Quatuor Arod met Bartók en Ravel
Dit concert maakt deel uit van de serie Strijkkwartetten.
Quatuor Arod:
Jordan Victoria viool
Alexandre Vu viool
Tanguy Parisot altviool
Jérémy Garbarg cello
Béla Bartók (1881-1945)
Strijkkwartet nr. 3 in Cis gr.t., Sz. 85 (1927)
Prima parte: Moderato
Seconda parte: Allegro
Ricapitulazione della prima parte: Moderato
Coda: Allegro molto
Maurice Ravel (1875-1937)
Strijkkwartet in F gr.t. (1902-03)
Allegro moderato – Très doux
Assez vif – Très rythmé
Très lent
Vif et agité
er is geen pauze
het concert duurt ongeveer een uur
Toelichting
Béla Bartók (1881-1945)
Bartók: Derde strijkkwartet
Door Anneloes Brand
Béla Bartók voltooide gedurende zijn leven zes strijkkwartetten, waarin je zijn muzikale ontwikkeling kunt volgen. Het Derde strijkkwartet in Cis groot is radicaler dan zijn vroege kwartetten. Het werk maakt niet alleen indruk door de muzikale kleuren aan de oppervlakte, maar ook door de knappe constructie. Dat bleef in 1927 al niet onopgemerkt: Bartóks kwartet won met de Serenata, 46 van Alfredo Casella een gedeelde eerste prijs in een compositiewedstrijd georganiseerd door de Musical Fund Society of Philadelphia.
In het Derde strijkkwartet gaan de vier gedeelten naadloos in elkaar over: het eerste gedeelte is langzaam, droevig en soms scherp. Het tweede onderdeel is snel en levendig en groeit in intensiteit. Het derde stuk is – anders dan de titel doet vermoeden – geen herhaling van het eerste, maar een variatie erop. Het laatste gedeelte is een kort dat herinnert aan het tweede deel en vol drive opbouwt naar het krachtige slot. Zoals ook in andere composities gebruikte Bartók volksmuziekachtige motieven, manieren en s uit Hongaarse en andere Europese volksmuziek als bouwstenen om zijn eigen taal vorm te geven. Bovendien bevat het werk nieuwe technieken die vanaf die tijd vaker voor strijkers werden voorgeschreven: sul ponticello (dicht bij de kam spelen), jeté (met de strijkstok op de snaren stuiteren), (met de houten bovenkant van de strijkstok spelen), (van de ene toon naar de andere glijden) en het zogenaamde ‘Bartók-’, waarbij de snaar hoorbaar op de toets terugklapt.
Maurice Ravel 1875-1937
Strijkkwartet in F
Door Anneloes Brand
Maurice Ravel voltooide zijn enige strijkkwartet in 1903 – achtentwintig jaar oud en ‘eeuwige student’ aan het Parijse conservatorium. Hij droeg het op aan zijn leraar, Gabriel Fauré, en zond het eerste deel ervan in voor de jaarlijkse compositiewedstrijd van het conservatorium.
De jury was niet onder de indruk en aangezien dit Ravels derde mislukte poging was, werd hij van school gestuurd. De jonge componist liet zijn Strijkkwartet in F groot toch tijdens een Société Nationale-concert in maart 1904 in première brengen door het Heymann Kwartet.
Hoewel het werk positief werd ontvangen door het publiek, klaagden de critici dat het niet paste in de traditie van Ludwig van Beethoven en andere Duitse componisten. Ook Fauré was niet zo enthousiast: hij noemde de finale ‘gekunsteld, niet goed in balans, in feite een mislukking’. Claude Debussy daarentegen schijnt te hebben gezegd: ‘In naam van de Muziekgoden en in mijn belang, verander geen noot aan wat je hebt geschreven.’
Alhoewel Debussy en Ravel vriendschappelijk met elkaar omgingen, waren ze ook elkaars rivalen. Beide ‘impressionisten’ componeerden slechts één strijkkwartet (Debussy’s kwartet is van tien jaar eerder) en het is dan ook niet verwonderlijk dat ze vaak met elkaar vergeleken worden.
Allebei bevatten ze nieuwe ën (gebaseerd op modaliteit), strijktechnieken en en. Beide strijkkwartetten hebben een als tweede deel waarin ’s de boventoon voeren, een langzaam impressionistisch derde deel, en een cyclische opbouw waarbij ’s worden hergebruikt om een eenheid te creëren.
Maar een belangrijk verschil is dat Debussy neigt naar impressionistische, bijna achtige vrijheid en Ravel meer naar neoklassiek vakmanschap. Het Strijkkwartet in F groot wordt met zijn e openingsdeel, swingende tweede deel, dromerige derde deel en gloedvolle finale gezien als een van Ravels meesterwerken.
Biografie
Quatuor Arod, strijkkwartet
Het in Parijs gevestigde Quatuor Arod bestaat sinds 2013 en brak drie jaar later internationaal door met het winnen van het ARD Concours in München. Het sleepte ook eerste prijzen in de wacht tijdens het Carl Nielsen Kamermuziekconcours (2015) en de European Chamber Music Competition (2014) en werd in 2017 uitgeroepen tot BBC New Generation Artist. In de maakte het zijn debuut in maart 2018 en keerde het een jaar later al terug in het kader van de Rising Stars-serie.
Het Quatuor Arod was te gast in de belangrijkste Europese concertzalen waaronder het Wiener Konzerthaus en de Philharmonie Berlin, en ook in Carnegie Hall in New York en Oji Hall in Tokio. Daarnaast speelde het op festivals als die van Verbier, Montreux, Aix-en-Provence, Rheingau, Bremen en Praag.
In groter bezette kamermuziek werkten de musici samen met bijvoorbeeld altviolist Amihai Grosz en klarinettist Martin Fröst, en afgelopen januari klonk tijdens de Strijkkwartet Biënnale Amsterdam Schuberts Strijkkwintet in C groot met Klaus Mäkelä als extra cellist. In 2025 verscheen de nieuwste cd: Haydn Op. 76.
De laatste keer dat het Quatuor Arod optrad in de was in april 2022 met pianist Alexandre Tharaud als gast in het Tweede pianokwintet van Dvořák. De ensemblenaam is ontleend aan de naam van Legolas’ paard in The Lord of the Rings; in Tolkiens mythische Rohirric-taal betekent ‘arod’ zoveel als ‘snel’.

