Pražák Kwartet met Dvořák en Haydn

Pražák Kwartet:
Jana Vonášková viool
Vlastimil Holek viool
Josef Klusoň altviool
Michal Kanka cello

Joseph Haydn (1732-1809)

Strijkkwartet in F gr.t., op. 77 nr. 2, Hob. III: 82 (1799)
Allegro moderato
Menuet: Presto – Trio
Andante
Finale: Vivace assai

Antonín Dvořák (1841-1904)

Quartettsatz in F gr.t., B. 120 (1881)

pauze ± 20.55 uur 

Antonín Dvořák

Negende strijkkwartet in d kl.t., op. 34 (1877)
Allegro
Alla polka: Allegretto scherzando
Adagio
Poco allegro

einde ± 21.45 uur

Toelichting

Joseph Haydn 1732-1809

Strijkkwartet

Door Jason Hillebrand

Zoals de bijnaam ‘Papa’ Haydn suggereert, heeft Joseph Haydn zijn stempel op de muziek weten te drukken door het verder ontwikkelen al dan niet uitvinden van genres die niet meer weg te denken zijn uit de muziekgeschiedenis. 

Vóór Haydn bestonden er al werken – gecomponeerd voor twee violen, een en een of andere basstrijker – die men nu strijkkwartetten zou noemen; de combinatie van deze instrumenten berustte echter vaak op toeval. Zo ook Haydns eerste strijkkwartetten: op verzoek van zijn werkgever baron Fürnberg schreef hij gelegenheidsmuziek voor de instrumentalisten die voorhanden waren: Fürnbergs dominee, de stadhouder en een lokale amateurcellist konden samen met de jonge componist een strijkkwartet vormen. In zijn lange carrière zou Haydn uiteindelijk 68 strijkkwartetten schrijven.

Het Strijkkwartet in F groot is een van de laatste strijkkwartetten die Haydn schreef, in opdracht van prins Joseph von Lobkowitz. Het is het tweede en laatste strijkkwartet van deze opdracht ( 77); Haydn zou er zes schrijven voor de muzikale prins, maar vooral door zijn kwakkelende gezondheid in zijn laatste levensjaren is die reeks niet af gekomen. Het eerste deel begint als de archetypische Haydn: speelse, vrolijke passages en stuwende golven aan zestiende noten wisselen elkaar af. Na de jolige expositie wordt de muziek echter duisterder: op een gegeven moment kunt u in de baspartij een Jaws- avant la lettre ontdekken. Gelukkig, zoals gebruikelijk was, keert het vrolijke thema uit het begin weer terug. 

Het tweede deel is gebaseerd op de cadans van het , een Franse dans met drie tellen in de maat. In tegenstelling tot het eerste deel, waar de eerste viool de boventoon voerde, zijn alle instrumenten autonoom: ze bewegen zich haast als dansers.

Het derde deel is even een adempauze voor de luisteraar. De eerste viool speelt een langzaam, thema met alleen de bas ter ondersteuning; het lijkt haast een stuk. Tegen het eind van het thema komen tweede viool en om de hoek kijken. Hierna wordt het thema doorgegeven van instrument naar instrument terwijl de thema-loze instrumenten veelal virtuoze omspelingen ter tafel brengen. Uiteindelijk keert het thema voorgoed terug naar de eerste viool, maar ditmaal zijn de tweede viool en altviool van de partij om de op te vullen. De Finale is weer even speels en voortstuwend als het begindeel, maar zonder de duisternis.

Antonín Dvořák 1841-1904

Quartettsatz en Negende strijkkwartet

Door Jason Hillebrand

In 1879 speelde Joseph Hellmesberger sr., eerste violist van het toen beroemde Hellmesberger Kwartet, een paar strijkkwartetten van Antonín Dvořák door. Deze stukken deden de violist dusdanig veel plezier dat hij de Boheemse componist opdracht gaf tot het schrijven van een nieuw kwartet. In een brief van 1 oktober 1881 schreef Dvořák aan Hellmesberger: ‘Wees ervan verzekerd dat ik (...) met al mijn kennis en vaardigheden zal werken, om u iets degelijks aan te kunnen bieden.’ Tussen 7 en 9 oktober ­componeerde hij een eerste deel, later bekend geworden als Quartettsatz in F groot, en wijdde zich toen weer aan een groter project, zijn Dmitrij

Ergens was miscommunicatie over de deadline ontstaan: Dvořák moest in de krant lezen dat Hellmesberger zijn nieuwe kwartet half december uit zou voeren. Noodgedwongen liet hij zijn opera even liggen en begon aan een compleet nieuw kwartet, het Strijkkwartet in C groot, zijn elfde. Waarom Dvořák zijn Quartettsatz toendertijd heeft gepasseerd is niet helemaal duidelijk, maar er zijn musicologen die denken dat Dvořák zijn belofte om ‘met al [zijn] kennis en vaardigheden’ te componeren niet helemaal waar heeft kunnen maken en daarom met een schone lei wilde beginnen.

Hoe dan ook werd de naar de spreekwoordelijke bureaula verbannen, nooit afgemaakt en pas in 1945 voor het eerst uitgevoerd. Of het losse kwartetdeel van een minder niveau is dan de voltooide kwartetten is een punt van discussie, maar het herbergt in ieder geval een gelijksoortig karakter. e ën en s net na de tel vormen een boeiend samenspel zoals dat ook in het eerste deel van het Strijkkwartet in d klein gebeurt.

Dit Strijkkwartet in d klein voltooide Dvořák een paar jaar eerder, in 1877. Hij droeg het werk op aan Johannes Brahms. Dit eerbetoon is welverdiend: uit correspondentie tussen Brahms en zijn uitgever Fritz Simrock blijkt de Duitse toonmeester een overtuigd pleitbezorger van Dvořáks muziek. Het strijkkwartet is misschien door deze connectie vaak als ‘brahmsiaans’ bestempeld. Het begin van het eerste deel lijkt echter verdacht veel op Franz SchubertStrijkkwartet in a klein, zowel qua melodie als door de golvende middenstemmen en herhalende tonen in de bas.

Door de achtige cadans en de eerder genoemde lyrische melodieën en syncopische ritmes is het een geheel eigen en alsnog ‘dvořákiaans’ stuk muziek. In het tweede deel, grotendeels een schertsende polka, laat Dvořák de Slavische invloeden horen die het jaar erop in zijn bekende Slavische dansen een nog grotere rol zouden gaan spelen. Het derde deel is langzamer, meer gedragen en doorspekt met de voor Dvořák typerende ‘Harmonikaklänge’: hele dichte, soms zelfs achtstemmige klanken. In het vierde deel is de invloed van Brahms toch nog duidelijk: Dvořák citeert hier, misschien bij wijze van bedankje, diens Strijkkwartet in Bes groot.  

Biografie

Pražák Kwartet, kwartet

Het Pražák Quartet werd in 1972 opgericht door vier studenten van het Praagse conservatorium en neemt dit seizoen na een lange en succesvolle carrière met een laatste tournee afscheid van het concertpodium. Tweede violist Vlastímil Holek maakt al bijna vier decennia deel uit van het Pražák Quartet en altist Josef Klusoň is een van de oprichters. Jana Vonášková volgde in 2015 Pavel Hula op als primarius. Cellist Michal Kanka kwam er in 1986 bij.

In de beginjaren verwierf het kwartet bekendheid met zijn optreden tijdens het festival Praagse Lente en het winnen van het Evian Internationaal Strijkkwartet Concours. Vervolgens traden de musici op in de concertzalen van Europese steden als Londen, Parijs, Berlijn, Brussel, München, Milaan en Madrid, en op tal van bekende muziekfestivals. Ook tourde het kwartet op regelmatige basis door de Verenigde Staten en Canada.

Samenwerkingen waren er met onder anderen pianisten Menahem Pressler en Nathalia Milstein, violist Josef Suk en klarinettiste Sharon Kam. Met altiste Dana Zemtsov speelde het kwartet het Strijkkwintet van Bruckner tijdens zijn vorige optreden in Het Concertgebouw, op 8 maart jongstleden. Gedurende zijn lange geschiedenis bracht het Pražák Quartet meer dan zestig platen en cd’s uit, met onder meer de complete strijkkwartetten van Beethoven en de grote werken van componisten als Borodin, Brahms, Martinů, Dvořák, Schönberg, Schulhoff, Smetana en Zemlinsky.