Patricia Petibon: La Belle Excentrique

Vocaal 2 20.15 uur

Patricia Petibon sopraan
Susan Manoff piano

 

François Couperin 1668-1733

La galante
uit ‘Second livre de pièces de clavecin’ (1716-17)
voor piano solo (oorspr. voor klavecimbel)

Reynaldo Hahn 1875-1947

À Chloris (1916)

Pholoé
uit ‘Etudes latines’ (1899-1900)

Jean Lenoir 1891-1976

Parlez-moi d’amour (1930)

Erik Satie 1866-1925

Désespoir agréable (1908)
voor piano solo

Gabriel Fauré 1845-1924

Spleen
uit ‘Quatre mélodies’, op. 51 (1888)

Manuel Rosenthal 1904-2003

Pêcheur de lune (1933)
voor piano solo

Gabriel Fauré

Les berceaux
uit ‘Trois mélodies’, op. 23 (1879-81)

Erik Satie

Les courses
uit ‘Sports et divertissements’ (1917)
voor piano solo

Manuel Rosenthal

Fido, Fido
uit ‘Chansons du monsieur Bleu’ (1934)

Erik Satie

Sur un vaisseau
uit ‘Descriptions automatiques’ (1913)

La statue de bronze
uit ‘Trois mélodies’ (1916)

François Couperin

Les barricades mistérieuses
uit ‘Second livre de pièces de clavecin’ (1716-17)
voor piano solo (oorspr. voor klavecimbel)

Erik Satie

Chanson médiévale (1906)
Je te veux (1901)

Oscar Straus 1870-1954

Je ne suis pas ce que l’on pense
uit ‘Trois valses’ (1935)

Francis Poulenc 1899-1963

Les chemins de l’amour (1940)

pauze

Enrique Granados 1867-1916

Orientale
uit ‘12 danzas españolas’ (1888-90)
voor piano solo

El mirar de la maja
La maja dolorosa
uit ‘Tonadillas en un estilo antiguo’ (1912)

Nicolas Bacri 1961

A la mar
uit ‘Melodías de la Melancolia’, op. 119b (2010)

Fernando J. Obradors 1897-1945

Chiquitita la novia
uit ‘Canciones clásicas españolas’ (1921-40)

Joseph Canteloube 1879-1957

La delaïssádo (La delaissée)
uit ‘Chants d’Auvergne’ (1923-30)

Fernando J. Obradors

El vito
uit ‘Canciones clásicas españolas’

Enrique Granados

Andaluza
uit ‘12 danzas españolas’
voor piano solo

Manuel de Falla 1876-1946

Vivan los que ríen!
uit ‘La vida breve’ (1904-05)

Charles Gounod 1818-1893

O Dieu! que de bijoux!
uit ‘Faust’ (1856-59)

Aaron Copland 1900-1990

selectie uit ‘Appalachian Spring’ (1945)
voor piano solo

Frank Churchill 1901-1942

Someday My Prince Will Come (1937)

begin van de pauze ca. 21.00 uur
einde van het concert ca. 22.15 uur

teksten gratis verkrijgbaar aan de zaal

Toelichting

toelichting

la belle excentrique

Tekst: Frits de Haen

Een pleidooi voor internationale uitwisseling, zo zou je dit programma van Patricia Petibon en Susan Manoff kunnen noemen. Terecht begint het dan ook met François Couperin. Die zich geenszins chauvinistisch toonde; daarvan getuigt wel Les ­goûts-réunis, zoals hij een van zijn bundels doopte.

In deze ‘verenigde smaken’ streefde hij naar een grensoverschrijdende vermenging van de Italiaanse stijl met de Franse. Zowel La galante als Les barricades mistérieuses stammen uit het Second livre de pièces de clavecin dat in 1716-17 gepubliceerd werd.

Na dit vroege Franse statement verplaatsen we het toneel naar de periode waaruit de meeste eren van dit stammen, zo’n slordige twee eeuwen later. Reynaldo Hahn wordt als Franse componist gezien. En dit hoewel hij geboren werd in Caracas, zijn moeder Spaans bloed door de aderen stroomde en zijn vader een geëmigreerde Hamburger was.

Maar al op vierjarige leeftijd verhuisde Reynaldo naar Parijs waar hij zijn verdere leven bleef. À Chloris stamt uit 1916, terwijl Pholoé het levenslicht zag rond de eeuwwisseling. In het eerste lied verwijst de dalende baslijn naar Bach, evenals de polyfone passage verderop. Een ander voorbeeld van ‘goûts-réunis’?

Dat kan misschien ook gezegd worden van het uitstapje naar de lichte muziek in Parlez-moi de l’amour, hét werk van Jean Lenoir. Nadat Lucienne Boyer het in 1931 vertolkte tijdens het net opgerichte Grand Prix du Disque Français, werd het chanson vertaald in niet minder dan 37 talen en uitgevoerd door uiteenlopende artiesten als Duke Ellington, Ray Charles, Maurice Chevalier en Barbra Streisand.

Het ‘enfant terrible’ van de Franse muziek, met deze geuzennaam zou je Erik Satie kunnen omschrijven. En toch voelde deze cabaret-pianist zich niet te goed om op zijn negenendertigste nog eens les te gaan nemen aan de Parijse Schola Cantorum. Hij deed het vooral om transparantie, een van de karakteristieken van de Franse stijl, te kunnen doorgronden.

Het resultaat ervan is te horen in Désespoir agréable, dat na zijn dood gepubliceerd werd. Saties wereld was die van het cabaret, van het vermaak, van de dans. Worden in Les courses kort en jachtig de paardenrennen verbeeld (met zelfs een vleugje eillaise), in Sur un vaisseau horen we echo’s van de habanera. En niet voor niets werd het expliciet uitnodigende Je te veux rond de eeuwwisseling gepubliceerd in een bundel café-concert-chansons.

Vergeleken met de luchtigheid van Satie zijn de twee werken van Gabriel Fauré beduidend melancholieker en verstilder. In Spleen noch in Les berceaux is plaats voor het rumoerige Montmartre-milieu van Satie.

Ook Pêcheur de lune van Manuel Rosenthal is van een ingetogener snit. Hij was actief als componist en en doceerde dat laatste vak aan het Parijse conservatorium. Zijn Fido, Fido sluit dan weer meer aan bij de cabareteske sfeer van Satie.

Om de vermenging van smaken nog eens te onderstrepen vervolgt het recital met een werk van Oscar Straus. Nee, géén familie, hoewel zijn naam aanvankelijk wel met dubbel s werd geschreven – maar in een poging meer afstand te nemen tot zijn Weense naamgenoten liet hij er eentje vallen. In Wenen geboren vluchtte Straus na de Anschluss naar Parijs, waar hij meer dan vijfhonderd cabaret-chansons schreef.

Met Les chemins de l’amour van Francis Poulenc belanden we dan weer in een uiterst us idioom. En toch is ook daar de ballroom niet echt ver weg; opmerkelijk is het dat Poulenc dit lied componeerde in de zwarte oktoberdagen van 1940.

Met componisten als Enrique Granados en Manuel de Falla slecht het programma na de pauze de natuurlijke barrière van de Pyreneeën. Reisdoel: Spanje. Of moeten we zeggen: het Oosten? Want in de tweede Spaanse dans met de bijnaam Orientale laat Granados de rijke Moorse traditie herleven.Tegenover deze dromerige dans stelt zijn vijfde dans, Andaluza, het opzwepende karakter van de flamenco centraal.

Zowel Falla als Granados zijn stevig verankerd in de nationale scholen die in de loop van de negentiende eeuw opkwamen: evenals toondichters elders in Europa waren Spaanse componisten op zoek naar een eigen, nationale stijl en ze gingen te rade bij de volksmuziek. Manuel de Falla woonde in Granada.

Als érgens in Andalusië de enorme invloed van de Moorse heerschappij duidelijk voelbaar is, dan is het wel in deze stad, die pas in 1492 door Los Reyes Católicos werd ingenomen, na een overheersing van bijna acht eeuwen. Het imposante Alhambra, met zijn oogverblindende tuinen van het Generalife, geldt nog steeds als een van de belangrijkste islamitische bouwwerken ter wereld. Het was op de heuvel ertegenover dat Falla een deel van zijn leven doorbracht.

Hoewel Nicolas Bacri in Parijs geboren werd, verwijst A la mar sterk naar het typisch Spaanse (en dus Moorse) idioom, met zijn phrygische wendingen: de witte-toetsen-toonladder die op e begint en dus een karakteristieke halve-toonsafstand aan het begin heeft. Het werk is opgedragen aan Patricia Petibon.

Ook de eren van Fernando Obradors, afkomstig van de Canarische eilanden, laten het Spaanse coloriet horen, met hun melodische, oosters aandoende guirlandes en de snelle ’s van El vito. Zelfs de beginmaten van La delaïssado van Joseph Canteloube lijken nog te zinspelen op Spaanse sferen, hoewel we dan al weer beland zijn in de Auvergne – het gebied waaruit de volksmuziek stamt die de componist inspireerde.

De volgende etappe brengt ons terug naar Parijs, of is het het Duitse Staufen? Want het is Goethes Faust dat Charles Gounod inspireerde tot wellicht zijn bekendste . De ‘juwelenaria’ uit Gounods Faust kreeg een onvermoed tweede leven met Bianca Casta­fiore uit de Kuifje-strips.

Tot slot twee Amerikaanse werken: Some Day My Prince Will Come van de vroeg overleden Frank Churchill, uit de soundtrack van de Walt Disney-verfilming van Sneeuwwitje, en een deel uit Aaron Coplands Appalachian Spring. Copland schreef dit aan de legendarische Martha Graham opgedragen ballet in de oorlogsjaren, aanvankelijk voor een kamermuziekensemble. Deze typisch Amerikaanse liefdesgeschiedenis bleek in uitstekende handen bij een Amerikaan geboren uit Oost-Europese immigranten. Onderstreept dat niet nogmaals de grensoverschrijdende ‘goûts-réunis’ van dit ?

Download dit concertprogramma.

Biografie

Patricia Petibon, sopraan

Patricia Petibon studeerde aan het Conservatoire National Supérieure de Musique in Parijs en werd ontdekt door William Christie, die haar uitnodigde bij zijn gezelschap Les Arts Florissants.

Ze maakte haar debuut op het toneel in 1996, tijdens een productie van Rameaus Hippolyte et Aricie in Parijs. Sindsdien zong de Franse sopraan vele rollen, in werk van componisten als Mozart, Offenbach, Donizetti, Poulenc en Berg. Ook werkte ze mee aan de wereldpremière van Philippe Boesmans’ opera Au monde, in de Koninklijke Muntschuwburg in Brussel.

Uiteenlopende engagementen brachten de zangeres naar de grote huizen van steden als Wenen, Milaan, Madrid, Genève, München en Barcelona en de festivals van Salzburg en Aix-en-Provence. Ook voor het geven van s reist Patricia Petibon door Europa.

Ze werkt graag samen met pianiste Susan Manoff, maar deelde het podium ook met jazzvioliste Fiona Monbet en jazzpianist Dimitri Naïditch. Veel succes had ze met het album La belle excentrique, met zeer gevarieerd Frans repertoire, opgenomen met Susan Manoff. Dit programma voerde ze onder meer uit in de van Het Concertgebouw (in juni 2016), nadat ze daar in februari 2014 haar Amsterdamse recitaldebuut had gemaakt.

Susan Manoff, piano

Susan Manoff is van Lets-Duitse afkomst en studeerde aan de Manhattan School of Music in haar geboorteplaats New York en aan de University of Oregon. Bij Gwendoline Koldofsky specialiseerde de pianiste zich in de kunst van het begeleiden.

Ze trad op in bijvoorbeeld Carnegie Hall in New York, de Londense Wigmore Hall, het Konzerthaus en de Musikverein in Wenen en het Théâtre du Châtelet en de Salle Gaveau in Parijs. Naast haar interesse in het repertoire speelt Susan Manoff ook regelmatig kamermuziek.

In een aantal theatraal getinte programma’s mengde ze muziek en gesproken woord. Hiervoor werkte ze samen met acteurs en regisseurs als Fabrice Luchini, Jean Rochefort en Hans-Jürgen Syberberg. Cd’s maakte Susan Manoff onder andere met de sopranen Sandrine Piau en Véronique Gens en met violist Nemanja Radulovic. De pianiste geeft les aan het conservatorium in Parijs en kreeg in 2011 de titel Chevalier des Arts et des Lettres van het Franse ministerie van cultuur.