Patricia Kopatchinskaja en Polina Leschenko: Ravels Tzigane

Patricia Kopatchinskaja viool
Polina Leschenko piano

Béla Bartók (1881-1945)

Tweede sonate, Sz. 76 (1922)
Molto moderato
Allegretto

Gabriel Fauré (1845-1924)

Eerste sonate in A gr.t., op. 13 (1875-76)
Allegro molto
Andante
Allegro vivo
Allegro quasi presto
 
pauze ± 21.00 uur 

George Enescu (1881-1955)

Derde sonate in a kl.t., op. 25 (1926) ‘Dans le caractère populaire roumain’
Moderato malinconico
Andante sostenuto e misterioso
Allegro con brio, ma non troppo mosso

Maurice Ravel (1875-1937)

Tzigane, rapsodie de concert (1924)
 
einde ± 22.00 uur

Toelichting

Béla Bartók 1881-1945

Tweede sonate

Door Michiel Cleij

Een nachtelijk landschap, een rituele bezwering, iemand die neuriënd langs een afgrond loopt – het onheilspellende ‘gezang’ aan het begin van Béla Bartóks Tweede kan allerlei associaties oproepen. Maar bovenal kun je je afvragen waarom Bartók niet meer vocale muziek schreef. Zijn grote verdienste was het verbinden van eigentijdse compositietechniek met eeuwenoude volksmuziek en daarbij focuste hij meer op dan op . Zijn geringe toepassing van de menselijke stem compenseerde hij evenwel ruimschoots in zijn diverse werken met viool.

Voor de Hongaarse violiste Jelly d’Arányi schreef Bartók kort achtereen zijn twee vioolsonates. Hun gezamenlijke s in diverse Europese steden legden de basis voor Bartóks internationale succes. Het verwerken van inheemse volksmuziek was in Europa op dat moment al goeddeels uit de mode, maar Bartók ging hierin duidelijk verder dan zijn negentiende-eeuwse voorlopers: hij had zijn folkloristische bronnen van nabij bestudeerd en deed er geen romantische gooi naar.

De Tweede  heeft een niet-klassieke tweedelige vorm. De introductie heeft hetzelfde karakter dat veel Balkanmuziek kenmerkt, waarbij de viool niet alleen zingt maar ook praat, fluistert en kermt. Hier hoor   je hoe effectief Bartók sferen wist te creëren die tegelijkertijd archaïsch en modern aandoen. De korte motieven waaruit dit ‘’ is opgebouwd vormen ook de grondstof voor het tweede deel, al staat dat vooral in het teken van volksdansachtige ritmiek met onregelmatige, tegendraadse en.

Gabriel Fauré 1845-1924

Eerste sonate

Gabriel Fauré werd door zijn generatiegenoot Camille Saint-Saëns ‘leeftijdloos’ genoemd, en terecht. Zijn muziek vormt een soepel gewricht tussen de en het modernisme van de vroege twintigste eeuw. De vroege stukken, waaronder de Eerste in A groot, hebben een laatromantische expressie en een weelderige k; de late, met hun wonderlijke meerstemmige weefsels, neigen naar atonaliteit. 

Fauré betrad het Franse concertleven als organist, een functie die hij uitsluitend als broodwinning uitoefende en niet uit roeping; hij speelde liever piano. Dat instrument werd inderdaad de pijler van zijn hele oeuvre: niet alleen in zijn pianowerken, maar ook in zijn eren en kamermuziek speelt de piano altijd een glansrol. 

Met deze werd de componist op slag favoriet bij het publiek dat zich in de Parijse salons verzamelde: muziek voor een kunstminnende beau monde, met een gevoeligheid en gratie die nergens omkiepert in oppervlakkigheid of sentimentaliteit. Dat in Fauré een groot liedcomponist school werd hier al duidelijk: de vier delen contrasteren sterk, maar ze hebben alle een hoofdthema waar je een (Franse) tekst overheen zou kunnen leggen.

George Enescu 1881-1955

Derde sonate

Wanneer je voor het eerst werk van George Enescu hoort kun je je sufpiekeren over de maker – en vaak ook over de periode waarin het geschreven is. Dat geldt zeker voor de Derde in a klein: muziek met een duidelijk folkloristische inslag, maar als een musicoloog je zou wijsmaken dat het om imaginaire volksmuziek uit een andere dimensie zou gaan ben je geneigd het te geloven.

Enescu was een Roemeen die muziekstudies in Wenen en Parijs volgde; een kosmopoliet, dus, maar Roemeense volksmuziek bleef altijd een herkenbare kleur op zijn gevarieerde palet.

Behalve componist was hij een geweldige violist; hij kreeg als tiener les van de vioolvirtuoos Henri Vieuxtemps (een gigant in zijn tijd) en werd zelf later leraar van de recentere vioolgoden Yehudi Menuhin en Arthur Grumiaux. In de Derde  hoor je zijn vertrouwdheid met het instrument dan ook elke seconde terug: het stuk is niet alleen uniek door de wonderlijke ën en grillige wendingen, maar ook door de vele ’s, ten en andere violistische klankeffecten.

Dat Enescu ooit een compositieleerling van Fauré was, is amper te horen; het tweede deel, nog desoriënterender dan het eerste, lijkt eerder vooruit te lopen op de mystieke klankwereld van Arvo Pärt. Vreemd is dat niet, want hier imiteerde Enescu naar eigen zeggen de bellen en klanken die je ’s ochtends bij sommige Roemeense kloosters kunt horen.

Maurice Ravel 1875-1937

Tzigane

Door Michiel Cleij

Violiste Jelly d’Arányi maakte in 1922 grote indruk op de fine fleur van het Franse muziekleven toen ze met Béla Bartók in Parijs optrad. Tijdens hun diende Maurice Ravel als bladomslaander voor Bartók; in het publiek zaten onder meer Igor Stravinsky, Darius Milhaud en Arthur Honegger. Ravel was niet alleen geïmponeerd door Bartóks muziek, maar ook door de traditionele zigeunermuziek die de violiste tijdens een lange afterparty op zijn verzoek had gespeeld (‘tot vijf uur ’s ochtends’, zoals een der aanwezigen zich zou herinneren, ‘en Ravel en de violiste waren de enigen die niet afgemat waren’). Dat evenement inspireerde hem tot de Tzigane, een van Ravels vele uitstapjes naar andere muziekculturen. 

Violist en pianist lijken hier een compleet zigeunerorkest te imiteren. Ravel hield rekening met de mogelijkheid de piano te vervangen door een luthéal – niet zozeer een instrument als wel een mechaniek dat in de piano geïmplementeerd wordt en de klank vervormt, met een resultaat dat sterk aan de Hongaarse doet denken. Maar het stuk klinkt even exotisch met piano, of in de orkestversie die Ravel later maakte.  

Biografie

Patricia ­Kopatchinskaja, viool

Patricia Kopatchinskaja werd geboren in Moldavië en studeerde aan de Universität für Musik und darstellende Kunst in Wenen. De veelzijdige violiste gebruikt ook regelmatig haar stem, verwerkt theatrale elementen in haar optredens en componeert onder de naam PatKop. Naast solorecitals speelt ze kamermuziek met bijvoorbeeld cellist Nicolas Altstaedt, pianiste Polina Leschenko en gambist Laurence Dreyfus.

Bij zowel Camerata Bern als het SWR Symphonieorchester is ze artistiek partner, en in 2025 was ze artist in residence bij het Klarafestival. Patricia Kopatchinskaja ondernam tournees met het Orchestre Philharmonique du Luxembourg en Gustavo Gimeno en met de Wiener Symphoniker en music­Aeterna, beide onder leiding van Teodor Currentzis.

Eerder dit seizoen was ze in de Verenigde Staten met de New York Philharmonic en het London Philharmonic Orchestra. Nieuwe muziek noemt ze haar ‘levensader’: ze verzorgt premières van vele hedendaagse componisten en werkte samen met Peter Eötvös, Heinz Holliger, György Kurtág en Esa-Pekka Salonen.

Bij haar Concertgebouworkestdebuut in mei 2019 voerde ze Van der Aa’s dubbelconcert akin uit met celliste Sol Gabetta. Bij haar vorige optreden in de , op 30 april 2023, speelde Patricia Kopatchinskaja met het Concertgebouworkest Ligeti’s Vioolconcert (inclusief een eigen ), dat ze eerder opnam met de Berliner Phiharmoniker. Actueel is haar The Peace Project, dat met muziek van de tot heden reflecteert op eeuwen van existentieel lijden en angst veroorzaakt door oorlog.

Polina Leschenko, piano

Polina Leschenko groeide op in een muzikale familie in Sint-Petersburg en speelt piano vanaf haar zesde. Twee jaar later debuteerde ze als solist bij het Filharmonisch Orkest van Sint--Petersburg. Haar opleiding volgde ze bij Sergei Lessenko, Pavel Gililov en Christopher Elton en op haar zestiende studeerde ze cum laude af aan het conservatorium in Brussel.

De pianiste werd in de afgelopen jaren als solist uitgenodigd door onder meer het Russisch Nationaal Orkest, het Bournemouth Symphony Orchestra, het Australian Chamber Orchestra, het Hallé Orchestra en de London Mozart Players.

s gaf ze op bekende podia als het Wiener Konzerthaus en Carnegie Hall in New York; in de van Het Concertgebouw speelde ze solo in februari 2009.

Voor het uitvoeren van kamermuziek deelt Polina Leschenko het podium graag met collega’s als Sol Gabetta, Julia Fischer en Alexander Sitkovetsky. In de Kleine Zaal verzorgde ze eerder kamermuziekavonden met cellist Christian Poltéra (2007) en met violiste Patricia Kopatchinskaja (2015). Samen met laatstgenoemde bracht Polina Leschenko in voorjaar 2018 een veelgeprezen duo-album uit met muziek van Bartók, Poulenc en Ravel.