Pianotrio Leonskaja, Ferschtman en Koranyi speelt Schubert
Elisabeth Leonskaja piano
Liza Ferschtman viool
Jakob Koranyi cello
Franz Schubert 1797-1828)
Pianotrio in Bes gr.t., D 898, op. 99 (1827)
Allegro moderato
Andante un poco mosso
Scherzo: Allegro – Trio
Rondo: Allegro vivace
pauze ± 21.00 uur
Pianotrio in Es gr.t., D 929, op. 100 (1827-28)
Allegro
Andante con moto
Scherzando: Allegro moderato
Allegro moderato
einde ± 22.10 uur
Toelichting
Franz Schubert 1797-1828
Schubert: Pianotrio in Bes groot
Door Jos van der Zanden
De miraculeuze klankentaal waarvan Franz Schubert zich bediende in het in Bes groot van kort voor zijn dood, is nog altijd voer voor psychologen. Wat kan de aan diepe melancholie ten prooi geraakte meester voor ogen hebben gestaan met dit werk? Was er een financieel oogmerk? Het vooruitzicht op een uitvoering? We weten het niet. De vier delen beslaan zo’n drie kwartier – zelden vertoond en niet bepaald publieksvriendelijk.
Kort na voltooiing was Schubert al niet meer onder de levenden. Het werk werd in 1836 door Anton Diabelli op de markt gebracht als ‘Premier Grand ’, een wat onzinnige titel.
De ontvangst was gunstig. ‘Je werpt hier een blik op’, schreef Robert Schumann, ‘en alle ellende van het leven verdwijnt als sneeuw voor de zon, de wereld glanst weer als nooit tevoren.’ Hij vond de muziek passief, vrouwelijk en – interpretaties die in die tijd algemeen waren voor Schubert, met als tegenpool de actieve, mannelijke en robuuste Ludwig van Beethoven. Het heeft in onze tijd tot de hypothese geleid dat Schubert homoseksueel was – flauwekul die inmiddels naar de prullenmand is verwezen omdat de feiten er haaks op staan.
Het contrast met Beethoven is inderdaad sprekend. Word je bij hem meegetrokken in een proces, Schubert geeft je steeds het gevoel dat om je heen kijken volstaat. De muziek is minder dwingend. s zijn schielijk, als plotselinge veranderingen van decor. Frasen zijn monumentaal, harmonische avonturen rijk maar bewegingsloos. Ook op het gebied van het instrumenteren is Schubert een meester: overal is het stemmenweefsel onheilspellend, duister. In het openingsdeel laat hij het hoofdthema volgen door een lichtere variatie van hetzelfde, met -mysterieuze ’s in de – hij speelt simpelweg met de mogelijkheden. Het deel ontwikkelt zich als een onstuimig lenfestival, uitbundig, maar ook met gepassioneerde climaxen en dreigende stiltes. De wereld mag dan glanzen, er is ook een macabere ondertoon.
Het is gebouwd op één zangerige die in diverse gedaanten terugkeert, zowel in het diepste celloregister als in de hoogste pianoligging. Dramatiek wordt gemeden en zelfs het gebruik is mild. In het vrolijke komt Beethoven voorbij, al durft Schubert wat dichter bij de authentieke Weense dans te blijven, met name in het guitige Trio. Inmiddels heeft nog geen spoor van geklonken en in de lange -finale van 654 maten wacht je er eveneens vergeefs op. Schubert voelde zich niet zo zeker op dit terrein en hij overwoog een cursus te volgen bij een volleerd meester. Bij de dansante, huppelende s, en zeker bij het guitige als uitroepteken, ben je de duistere ondertoon van het openingsdeel helemaal vergeten.
Franz Schubert 1797-1828
Schubert: Pianotrio in Es groot
Door Jos van der Zanden
Het in Es groot behoort tot Schuberts late werken. Schubert schijnt zich bij het componeren te hebben laten inspireren door een uit Zweden afkomstige zanger, die ten huize van enkele vrienden patriottische eren voordroeg. Die ën maakten indruk, waardoor in het tweede deel ( con moto) het liedje Se solen sjunker (‘Zie, de zon gaat onder’) een plaats werd gegund.
Alweer is daar die hemelse lengte (die Schumann ook in Schuberts Achtste symfonie ontwaarde). Aan het machtige fortissimo hoofdthema hoor je meteen dat een stevig bouwwerk zal worden opgetrokken, eentje van 634 maten. De finale is zelfs 846 maten rijk. Schuberts uitgever Probst in Leipzig vond dat wat al te bar en sprak de componist erop aan.
Resultaat was een met honderd maten verkorte versie in de Originalausgabe – de componist was gedwee genoeg om de kritiek ter harte te nemen. Op een concert op 26 december 1827 klonk niettemin de oorspronkelijke versie. Het was een uitvoering door leden van het Schuppanzigh Kwartet, met Schuberts collega Karl Maria von Bocklet aan de piano. Dit was een van de schaarse keren dat tijdens Schuberts leven zo’n omvangrijk kamermuziekwerk tot uitvoering kwam. Men was destijds vooral gecharmeerd van het grappige Scherzando, waarin stemmen elkaar op koddige wijze achterna zitten, net als in een .
Musicologen trachten Schuberts meesterschap te verklaren aan de hand van door de componist bedachte structuren. Schubert zou bewust spanning veroorzaken aan het begin van het werk, om die frictie pas laat in de finale tot een ontknoping te brengen. In dit werk zou hij de ’s die hij poneert in de twee openingsdelen, en die allebei nogal ambigu en onaf klinken, in de van de finale met elkaar combineren, waardoor de luisteraar daar een gevoel van totale ontlading ondergaat.
Zulke mfantelijke transformaties van thema’s zouden het geheim vormen van eenheid en coherentie in het werk, het zou de spanningsboog zijn die drie kwartier muziek bijeenhoudt. Tja, lastig om te bewijzen, zoiets. Misschien had Schubert er zelf wel hartelijk om gelachen. Maar hoe het ook zij, dit in Es groot was een tour de force, een sleutelwerk in Schuberts oeuvre. Robert Schumann hield er in zijn Neue Zeitschrift für Musik een vlammend pleidooi voor, wat eraan bijdroeg dat het nu al bijna twee eeuwen lang tot de van de westerse muziek behoort.
Tegen het eind van zijn leven componeerde Franz Schubert twee ’s van ongebruikelijke lengte. De aanleiding is onbekend, maar na zijn dood groeiden ze beide uit tot publieksfavorieten.
Biografie
Elisabeth Leonskaja, piano
Elisabeth Leonskaja werd geboren in Tbilisi (Georgië), in een Russische familie. Ze maakte op haar elfde haar solodebuut met orkest, gaf op haar dertiende haar eerste en won in 1964 het George Enescu Internationaal Pianoconcours in Boekarest. Ze won ook prijzen op het Concours Long-Thibaud in Parijs en het Koningin Elisabeth Concours in Brussel.
Van groot belang voor haar muzikale ontwikkeling was haar vriendschap met Sviatoslav Richter: deze legendarische pianist was haar mentor en het tweetal trad regelmatig samen op. In 1978 vestigde Elisabeth Leonskaja zich in Wenen en een jaar later maakte ze een sensationeel debuut tijdens de Salzburger Festspiele.
De ‘grande dame van de Russische pianotraditie’ groeide uit tot een gevierd solist bij gezelschappen als het London Philharmonic Orchestra, de Berliner Philharmoniker, het Gewandhausorchester Leipzig en de orkesten van Los Angeles, Cleveland en New York. Kamermuziek speelde ze met het Belcea, het Borodin en het Alban Berg Quartet.
Haar meest recente cd’s zijn Saudade (2017; Tsjaikovski, Sjostakovitsj en Rachmaninoff), een complete Schubertcyclus (2016/2019) en sonates en variaties van Schumann (2020).
Het vorige optreden van Elisabeth Leonskaja in de was in februari 2022 in ’s van Schubert met Liza Ferschtman en Jacob Koranyi.
Liza Ferschtman, viool
Liza Ferschtman, dochter van Dmitri Ferschtman en Mila Baslawskaja, had vanaf haar vijfde les van Philipp Hirshhorn, studeerde in Amsterdam bij Herman Krebbers, in Philadelphia bij Ida Kavafian en in Londen bij David Takeno.
In 1997 won ze het Nationaal Vioolconcours ‘Oskar Back’ en in 2006 ontving ze de Nederlandse Muziekprijs. Haar Concertgebouwdebuut was in Het Zondagochtend Concert van 6 oktober 1996 met het Radio Kamerorkest, en in zomer 1998 volgde haar -debuut.
De violiste werkte met vrijwel alle Nederlandse orkesten, en bijvoorbeeld ook met de BBC Philharmonic, de orkesten van Dallas, San Francisco, Boston, Montréal en Hongkong en het Budapest Festival Orchestra. Afgelopen november stond ze nog met de Brussels Philharmonic in de met het Vioolconcert van Sibelius.
Gezelschappen als Amsterdam Sinfonietta en de Kammerakademie Potsdam leidde Liza Ferschtman als solist. Kamermuziek speelt ze met Enrico Pace, Elisabeth Leonskaja, Jonathan Biss, Christian Poltéra en vele anderen, en van 2007 tot 2022 was ze artistiek leider van het Delft Chamber Music Festival. Solos zijn een belangrijk onderdeel van haar agenda en met solo-opnames van Bach, Ysaÿe, Biber, Bartók en Berio ook van haar discografie. Liza Ferschtman bespeelt de Guarnerius del Gesù ‘Benno Rabinof’ uit 1742.
Jakob Koranyi, cello
Tijdens en na zijn studiejaren won Jakob Koranyi onder andere de Solistenprijs van de Koninklijke Muziekacademie in zijn geboorteland Zweden en de tweede prijs van het Rostropovitsj Concours 2009 in Parijs.
In concertseizoen 2011/12 werd hij geselecteerd voor het Rising Stars-programma van de European Concert Hall Organisation, in het kader waarvan hij ook zijn debuut maakte in de van Het Concertgebouw.
Inmiddels soleerde Jakob Koranyi bij de orkesten van Malmö, Stockholm, Stavanger, Uppsala, Helsingborg, Norrköping en Göteborg, het Zweeds Radio Orkest, het Orchestre de Paris, de Staatskapelle Weimar, de Hong Kong Philharmonic, het New Zealand Symphony Orchestra en Northern Gateshead.
Naast het traditionele repertoire speelt hij graag nieuwe muziek: hij bracht composities van Andrea Tarrodi en Albert Schnelzer in première en tijdens de Cello Biënnale Amsterdam in 2018 stond een nieuwe van Julia Wolfe op de lessenaar.
Op het kamermuziekpodium verscheen Jakob Koranyi met bijvoorbeeld Vilde Frang, Yuri Bashmet, Kim Kashkashian, Leonidas Kavakos, Misha Maisky, Daniel Hope, Martin Fröst, Lawrence Power, Julian Rachlin en Denis Kozukhin. Concertzalen en festivals in onder meer Verbier, Dijon, Stavanger, Delft, Cleveland en New York engageerden de cellist.
Jakob Koranyi studeerde bij onder anderen Torleif Thedéen, Ralph Kirshbaum en Frans Helmerson en bespeelt een instrument uit 1756 van de Italiaanse bouwer Joseph Gratiani.




