Pavel Haas Kwartet & Boris Giltburg: Brahms’ Pianokwintet
Pavel Haas Kwartet:
Veronika Jarůšková viool
Marek Zwiebel viool
Peter Zwiebel altviool
Peter Jarůšek cello
Boris Giltburg piano
pauze ca. 21.05 uur
einde ca. 22.05 uur
Dit concert maakt deel uit van de serie Kamermuziek.
Franz Schubert 1797-1828
Strijkkwartet in a kl.t., D 804 (1824) ‘Rosamunde’
Allegro ma non troppo
Andante
Menuetto: Allegretto
Allegro moderato
Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975
Zevende strijkkwartet in fis kl.t., op. 108 (1960)
Allegretto
Lento
Allegro
pauze
Johannes Brahms 1833-1897
Pianokwintet in f kl.t., op. 34 (1861-64)
Allegro non troppo
Andante, un poco adagio
Scherzo: Allegro
Finale: Poco sostenuto – Allegro non troppo – Presto non troppo
Toelichting
Franz Schubert (1797-1828)
Schubert: 'Rosamunde'
Door Christiane Schima
Franz Schuberts drinkpartijen met vrienden, zijn ziekte, notoire geldnood en het koortsachtige componeren in zijn laatste levensjaren: een brief van Moritz von Schwind geeft van dat alles een beknopte indruk. Aanleiding was Schuberts verjaardag op 31 januari 1824. ‘Wij hadden een feest in de Kron [een Hongaars café dat Schubert en zijn vrienden vaak bezochten]… Wij waren allemaal bezopen... Schubert sliep. Schubert houdt nu een veertiendaags vasten en blijft thuis... maakt kwartetten (a klein en d klein) en ontelbare Duitse dansen en variaties...’ (Von Schwind aan Franz von Schober, 2 februari 1824).
Het moet Schubert, zijn leven lang een miskend genie, voldoening hebben gegeven dat zijn Strijkkwartet in a klein ‘Rosamunde’ op 14 maart 1824 op één programma stond met een werk van zijn held Ludwig van Beethoven. Evenzeer dat het uitgevoerd werd door het befaamde Weense Schuppanzigh Kwartet en dat het ook nog eens goed ontvangen werd.
Als zo vaak bij Schubert beweegt de muziek zich tussen wenen en lachen. Het melancholieke hoofdmotief van het openingsdeel wordt in het verloop van de compositie harmonisch steeds anders belicht. De bijnaam ‘Rosamunde’ dankt het kwartet aan het e : daarin heeft de componist zijn lievelingsmotief uit zijn gelijknamige – het verschijnen van Rosamunde in het idyllische dal van de herders – verwerkt. Ook in het to maakt hij gebruik van een vroeger , namelijk uit het Die Götter Griechenlands naar Friedrich Schiller.
Het laatste deel klinkt goedgemutst en bezit Hongaarse allure, toch vallen tijdelijk ook schaduwen over het zonnige landschap. Von Schwind aan Von Schober na de première: ‘Het [werk] is over het algemeen zeer teder, van dien aard dat de ën blijven hangen, net zoals bij zijn liederen...’
Sjostakovitsj: Zevende strijkkwartet
tekst: Henriëtte Sanders
De repressieve cultuurpolitiek van het Sovjetregime drukte met name in de jaren vóór en ná de Tweede Wereldoorlog loodzwaar op de kunstenaars van het land. Zij moesten, als hun werken van hogerhand werden bekritiseerd, niet alleen voor hun broodwinning vrezen, maar zelfs voor hun leven. De dood van Stalin in 1953 bracht enige verlichting in het werkklimaat en ten tijde van het ontstaan van het Zevende strijkkwartet (1959-60) kon Dmitri Sjostakovitsj zich in zijn composities meer permitteren.
Zijn strijkkwartetten – hij schreef er in totaal vijftien – zijn van uitzonderlijke kwaliteit en getuigen van de mogelijkheden van textuur en rijkdom aan timbres in dit genre. Zij vormen een verfijnde afspiegeling van Sjostakovitsj’ wereld, zijn affecties en zijn persoonlijke situatie. De meeste van zijn strijkkwartetten zijn opgedragen aan vrienden.
Het Zevende droeg hij op aan zijn eerste echtgenote Nina Varzar, die zes jaar eerder gestorven was en in 1959 vijftig jaar zou zijn geworden. De Fis groot waarin, ondanks de hoofdtoonsoort fis klein, het eerste en het laatste deel van het kwartet eindigen, komt in Sjostakovitsj’ oeuvre meerdere malen voor in verband met liefde. Het werk biedt een rijk geschakeerd palet aan en, onder andere door effectvolle ’s en ’s.
In het eerste deel, dat met een voor de componist kenmerkend van geveinsde simpelheid begint, worden en eerste viool in dialogen tegen elkaar uitgespeeld. In het tweede deel heeft een doorlopende begeleidingsfiguur in de tweede viool een opvallende rol tegen e lijnen van eerste viool en cello. Het tweede fragment van dit Lento valt op door een bijzonder unisono in cello en altviool, waarvan de herinneringen wekt aan de door Sjostakovitsj zeer bewonderde Modest Moesorgski. Het laatste deel is opgebouwd uit varianten van de motieven uit het eerste deel, die een snelle vormen, en eindigt met een zangerig allegretto.
Johannes Brahms (1833-1897)
Pianokwintet
Door Sabien van Dale
Het is bekend dat Johannes Brahms buitensporig kritisch was op zichzelf. Tal van kamermuziekcomposities vonden sneller hun weg naar de prullenmand dan naar de uitgever. Hij aarzelde evenmin om onvoltooide manuscripten jaren later te bewerken of soms volledig te veranderen. Een van de opmerkelijkste voorbeelden van werken met een moeizame ontstaansgeschiedenis is het Pianokwintet in f klein, 34. Het notenmateriaal had Brahms eerst in de vorm van een strijkkwintet gegoten, naar het voorbeeld van Franz Schuberts Strijkkwintet in C groot met twee ’s. Misnoegd over het resultaat vormde hij een jaar later het et om tot een voor twee piano’s. De première van deze versie speelde Brahms samen met Carl Tausig, leerling van Franz Liszt. De reacties waren teleurstellend. Opnieuw werd het stuk teruggetrokken. Aangemoedigd door Clara Schumann bewerkte Brahms in de zomer van 1864 de muziek voor de derde keer, ditmaal als het Pianokwintet in f klein, opus 34.
Het hoofdthema van het non troppo wordt met een robuust unisono voorgesteld (eerst door viool, en piano, daarna door alle strijkers). De verdere uitwerking surft op golven van emoties, waarbij de onrustige oppervlakte vergeefse pogingen laat vermoeden om vervaarlijke, onderliggende stromingen in bedwang te houden. Dat de talrijke gedaanteverwisselingen van het werk hun sporen hebben nagelaten is het duidelijkst in het . Met schubertiaanse tederheid gloeit een conversatie waarin de strijkers het woord naar zich toetrekken en de aanwezigheid van de piano hoogstens wordt getolereerd. De stuwende zestiende noten van het daarentegen lijken wel helemaal vanuit de piano gedacht. De drang naar rijke en en volume overschrijdt meer dan eens de grenzen van de kamermuziek in een overmoedige galop, waarin de triomf van de finish al vanaf de eerste noot beslecht lijkt. De Finale is het somberste deel. Na een introductie, die de visionaire moderniteit van Ludwig van Beethovens late strijkkwartetten benadert, krijgen mistroostige ën geleidelijk glans dankzij de vitaliteit van Hongaarse zigeunerritmes. De tegenstellingen groeien organisch naar elkaar toe totdat de zelfbewuste sloten alle twijfel van de beginmaten hebben weggegomd.
Biografie
Pavel Haas Quartet, kwartet
Het Pavel Haas Quartet is in 2002 opgericht door violiste Veronika Jarůšková en altist Pavel Nikl. Deze laatste bleef tot 2016 in de gelederen en werkte bijvoorbeeld in 2022 nog mee aan een opname van een Brahms-et. Het kwartet studeerde bij Milan Škampa (Smetana Quartet) en vernoemde zich naar componist Pavel Haas, die in 1944 werd omgebracht in Auschwitz en drie strijkkwartetten naliet.
Sinds het winnen van de Prague Spring Festival Competition en het Paolo Borciani Concours 2005 maakte het Pavel Haas Quartet snel naam.
Bij zijn twintigste verjaardag stond het op de cover van The Strad en schaarde BBC Music Magazine het onder de tien beste strijkkwartetten aller tijden. Het Pavel Haas Quartet bespeelt de belangrijke kamermuziekpodia wereldwijd en is sinds september 2022 voor drie seizoenen in residence bij het Dvořák Festival in thuisstad Praag.
In seizoen 2023/2024 stond het vier keer in Wigmore Hall in Londen en in voorjaar 2024 tourde het in de Verenigde Staten en Azië. De discografie omvat muziek van de Tsjechen Janáček, Haas, Dvořák en Smetana maar ook van Schubert, Sjostakovitsj en Brahms, en werd bekroond met onder meer vijf Gramophone Awards, een Diapason d’Or de l’Année (2010, Prokofjev) en een Gramophone Recording of the Year (2011, Dvořák).
Het Pavel Haas Quartet werd in het begin van zijn carrière gesteund door het BBC New Generation Artists Scheme (2007-2009) en de Borletti-Buitoni Trust (2010) en debuteerde in oktober 2007 in de als ECHO Rising Star. In 2015/2016 lichtte het ensemble zijn Boheemse wortels uit in een Spotlightserie in Het Concertgebouw, en de laatste optredens waren op 2 en 4 februari 2023 met kwartetten van Martinů, Bartók en Dvořák.

