Prokofjev, Enescu en Liviu Prunaru bij het Concertgebouworkest

Koninklijk Concertgebouworkest
Daniele Gatti dirigent
Liviu Prunaru viool

pauze ca. 20.45 uur
einde ca. 22.00 uur

Dit concert maakt deel uit van de serie B.

George Enescu 1881-1955

Caprice Roumain (1925-49, orkestratie door Cornel Țăranu 1997)
voor viool en orkest
Ben moderato
Tempo di hora
Lento
Allegro molto
eerste uitvoering door het Koninklijk Concertgebouworkest

pauze

Sergej Prokofjev 1891-1953

Vijfde symfonie in Bes gr.t., op. 100 (1944)
Andante
Allegro marcato
Adagio
Allegro giocoso

Toelichting

George Enescu 1881-1955

Caprice Roumain

George Enescu was niet alleen componist, maar ook violist, , pianist en pedagoog. Door al zijn andere muzikale bezigheden kwam het componeren enigszins in het gedrang. Hij heeft een klein, maar kwalitatief hoogstaand oeuvre nagelaten. Het componeren geschiedde vooral in de zomermaanden, die Enescu bij voorkeur in zijn geboorteland Roemenië doorbracht.

De daar ontstane schetsen werden dan gedurende zijn concert­reizen verder uitgewerkt, waarbij hij er eindeloos aan kon blijven schaven en vijlen.

Zo is het onvoltooide Caprice Roumain voor viool en orkest grotendeels in 1925 gecomponeerd, maar Enescu is er tot 1949 aan blijven werken. Het op de finale na in grote lijnen voltooide torso van het Caprice is door de Roemeense componist Coronel Țăranu met behulp van de eveneens Roemeense violist Sherban Lupu afgemaakt.

In tegenstelling tot de vroegere door de volksmuziek van zijn vaderland geïnspireerde werken, zoals de beide Rapsodieën 11 en het Poème Roumain opus 1, citeert Enescu in het Caprice geen bestaande ën.

'In een brief uit 1928 aan zijn vriend Aurel Brosteanu maakt Enescu melding van het Caprice: ‘Ik werk aan een Caprice voor viool en orkest. Het komt overeen met een dialoog tussen een  [zigeunermuzikant] en zijn tarfa [zigeunerorkest]. Ik schrijf het in het karakter van de volksmuziek.'

'Ik vermijd bewust het woord “stijl” omdat dat iets impliceert dat gemaakt, of kunstmatig is, terwijl “karakter” iets suggereert dat gegeven is, dat vanaf het begin bestaat. Het gebruik van folkloremateriaal is op zichzelf geen waarborg voor een authentieke weergave van de volksaard, al kan het er wel aan bijdragen.’

Voor Enescu, die vier jaar oud was toen hij zijn eerste vioollessen van een  kreeg, had de volksmuziek daadwerkelijk van het begin af bestaan.

In het Caprice Roumain schept hij zijn eigen, hoogstpersoonlijke volksmuziek. Hij varieert de zigeunertoonladder met zijn karakteristieke overmatige secunde naar eigen inzicht, wisselt het vloeiende van de (de ‘Roemeense blues’) af met het strakke ritme van de (een volksdans) en voorziet de vioolpartij van een schat aan ingewikkelde versieringen en ongekend gedetailleerde speelaanwijzingen. De paradox van dit alles is dat het de muziek het karakter van een verleent. Volgens Yehudi Menuhin, Enescu’s meest toegewijde leerling, klinkt een violist die alle aanwijzingen nauwkeurig opvolgt vanzelf als een lăutar.

Het Caprice Roumain heeft vier delen. Het eerste deel opent met de door Enescu beschreven dialoog tussen de lăutar en de tarfa. Een eenstemmige van het orkest wordt driemaal door de solist beantwoord en uitgewerkt. Na een korte generale rust volgt een dans met een ritmisch (telkens herhaald patroon). Een tweede, meer slepende dans, waarin de piano een imiteert, roept onwillekeurig het beeld op van een zigeunerorkest in een restaurant.

Het tweede deel opent met een , als het gejoel van de omstanders bij een rondedans. Het heeft opnieuw een ­ostinato-ritme en kan gekarakteriseerd worden als een Roemeense . Het derde deel is een geheimzinnige, weemoedige . Tegenover lang aangehouden akkoorden ‘improviseert’ de lăutar een doina. Opmerkelijk zijn de langzame ’s van de akkoorden in de strijkers. De finale is een stampende volksdans met hectische figuraties voor de viool. In de slotmaten klinkt de kop van de melodie waar het Caprice mee begon.

Sergej Prokofjev 1891-1953

Vijfde symfonie

Veel componisten blinken uit in één of twee genres, maar Sergej Prokofjev scoorde voltreffers met pianomuziek, ballet, concerten, symfonieën, kamermuziek, filmpartituren en ’s. Tevens is de ene Prokofjev de andere niet. Leg een van zijn vroege, bijtende pianostukken naast de kalme lyriek van zijn laatste symfonieën en je merkt: deze man heeft in zijn leven genoeg vaten verzameld om er steeds iets verrassends uit te kunnen tappen – en dat zonder zijn persoonlijke signatuur op te offeren.

Prokofjev leidde verschillende levens en mede daardoor bleef zijn inspiratie steeds maar stromen. Hij was een telg van de oude Russische school, verbijsterde de ‘traditionelen’ spoedig met furieuze, onromantische composities, maakte als concertpianist tournees door de Verenigde Staten en Europa, woonde in de jaren 1920 in Parijs en keerde in 1937 terug naar zijn vaderland. Vanaf dat moment voelde hij zich meer dan ooit een Rus, en gaf hij herhaaldelijk uitdrukking aan zijn verbondenheid met het sovjetvolk – ook zonder dat hij daartoe speciaal moest ­worden geprikkeld door de propaganda­machines van de staat.

‘Deze symfonie’, zei hij over de Vijfde, ‘is voor mij de bekroning van een lange periode. Het bezingt de vrije, gelukkige mens, zijn kracht, zijn ruimhartigheid en de zuiverheid van zijn geest.’ Dat credo getuigt van weinig realiteitszin: niet ver van huis slachtten frontsoldaten elkaar af. Maar Prokofjev, met zijn even opportunistische als naïeve karakter, sloot gemakkelijk zijn ogen voor de pijnlijke kanten van de sovjet-­realiteit; voor hem telden louter de artistieke kansen die hij kreeg.

In dat opzicht ligt de Vijfde symfonie op de grens. Hier klinkt de rijpere, verhalende Prokofjev, vooral in het eerste en derde deel; de behandeling van het materiaal is bijna Brahms-achtig, en staat haaks op de anti-­romantische agressie van zijn vroegere werk. Deze delen moeten een openbaring geweest zijn voor de Britse criticus Constant Lambert, die in 1934 waagde op te merken dat ­Prokofjev ‘in technisch opzicht weliswaar volgroeid’ was, maar gebukt ging onder een ‘permanente geestelijke puberteit... Men krijgt niet de indruk dat zijn onmiskenbare talent ooit tot een overtuigende bloei komt.’

Het tweede deel en de finale bieden volop ruimte aan de puntige humor van zijn stukken uit de jaren tien en twintig, zoals de Sarcasmes voor piano, het ballet De liefde voor de drie sinaasappelen en de Derde symfonie. Met die werken veroorzaakte hij schandalen; de Vijfde symfonie kreeg bij de première in Moskou een langdurige ovatie, aangewakkerd door een belangrijke overwinning van de geallieerden eerder die dag. Prokofjev dirigeerde het werk. Pianist Svjatoslav ­Richter, die zich onder de aanwezigen bevond, vertelde erover: ‘Plotseling, toen het stil werd en Prokofjev de dirigeerstok al geheven had, klonk buiten artillerievuur... Hij wachtte en begon pas toen de kanonnen zwegen. Wat een beladen, symbolisch moment was dat!’

Biografie

Liviu Prunaru, viool

Liviu Prunaru studeerde bij Alberto Lysy aan de beroemde Menuhin Music Academy in Gstaad en bij Dorothy DeLay in New York. Sinds het najaar van 2006 is hij concertmeester van het Concertgebouworkest. Tussen 2010 en 2012 was hij bovendien artistiek directeur van de Menuhin Music Academy.

In 1993 won hij de Prijs Eugène Ysaÿe, de publieksprijs én de tweede prijs van het Koningin Elisabeth Concours. Het winnen van de Juilliard Mendelssohn Concours in 1999 leidde tot zijn solodebuut in Lincoln Center in New York met de Juilliard Symphony. Liviu Prunaru trad sindsdien als solist op met het Royal Philharmonic Orchestra en het London Symphony Orchestra en gaf s over de hele wereld.

In mei 2008 soleerde hij voor het eerst met het Concertgebouworkest in een uitvoering van Saint-Saëns Derde vioolconcert. In december 2012 was hij de solist in Dvořáks Vioolconcert, en in juni 2014 in Piazzolla's Las cuatro estaciones Porteñas (Vier seizoenen van Buenos es). In september 2017 was soleerde hij met het Concertgebouworkest in Caprice Roumain van zijn landgenoot George Enescu. 

Liviu Prunaru bespeelt de 'Paschoud' van Stradivari uit 1694, eigendom van Instituut Gak. Deze stichting heeft de viool aan de Stichting Concertgebouworkest in bruikleen gegeven. In het najaar van 2021 heeft hij bovendien van de Foundation Concertgebouworkest een bijzondere Tourte strijkstok tot zijn beschikking gekregen.

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

Daniele Gatti, dirigent

Afgelopen augustus begon ­Daniele Gatti als chef- van de Sächsische Staatskapelle Dresden; in 2000 stond hij er voor het eerst op de bok.

Daniele Gatti is daarnaast chef-dirigent van het Teatro del Maggio Musicale Fiorentino, music director van het Orchestra Mozart en – sinds 2016 – artistiek adviseur van het Mahler Chamber Orchestra.

Als gastdirigent wordt hij uitgenodigd door de Berliner Philharmoniker, het ­Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en het Orchestra Filarmonica della Scala.

Van 2016 tot en met 2018 was hij chef- van het Concertgebouworkest. Eerder leidde hij het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome (1992–97), het Royal Philharmonic Orchestra in Londen (1996-2009), het Teatro Comunale in Bologna (1997–2007), het Orchestre National de France (2008-2016) en het Opernhaus Zürich (2009-12).

Bij het Royal Ope­ra House Covent Garden was hij van 1994 tot 1997 eerste gastdirigent. In La Scala in Milaan debuteerde hij op zijn 27ste, hij dirigeerde producties bij de Wiener Staatsoper en de Metropolitan Opera in New York, leidde tot 2022 het Teatro dell’Opera di Roma en was meermaals te gast op de Bayreuther Festspiele en de Salzburger Festspiele.

Daniele Gatti werd geëerd met de Grande Ufficiale al Merito della Repubblica Italiana en kreeg in 2015 de Premio Franco Abbiati. In Frankrijk kreeg hij in 2016 de eretitel Chevalier de la Légion d’Honneur.