Prokofjevs Romeo en Julia, Frank Braley speelt Gershwin
Nederlands Philharmonisch Orkest
Alexander Joel dirigent
Frank Braley piano
Marcos Fernández (1984)
Homage to Bernstein (2018)
Nederlandse première
George Gershwin (1898-1937)
Pianoconcert in F gr.t. (1925)
Allegro
Adagio, Andante con moto
Allegro agitato
pauze (± 21.00 uur)
Sergej Prokofjev (1891-1953)
Montagues en Capulets
Scène (de straat ontwaakt)
De jonge Julia
Menuet (de aankomst van de gasten)
Maskers
Balkonscène (Romeo en Julia)
Volksdans
Dans
De dood van Tybalt
Romeo en Julia voor het afscheid
Dans van de leliemeisjes
Romeo bij Julia’s graf
uit de suites ‘Romeo en Julia’, op. 64 (1936)
einde (± 22.10 uur)
Toelichting
Marcos Fernández (1984)
Fernández: Homage to Bernstein
Door Michiel Cleij
Dat jazz en Spaanse muziek zich prima laten vermengen demonstreerde jazztrompettist Miles Davis al in 1960 met zijn album Sketches of Spain. ‘Flamencojazz’ heeft zich in de afgelopen jaren ontwikkeld tot een apart genre en duikt ook op in de partituren van jonge Spaanse componisten. Daartoe behoort Marcos Fernández, een Catalaan die nadrukkelijk openstaat voor invloeden van buiten zijn eigen regio. Grote bewondering heeft hij voor de uitbundige veelstijligheid van Leonard Bernstein; ter ere van diens honderdste geboortejaar componeerde hij deze Homage to Bernstein.
Het was niet gemakkelijk, schrijft Fernández, om aan te knopen bij één specifiek kenmerk van Bernsteins werk: ‘Hij was zó eclectisch dat je zijn stijl onrecht aandoet door er één element uit te lichten. Elke compositie heeft een eigen referentiekader en toont een ander aspect van zijn muzikale persoonlijkheid.’
Bernsteins dochter Jamie kenschetste haar vaders muziek als een ‘celebration of rhythm’ – en dáár schuilt volgens Fernández de grootste gemene deler: aanstekelijke s vormen de essentie van Bernsteins muziek, zijn talent als melodicus niet tegengesproken.
Homage to Bernstein is dan ook een sterk ritmisch georiënteerd, dansbaar stuk. Als uitgangspunt nam Fernández de hemiool, een tegendraads ritmisch patroon dat je in Bernsteins West Side Story veelvuldig aantreft (zoals in I like to be in A-me-ri-ca). Dit patroon heeft Spaanse en Latijns-Amerikaanse wortels; Bernstein gebruikt het om de Puerto Ricaanse gemeenschap een duidelijke muzikale kleur te geven. ‘Ook op dat punt was Bernstein volkomen origineel,’ stelt Fernández. ‘Zijn ing van diverse stijlen staat voor de culturele smeltkroes die een stad als New York is. Of Barcelona.’
George Gershwin (1898-1937)
Gershwin: Pianoconcert
Het vermengen van ‘hogere’ en ‘lagere’ genres werd Bernsteins handelsmerk, maar George Gershwin was hem hierin voorgegaan – en vanuit een ander perspectief. Gershwin begon zijn loopbaan als songplugger bij een muziekuitgeverij, ontpopte zich als een geniaal jesschrijver en maakte zich pas daarna klassieke compositietechnieken eigen.
Na het immense succes van Rhapsody in Blue – zijn eerste grootschalige compositie – kreeg hij van Walter Damrosch de opdracht voor een pianoconcert. Op dat moment moest Gershwin nog in handboeken naslaan ‘what a concerto was all about’, zoals hij achteraf verklaarde.
Maar dat hij swing en showgevoel met klassieke structuren kon verbinden had hij al aangetoond en succes was gegarandeerd, mede omdat hij zelf de pianopartij zou vertolken. Van Gershwins pianospel waren zelfs intimiderende klavierleeuwen als Sergej Prokofjev en Serge Rachmaninoff onder de indruk – wat Prokofjev overigens niet belette om het Pianoconcert zelf als ‘knullig’ af te doen.
Tsja, het is de vraag hoe streng je voor dit stuk mag en moet zijn. Gershwin wilde een smeuïg speelstuk schrijven met een klassieke driedelige opbouw en in die ambitie slaagde hij glansrijk. Het eerste deel heeft een degelijke , deel twee is een en de finale een ; maar veel meer dan de structuur doet het effect van de muziek ertoe. Gershwin speelde trefzeker in op de heersende charleston-rage (in deel één) en gaf het Adagio een onweerstaanbare bluesy sfeer. Het slotdeel heeft dezelfde Latijns-Amerikaanse stuwing waarop Bernstein ook zo verzot was. What more do you need?
Prokofjev: delen uit Romeo en Julia
Bernsteins meesterwerk West Side Story (1957) was een slimme update van Shakespeare’s Romeo en Julia (1597). Daarmee plaatste hij zich in een lange traditie; het muzikale potentieel van dat drama was al verkend door diverse componisten, zoals Hector Berlioz en Pjotr Iljitsj Tsjaikovski – en Sergej Prokofjev, wiens balletmuziek qua eigenzinnigheid niet voor Bernsteins musical onderdoet. Op toneel ziet het eruit als een typisch klassiek-Russisch kostuumballet, maar de muziek heeft een onromantische hoekigheid en ie die stevig in de twintigste eeuw staat.
Prokofjev componeerde het ballet in een cruciale fase van zijn leven: na bijna twintig jaar een zwervend muzikantenbestaan in Amerika en Europa te hebben geleid was hij teruggekeerd in zijn geboorteland – inmiddels een Sovjet-dictatuur. Dat hij zich vanaf nu aan partijdoctrines moest onderwerpen liet hem koud; met zijn typische mengeling van naïviteit en arrogantie meende hij dat geen regime zo stom zou zijn om zijn muzikale kwaliteiten ter discussie te stellen.
Prokofjev presenteert de verhaalingrediënten op een bijna kubistische manier, met scherpe contouren en felle klankkleuren
Romeo en Julia was een van de eerste werken die hij in Sovjet-Rusland schreef. Kenmerken van zijn latere ‘sovjetstijl’ tekenen zich al af: krachtige ën, massieve strijkerspartijen, maar vooral in de snellere episodes klinkt nog altijd de grilligheid en scherpte waarmee hij in de jaren twintig zoveel opzien baarde. Het heeft nog altijd een hitstatus in het balletrepertoire, maar aanvankelijk leek het tot mislukken gedoemd.
Het Kirov Theater in Leningrad verstrekte Prokofjev de opdracht, maar trok zich vervolgens terug. Daarop nam het Moskouse Bolsjoi Theater het project over om het contract op de valreep te verbreken: Prokofjevs muziek zou ‘ondansbaar’ zijn – een inschattingsfout die vaker wordt gemaakt bij baanbrekende balletten. Pas in 1940, vier jaar na verschijnen, kwam het van een première – alsnog bij het Kirov, en met historisch succes.
De hier gespeelde delen volgen de hoogtepunten uit het overbekende verhaal: de vete tussen twee Italiaanse families jaagt hun twee verliefde jonge kinderen de dood in. Prokofjev presenteert de verhaalingrediënten op een bijna kubistische manier, met scherpe contouren en felle en; soft focus gaat hij nadrukkelijk uit de weg.
De rivaliserende families worden geïntroduceerd door een onheilspellend van wringende noten; de daaropvolgende ‘ridderdans’ (zoals Prokofjev die noemde) is hoekig en agressief. Daarmee contrasteert het portret van de veertienjarige Julia: springerig, met kristalheldere hoge timbres, in de ‘maagdelijke’ C groot.
De muziek bij het protserige bal van Julia’s ouders is een dansje met typische Prokofjev-overdrijvingen – een karikatuur van een , als het ware – en de opmaat voor de beroemde balkonscène, waar Romeo en Julia elkaar de liefde verklaren. Tybalts dood is het keerpunt in het verhaal. Hier wreekt Romeo de laffe moord op zijn vrolijke makker Mercutio: een razend, bijna tekenfilmachtig deeltje dat achtereenvolgens Mercutio’s grappenmakerij, Romeo’s spectaculaire achtervolging van de moordenaar Tybalt en diens dood weergeeft.
Na Romeo’s verbanning wordt Julia uitgehuwelijkt aan een onaangename edelman; ‘leliemeisjes’, vers uit de Cariben geïmporteerd door haar rijke familie, voeren een onvrolijk dansje uit. Dan volgt Julia’s geënsceneerde schijndood, de ontdekking van haar ‘lijk’ door Romeo en de dubbele zelfmoord die daarop volgt.
Absurd genoeg kreeg Prokofjev van de choreograaf het verzoek dit tragische slot te vervangen door een happy end. De reden: doden dansen niet. Prokofjev weigerde, en terecht. De hartverscheurende muziek die hij bij de slotscène schreef was zijn beste argument.
Biografie
Nederlands Philharmonisch, orkest
Het Nederlands Philharmonisch speelt het grote symfonische repertoire in Het Concertgebouw, maar ook in vele andere concertzalen. Als het vaste orkest van De Nationale , samen met het Nederlands Kamerorkest, wordt het internationaal gerekend tot de beste operaorkesten. Het Nederlands Philharmonisch is in 1985 ontstaan uit het Utrechts Symfonie Orkest, het Nederlands Kamerorkest en het Amsterdams Philharmonisch Orkest.
Dat laatste was in 1953 opgericht door Anton Kersjes, die een nieuw publiek naar de concertzalen wist te trekken doordat hij wekelijks op tv te zien was en de ‘gouden meesterwerken’ uitvoerde. Vanaf 1985 was Hartmut Haenchen chef-dirigent. Hij werd in 2003 opgevolgd door Yakov Kreizberg, en na diens vroegtijdige overlijden in 2011 werd het chef-dirigentschap overgenomen door Marc Albrecht.
Zijn komst kwam een jaar voor de verhuizing van het orkest van de Beurs van Berlage naar de NedPhO-Koepel in Amsterdam-Oost, waar de musici repeteren voor hun optredens. In 2020 nam Marc Albrecht na tien jaar afscheid van het orkest en per seizoen 2021/2022 werd Lorenzo Viotti chef-dirigent van zowel het Nederlands Philharmonisch als De Nationale .
Het vorige concert van het Nederlands Philharmonisch in de Eigen Programmering van Het Concertgebouw was op 20 juni jongstleden: onder leiding van André de Ridder bracht het orkest de Nederlandse première van Dream Requiem van Rufus Wainwright.
Alexander Joel, dirigent
Alexander Joel groeide op in Oostenrijk, Groot-Brittannië en Zwitserland. Hij studeerde aanvankelijk Frans en Rechten, maar koos vervolgens voor een carrière in de muziek met opleidingen piano en directie in Wenen. Zijn eerste belangrijke positie was die van Kapellmeister bij de Deutsche Oper am Rhein in Düsseldorf.
Aan dit instituut was hij verbonden van 2001 tot 2007. Van 2007 tot 2014 was Alexander Joel Generalmusikdirektor van het Staatstheater en het Staatsorchester Braunschweig. Een van de specialisaties van Alexander Joel betreft het Duitse repertoire van componisten als Richard Strauss en Wagner.
Voor producties met hun werk, maar evenzeer dat van andere componisten, werd de geëngageerd door tal van grote theaters. Zo was hij te gast in bijvoorbeeld het Royal Opera House Covent Garden in Londen, de Semperoper in Dresden en de Bayerische Staatsoper in München.
In het seizoen 2016/17 dirigeerde hij bij De Nationale Opera een productie van Puccini’s Manon Lescaut met het Nederlands Philharmonisch Orkest in de orkestbak. In Het Concertgebouw maakt Alexander Joel met dit programma zijn debuut.
Frank Braley, piano
Frank Braley begon met pianospelen toen hij vier was. Zes jaar later trad hij voor het eerst op als solist, met het Orchestre Philharmonique de Radio France in de Salle Pleyel in Parijs. Op tweeëntwintigjarige leeftijd won de pianist in 1991 het Koningin Elisabeth Concours in Brussel.
Sinds die tijd is hij een graag geziene solist bij tal van grote orkesten, waaronder het London Philharmonic Orchestra, het Los Angeles Philharmonic Orchestra, het Leipziger Gewandhausorchester en het Orchestre de Paris. Ook voor het geven van s en kamermuziekoptredens reist de Fransman over de wereld.
Hij werkt graag samen met de broers Renaud en Gautier Capuçon, violist en cellist. Met hen nam hij onder meer s en ’s van Ravel op en was hij in november 2016 voor het laatst te gast in de van Het Concertgebouw. Naast zijn activiteiten op het podium en in de studio geeft Frank Braley les aan het conservatorium in Parijs, waar hij zelf ook zijn opleiding heeft genoten, en is hij sinds 2014 chef- van het Orchestre Royal de Chambre de Wallonie.

