische, harmonische en ritmische invallen en – vaak ten dele slechts gesuggereerde – . De oplettende luisteraar laat zich niet alleen meevoeren door de stuwende s van de verschillende dansen, maar probeert ook de harmonische raadsels te herkennen en op te lossen.

Zoals John Eliot Gardiner zo treffend beschrijft in zijn boek over Bach: ‘Het opzettelijk beperkte medium ritselt van interpretatieve aspecten die impliciet aanwezig zijn, maar niet in noten zijn te vangen. Door de uitgebeende vorm is de muziek bezaaid met kleine tijdbommen vol harmonisch potentieel die de luisteraar ertoe uitdagen om te speculeren over hoe ze zouden kunnen uitpakken.’

Selectie van Quirine Viersen

Quirine Viersen selecteerde voor vanavond drie s. Voor de pauze klinken er twee die heel verschillend zijn van karakter: de Tweede suite in d klein is somber en introvert, terwijl de Derde suite in C groot juist heel stralend en majestueus klinkt. Na de pauze speelt Viersen de monumentale Zesde suite in D groot, volgens haar ‘de meest complexe suite, die niet voor niets vaak op het programma staat van concoursen’. De Zesde suite is in ieder geval het meest uitzonderlijk, want Bach schreef het werk voor een speciale cello.

Welk instrument Bach precies in gedachten heeft gehad is niet honderd procent zeker, maar vermoedelijk gaat het om een violoncello : een instrument met een kleinere klankkast dan een gewone cello en met een vijfde snaar waardoor het in de hoogte een groter bereik heeft. Een cello met een bijzondere , meerdere keren door Bach gebruikt in s om de muziek een troostend en weldadig karakter te geven. ‘Als je de Zesde suite op een gewone cello speelt is het technisch extra moeilijk’, aldus Quirine Viersen. ‘Je moet extreem hoge noten spelen, terwijl je weet dat Bach ze eigenlijk niet zo heeft geschreven. Je mag dus niet laten horen dat die hoge noten lastig liggen en dat is een extra uitdaging.’

Biografie

Quirine Viersen, cello

Quirine Viersen kreeg haar eerste lessen van haar vader Yke Viersen, cellist in het Concertgebouworkest van 1971 tot 2014. Ze studeerde bij Jean Decroos en Dmitri Ferschtman aan het Conservatorium van Amsterdam en bij Heinrich Schiff aan het Mozarteum in Salzburg.

De celliste won prijzen op het Rostropovich Concours (Parijs 1990), het Internationale concours (Helsinki 1991) en het Tsjaikovski Concours (Moskou 1994), en in 1994 kreeg ze de Nederlandse Muziekprijs. Quirine Viersen soleerde bij de Wiener Philharmoniker, het Concertgebouworkest, het Nederlands Philharmonisch Orkest en het Filharmonisch Orkest van Sint-Petersburg.

Na een bijna twintigjarige samenwerking met ­pianiste Silke Avenhaus ging ze nieuwe duoverbanden aan met Enrico Pace ( oktober 2019) en Thomas Beijer (Kleine Zaal oktober 2021), en in november vorig jaar was ze in de Kleine Zaal te gast in een et met onder anderen pianist Severin von ­Eckardstein en altvioliste Isabelle van Keulen.

Quirine Viersen bespeelt de ‘Joseph Guarnerius Filius Andreae’ uit 1715, ter beschikking gesteld door het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds. Heinrich Schiff deed haar een van zijn strijkstokken cadeau.