Pintscher, Debussy, Escher en Takemitsu bij het Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest
Matthias Pintscher dirigent
Leila Josefowicz viool
Nederlands Kamerkoor (dames) instudering Michael Gläser
pauze ca. 21.00 uur
einde ca. 22.10 uur
Dit concert maakt deel uit van de serie A.
Inleiding & Meet the Artists
Voorafgaand aan het concert geeft musicoloog Maarten Beirens om 19.15 uur een inleiding in de Koorzaal. Uw gratis kaartje hiervoor kunt u reserveren via de Concertgebouwlijn (0900-6718345; 1 euro per gesprek) of afhalen aan de kassa van Het Concertgebouw.
Direct na het concert is er Meet the Artists in de Spiegelzaal. Artistiek directeur Joel Ethan Fried spreekt met Matthias Pintscher, Leila Josefowicz en een orkestmusicus.
Bij het concert op 1 februari, in de serie Horizon, is een gratis programmaboekje beschikbaar.
Rudolf Escher 1912-1980
Passacaglia voor orkest, op. 10 (1945-46)
in memoriam Willem Pijper
Matthias Pintscher 1971
Mar’eh (2011)
voor viool en orkest
in memoriam Luigi Nono
Nederlandse première
pauze
Toru Takemitsu 1930-1996
Twill by Twilight (1988)
in memoriam Morton Feldman
eerste uitvoering door het Koninklijk Concertgebouworkest
Claude Debussy 1862-1918
Trois nocturnes (1897-99)
Nuages
Fêtes
Sirènes
Toelichting
1945-46
Escher: Passacaglia
tekst: Joke Dame
‘Aan de nagedachtenis van Willem Pijper, Nederlands componistenmaker der twintigste eeuw’, schreef Rudolf Escher op de van zijn Passacaglia voor orkest.
Escher was zelf een ‘fijnbesnaarde Pijper-leerling’ (aldus criticus Roland de Beer), ‘een gretig denker over muziek’, die een fascinatie ontwikkelde voor de avant-garde maar zich schrap zette tegen modernismen als twaalftoonsmuziek en .
We weten inmiddels toch wel dat ‘roofbouw op de akkers van onze artistieke materialen gepleegd, en ten onrechte nog vaak, met moderniteit verward, zeer spoedig leidt tot een volledige verlamming van iedere expressieve potentie der kunst’, schamperde de componist over de naoorlogse twaalftoonsdwang in een handgetypte toelichting op zijn 10.
‘Denken in tonen’ leidde bij hem tot ‘spelen met tonen’ – met melodische motieven, ritmische patronen en ën. En voor Escher waren daarbij de oren – ook die van het publiek – leidend.
Waarom Escher zijn opus 10 Passacaglia noemde, is niet zo direct aan de compositie af te horen. Er is weliswaar sprake van een herhaald en onveranderlijk basthema, eerst solo in de basklarinet, maar anders dan in gelijknamige composities uit de late Renaissance en de bepaalt het constante basthema bij Escher niet het verloop.
Het passacaglia- is hier een uitgerekte, lage die geen dwingende harmonische consequenties heeft. Het gaat rustig zijn eigen gang onder de gedurig aan invloed winnende tegenstemmen en tegenritmes.
Op wat schommelingen in de na, is 'dit werk één lang trapsgewijs toenemend ’, zo vatte Escher zijn compositie samen. ‘De climax heeft hier esthetisch de betekenis van een stijging naar de apotheose.’ En dat kunnen de oren zonder meer waarnemen.
2011
Pintscher: Mar'eh
‘Aangezicht’ of ‘verschijning’ luidt de vertaling van het Hebreeuwse woord ‘mar’eh’, de titel van Matthias Pintschers tweede vioolconcert. Maar, zegt de componist, ‘mar’eh’ kan ook staan voor de aura van een gezicht, een schitterend visioen, iets moois dat zich onverhoeds aan je voordoet.’
Dit idee van het onverwachte verschijnen vertaalt Pintscher in Mar’eh naar klank en hij laat het een rol spelen in de hele compositie waarin steeds weer nieuwe kleine eenheden (‘small particles’) plotseling opduiken als vanuit het niets.
Pintscher schreef zijn concert in 2011 voor violiste Julia Fischer, geïnspireerd door de ragfijne klankdraden die zij met haar instrument weet te spinnen in een ‘intensieve maar ook heel lichte manier van strijken’.
De vioolpartij laat zich dan ook omschrijven als een delicate, zangerige melodische boog van ruim twintig minuten, hoog op de snaren tot ver in het register. Die solopartij klinkt tegen een transparant en veelkleurig klankweefsel in het orkest en lijkt aan het begin uit de lucht te komen vallen, om in de diffuse en amper waarneembare - en fluitklanken een minimale omlijning aan te brengen.
Dit begin vanuit de stilte, vanuit de adem, is precies de ragfijne draad die staat voor het plotselinge waarnemen en onmerkbare verdwijnen.
Ook Mar’eh kreeg een opdracht mee: ter herinnering aan Luigi Nono (gestorven in 1990), de Italiaanse naoorlogse avant-gardecomponist die met de woorden ‘presenze – memorie – colori – respiri’ in de aanwezig wordt gesteld.
Verschijningen, herinneringen, kleuren en ademtochten, het zijn geschikte woorden om in je achterhoofd te houden bij Pintschers innemende vioolconcert.
1988
Takemitsu: Twill by Twilight
Een spel, met woorden in dit geval, hangt ook rond de titel Twill by Twilight van Toru Takemitsu’s orkestcompositie uit 1988. Een woordspel dat in de Nederlandse vertaling – keper in de schemering – onmiddellijk doodslaat. Het woord keper zal niet iedereen meteen verder helpen.
Het komt uit de weverij en verwijst naar een techniek waarbij op ingenieuze wijze met verticale (schering) en horizontale (inslag) draden een diagonale ribbel ontstaat die de stof een specifieke souplesse geeft. De componist verklaarde: ‘Het keperweefsel komt tot stand via een uiterst beperkte muzikale eenheid – beter gezegd: met een muzikaal principe dat voorafgaat aan of .’
‘In memory of Morton Feldman’, staat op het titelblad van Twill by Twilight.
En aan de tastbare kwaliteit van de keperbinding in zijn compositie voegt hij een visueel beeld toe: ‘Subtiele veranderingen in het pastelkleurige klankweefsel werken toe naar het moment waarop, net na zonsondergang, het schemerdonker omslaat naar duisternis.’
‘In memory of Morton Feldman’, staat op het titelblad van Twill by Twilight.
Takemitsu was al een eind met zijn compositie toen zijn Amerikaanse collega en goede vriend stierf, maar als je wilt vind je hier en daar een feldmanesk trekje.
Bijvoorbeeld in het niet-wilskrachtige van de muziek en in het vermijden van sterke contrasten. Maar ook in de stof-bepaaldheid van de muziek – de tactiele eigenschap van keper, in dit geval.
‘Feldman was ongelooflijk bijziend en schreef zijn muziek alsof hij met zijn ogen de noten aanraakte,’ herinnerde de Japanse componist zich. ‘Altijd als ik zijn muziek beluister denk ik aan deze tactiele eigenschap van zijn klanken-horende ogen.’
(1897-99)
trois nocturnes
Claude Debussy’s inspiratiebron voor zijn in 1899 voltooide Trois s was een serie schilderijen van de door Japanse prentkunst beïnvloede Amerikaans-Britse impressionist James McNeill Whistler, aanvankelijk getiteld Moonlights.
Een Britse kunstverzamelaar constateerde een sfeerovereenkomst tussen die Moonlights-schilderijen en de Nocturnes van Chopin, waarna Whistler de nachtmuziek in zijn schilderijen opnam door ze om te dopen, en hij er nog een hele reeks impressies aan toevoegde. Zijn Nocturnes-serie, studies in licht en schaduw, bevatte uiteindelijk zo’n veertig doeken.
Een studie in een enkele kleur, zo’n beetje als een experiment met grijstinten, zo omschreef Debussy zijn Nocturnes, waarmee hij juist weer het visuele en het beeldende zijn muziek introk.
De opbouw
De drie delen zijn nogal verschillend van karakter, maar alle drie roepen ze een voorstelling op. En wat de componist eigenlijk nooit deed, doet hij hier wel: hij spreekt zich uit over zijn triptiek, geeft er een toelichting op.
Nuages toont de onveranderlijke hemel waartegen de wolken langzaam en melancholiek voorbijtrekken tot ze oplossen in een grijs dat geleidelijk aan neigt naar wit.
In Fêtes bepalen uitbundige dansritmen de stemming; er komt een processie voorbij die al gauw in het feest opgaat.
In Sirènes weerklinkt de zee met haar ontelbare s tot je bij de maanbeschenen zilveren golven het lachen ontwaart van de sirenen en hun geheimzinnige gezang. Hoe toepasselijk dat het vrouwenkoor in Sirènes geen tekst heeft en woordloos zingt. Niet ongewoon voor sirenen. Maar nu toch ook alsof de zangeressen de woorden zijn ontvallen.
Trois s gaat terug op een eerdere, niet voltooide versie die Debussy aankondigde als Trois scènes au crépuscule (1892), naar tien gedichten uit de Poèmes anciens et romanesques van de symbolist Henri de Régnier, met wie Debussy goed bevriend was.
Het woord ‘crépuscule’ (schemering, aansluitend bij Takemitsu’s ‘twilight’) is in dit verband veelbetekenend. In het eerste gedicht van Régniers cyclus staat schemering voor de ontgoocheling tijdens een ‘soir de fête’ – een tekstregel die vooruitwijst naar Debussy’s latere Nocturnes. Met woorden als bloed, schending, zwaarden en gescheurd doek roept Régnier een ontmaagdingsfantasie op over een groep jonge meisjes in ‘robes défleuris’.
Dit gedicht suggereert met ‘le cri du buccin clair’ (klaroenstoot) ook de klank van het latere Fêtes, en van Sirènes met het ‘choeur qui s’étiole’ – het koor dat geleidelijk wegsterft. Het zijn deze symbolistisch geconstrueerde ambiguïteiten waarvan Debussy’s latere Trois nocturnes whistleriaans zijn gespeend.
Biografie
Matthias Pintscher, dirigent
Matthias Pintscher studeerde compositie bij onder anderen Manfred Trojahn en Peter Eötvös, die hem ook het envak bijbracht. Evenals zijn Hongaarse leermeester, die in maart 2024 overleed, verdeelt Matthias Pintscher zijn tijd al jaren gelijkelijk tussen dirigeren en componeren.
Zijn composities zijn vele malen uitgevoerd door bijvoorbeeld de Berliner Philharmoniker, het London Philharmonic Orchestra, het BBC Symphony Orchestra, The Cleveland Orchestra en de New York Philharmonic.
Sinds 2014 is hij compositiedocent aan de Juilliard School of Music in New York. Als vertoont de Duitser een grote affiniteit met hedendaagse muziek, maar ook met bijvoorbeeld Beethoven, Berlioz, Bruckner, Ravel, Debussy en de . Matthias Pintscher is muzikaal leider van de Kansas City Symphony sinds het seizoen 2024/2025; op 26 augustus jl. waren ze samen te gast in de .
Daarnaast is hij vaste dirigent van het Lucerne Festival Academy Orchestra. Van 2013 tot 2024 was hij chef-dirigent van Ensemble intercontemporain. Als gastdirigent leidde Matthias Pintscher vele orkesten in Europa, de Verenigde Staten en Australië; zo stond hij recent voor de Berliner Philharmoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, de Los Angeles Philharmonic, het London Symphony Orchestra en het Toronto Symphony Orchestra. In februari 2018 debuteerde hij bij het Concertgebouworkest.
In januari 2021 leidde hij een concertstream met Ravels Ma mère l’Oye en zijn eigen songs from Solomon’s garden en in april 2023 kwam hij terug met werken van Nina Šenk, Béla Bartók en delen uit zijn shirim-cyclus.
Leila Josefowicz, viool
De Canadees-Amerikaanse Leila Josefowicz begon op haar derde met vioolspelen; op haar achtste trad ze al op met het Eerste vioolconcert van Bruch. Op gala-avonden stond ze als kindster op het podium naast Ronald Reagan, Andrew Lloyd Webber en andere beroemdheden.
Vanaf haar dertiende studeerde Leila Josefowicz aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia, bij Joseph Brodsky en Jaime Laredo.
Haar eerste cd, met de vioolconcerten van Tsjaikovski en Sibelius, betekende haar internationale doorbraak.
Ze ontpopte zich als een gepassioneerd pleitbezorger van hedendaagse muziek. Ze werkt nauw samen met vooraanstaande componisten als John Adams, Esa-Pekka Salonen, Colin Matthews en Steven Mackey en heeft een groot aantal wereldpremières op haar naam staan.
Met de toekenning van het prestigieuze MacArthur Fellowship in 2008 sloot ze zich aan bij andere prominente wetenschappers, schrijvers en kunstenaars die belangrijke bijdragen hebben geleverd aan de hedendaagse cultuur. In 2018 won ze de gezaghebbende Avery Fisher Prize.
Bij het Concertgebouworkest debuteerde Leila Josefowicz in 2004 met het Vioolconcert van Oliver Knussen. Ze werd teruggevraagd voor Concentric Paths van Thomas Adès in 2011, John Adams’ voor haar en het orkest gecomponeerde Scheherazade.2 in 2015, opnieuw Knussens Vioolconcert in 2017 en Mar’eh van Matthias Pintscher in februari 2018.
Nederlands Kamerkoor, koor
Het Nederlands Kamerkoor voert repertoire uit van de vroege Middeleeuwen tot de muziek van morgen. Het werkt samen met acteurs, dansers, dj’s en vj’s, componisten, dichters en wetenschappers. Het koor won in 2017 De Ovatie van de VSCD voor het programma Via Crucis onder leiding van Reinbert de Leeuw, en in 2019 won het de Rotterdamse dagen Award.
Vanuit zijn thuisbasis in Utrecht zet het Nederlands Kamerkoor zich in voor een bloeiende koorwereld met onder meer het traineeship NKK NXT voor jonge professionals en de Zingdagen voor amateurkoren. Oprichter Felix de Nobel was chef- van 1937 tot 1972; hij gaf opdrachten aan componisten als Francis Poulenc en Frank Martin.
Opvolgers waren Hans van de Hombergh (1972-1976), Kerry Woodward (1977-1980), Uwe Gronostay (1988-1997), Tõnu Kaljuste (1998-2000), Stephen Layton (2002-2005) en Risto Joost (2011-2015). Sinds 2015 is Peter Dijkstra chef-dirigent. De laatste decennia werden compositieopdrachten verleend aan onder anderen David Lang, Michel van der Aa, Sofia Goebaidoelina, James MacMillan en Caroline Shaw. De vorige samenwerking met het Concertgebouworkest betrof Bachs Matthäus-Passion onder Riccardo Minasi in april 2025.
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest



