Pavel Haas Kwartet: Dvořák en Ravel
Pavel Haas Kwartet:
Veronika Jarůšková viool
Marek Zwiebel viool
Radim Sedmidubský altviool
Peter Jarůšek cello
pauze ca. 20.55 uur
einde ca. 21.55 uur
Dit concert maakt deel uit van de serie Strijkkwartetten op woensdag.
Igor Stravinsky 1882-1971
Concertino (1920)
voor strijkkwartet
Maurice Ravel 1875-1937
Strijkkwartet in F gr.t. (1902-03)
Allegro moderato – Très doux
Assez vif – Très rythmé
Très lent
Vif et agité
pauze
Antonín Dvořák 1841-1904
Veertiende strijkkwartet in As gr.t.,
op. 105 (1895)
Adagio ma non troppo – Allegro appassionato
Molto vivace
Lento e molto cantabile
Allegro non tanto
Toelichting
Igor Stravinsky 1882-1971
Concertino
tekst: Aad van der Ven
Voor kamermuziek in traditionele zin liep Igor Stravinsky niet warm. Hij had een voorkeur voor ongebruikelijke instrumentale combinaties, waarbij blaasinstrumenten in alle maten en soorten domineerden. Een enkele uitzondering daargelaten liep hij dan ook met een grote boog om het strijkkwartet heen. Dit in tegenstelling tot tijdgenoten als Béla Bartók, Arnold Schönberg en Dmitri Sjostakovitsj.
Veelzeggend is dat hij het van 1920 daterende Concertino voor strijkkwartet in 1952 arrangeerde voor tien blaasinstrumenten plus viool en . Ooit was hij aan het stuk begonnen op aandringen van het Zwitserse Flonzaley Strijkkwartet, dat te kennen had gegeven zijn repertoire te willen verrijken met een eigentijds werk.
Stravinsky noteerde later: ‘Ik componeerde (…) een stuk in één deel, geschreven in de vorm van een vrij - met een uitgesproken concertant aandeel voor de eerste viool.’
Als voorbeeld van een vroegtijdig, objectief bevindt het Concertino zich binnen Stravinsky’s oeuvre in goed gezelschap. Want rond 1920 werkte de componist ook aan de eveneens ‘afstandelijke’ Symphonies d’instruments à vent en aan het ballet op melodieën Pulcinella, stukken waarmee hij eveneens de definitief leek te hebben afgezworen. Dominerend in het ongeveer zes minuten durende Concertino is een ferme motoriek met veel tegendraadse n en snerpende dubbelgrepen.
Daarbij werkt de voor de eerste viool halverwege als een rustpunt alvorens de stugge ritmes weer de overhand krijgen. Een enkel olijk tje doet sterk aan L’Histore du soldat (1918) denken. In de rustige slotmaten met een achtige melodische lijn, geheel in zijn stijl, lijkt Stravinsky de opgeroepen energie te willen bezweren.
Maurice Ravel 1875-1937
Strijkkkwartet
De Franse musicoloog Henri Prunières vergeleek zijn tijdgenoot Maurice Ravel met een tuinarchitect die de natuur zijn wil oplegt. De subtiele kleurenrijkdom en de elegantie van diens muziek hebben er toe geleid dat Ravel al vroeg als ‘impressionist’ werd beschouwd.
Dit was nu eenmaal de meest voor de hand liggende manier om Franse componisten te omschrijven die zich hadden los-gemaakt van de geestverwanten van César Franck. Later groeide het besef dat Ravel een geheel eigen plaats inneemt. Daarbij denkt men aan zijn heldere klank, zijn scherp omlijnde ën (vaak op klassieke voorbeelden gebaseerd), en het betoverende effect van talrijke decoratieve details.
Daarbij is geen sprake van een stilistische breuk met het verleden. Zijn op 28-jarige leeftijd voltooide Strijkkwartet in F groot droeg hij niet voor niets op aan Gabriel Fauré. Dat deze oude meester ondanks aanwezige referenties aan zijn eigen muziek met dit geen raad wist is een ander verhaal.
Ravels kwartet, zijn enige, toont een geraffineerde versmelting van traditionele en minder voor de hand liggende elementen. Zo vallen in het eerste deel de hoofdlijnen van de klassieke hoofdvorm (expositie-doorwerking-reprise) te herkennen terwijl de componist daarbinnen een subtiele variatietechniek toepast.
In het grillige tweede deel gaat de rijkdom aan klankeffecten nog verder dan die in het tien jaar oudere Strijkkwartet van Claude Debussy. Ravel etaleert hier zijn coloristische spitsvondigheid door middel van een combinatie van dubbelgrepen, ’s, ’s, ten et cetera.
De levendige -beweging wordt halverwege onderbroken door een e langzame episode (te vergelijken met het in het traditionele van de Weense Klassieken). Het langzame derde deel glijdt voorbij als een verheven meditatie.
Als schimmen duiken fragmenten uit de andere delen op, zoals dat trouwens ook op andere plaatsen in dit werk gebeurt. Het laatste deel heeft zijn energieke effect mede te danken aan het levendige spel met ritmische en en metrische verschuivingen.
Antonín Dvořák 1841-1904
Veertiende strijkkwartet
Hij werd vorstelijk onthaald, stapte in een riante functie en ontving enkele prestigieuze eredoctoraten. Toch voelde Antonín Dvořák, directeur van het New York National Conservatory of Music, zich niet thuis in de Verenigde Staten. Hij miste in toenemende mate het groen van zijn vaderland Bohemen en bovenal zijn bescheiden zomerhuisje aldaar.
Maar zijn muzikale inspiratie leed er niet onder. Gedurende de drie jaar waarin hij in Amerika verbleef ontstond een niet gering aantal partituren. Daaronder bevinden zich stukken die als hoogtepunten in zijn oeuvre gelden zoals het concert en de Negende symfonie (‘Uit de Nieuwe Wereld’).
Kort voordat hij definitief terugkeerde naar zijn vaderland, in 1895, was hij aan een strijkkwartet begonnen dat samen met een ander kwartet, 106, de bekroning zou vormen van zijn omvangrijke en belangrijke bijdrage aan dit hoogstaande genre.
Het manuscript dat hij meenam naar Praag reikte nog niet veel verder dan de expositie van het eerste deel. Maar om niet opgehelderde redenen legde hij de pagina’s opzij om meteen aan een ander kwartet, het latere 106, te beginnen. Desondanks liet de voltooiing van het in Amerika geconcipieerde stuk niet lang op zich wachten.
In het eerste deel komt uit een aanvankelijk donkere inleiding het gepassioneerde hoofdthema voort, dat op zijn beurt weer ander materiaal genereert. Samenhang is in de latere werken van Dvořák een sterk punt. Het herhaaldelijk optredende vraag- en antwoordspel van de diverse instrumenten draagt bij aan de levendigheid van het discours.
Het daaropvolgende is gebaseerd op de furiant, een Boheemse dans waarin twee- en driedelige n in elkaar overgaan. De centrale -episode vormt hier een beminnelijk contrast. In het langzame derde deel raakt de dromerige lyriek op de achtergrond wanneer donkere schaduwen over de muziek vallen en door een toenemende onrust ontstaat.
Maar plotseling klaart de lucht op en brengt het eerste vrede en . Met een door springerige ritmen gedomineerd, energiek wordt het afgerond. In de gooit Dvořák er nog een schepje bovenop.
Biografie
Pavel Haas Quartet, kwartet
Het Pavel Haas Quartet is in 2002 opgericht door violiste Veronika Jarůšková en altist Pavel Nikl. Deze laatste bleef tot 2016 in de gelederen en werkte bijvoorbeeld in 2022 nog mee aan een opname van een Brahms-et. Het kwartet studeerde bij Milan Škampa (Smetana Quartet) en vernoemde zich naar componist Pavel Haas, die in 1944 werd omgebracht in Auschwitz en drie strijkkwartetten naliet.
Sinds het winnen van de Prague Spring Festival Competition en het Paolo Borciani Concours 2005 maakte het Pavel Haas Quartet snel naam.
Bij zijn twintigste verjaardag stond het op de cover van The Strad en schaarde BBC Music Magazine het onder de tien beste strijkkwartetten aller tijden. Het Pavel Haas Quartet bespeelt de belangrijke kamermuziekpodia wereldwijd en is sinds september 2022 voor drie seizoenen in residence bij het Dvořák Festival in thuisstad Praag.
In seizoen 2023/2024 stond het vier keer in Wigmore Hall in Londen en in voorjaar 2024 tourde het in de Verenigde Staten en Azië. De discografie omvat muziek van de Tsjechen Janáček, Haas, Dvořák en Smetana maar ook van Schubert, Sjostakovitsj en Brahms, en werd bekroond met onder meer vijf Gramophone Awards, een Diapason d’Or de l’Année (2010, Prokofjev) en een Gramophone Recording of the Year (2011, Dvořák).
Het Pavel Haas Quartet werd in het begin van zijn carrière gesteund door het BBC New Generation Artists Scheme (2007-2009) en de Borletti-Buitoni Trust (2010) en debuteerde in oktober 2007 in de als ECHO Rising Star. In 2015/2016 lichtte het ensemble zijn Boheemse wortels uit in een Spotlightserie in Het Concertgebouw, en de laatste optredens waren op 2 en 4 februari 2023 met kwartetten van Martinů, Bartók en Dvořák.
