Orchestra e Coro Sinfonica di Milano brengt Verdi’s Requiem
Orchestra Sinfonica di Milano
Coro Sinfonico di Milano
Claus Peter Flor dirigent
Carmela Remigio sopraan
Anna Bonitatibus alt
Valentino Buzza tenor
Fabrizio Beggi bas
Massimo Fiocchi Malaspina koordirigent
Dit concert maakt deel uit van de serie Onsterfelijke Noten.
Zangteksten zijn gratis verkrijgbaar aan de zaal.
Ook interessant:
- Het requiem door de eeuwen heen
Giuseppe Verdi (1813-1901)
Messa da requiem (1874)
voor sopraan, alt, tenor, bas, koor en orkest
Requiem en Kyrie
Sequens: Dies irae
Offertorio: Domine Jesu Christe
Sanctus
Agnus Dei
Lux aeterna
Libera me
er is geen pauze
einde ± 21.40 uur
Toelichting
Giuseppe Verdi: 1813-1901
Messa da Requiem
Door Michel Khalifa
In de lange reeks polemische uitspraken die de muziekgeschiedenis extra kleur verlenen, verdient het oordeel van Hans von Bülow over de Messa da requiem van Giuseppe Verdi een ereplaats. De Duitse pianist en noemde Verdi’s dodenmis laatdunkend ‘een in kerkgewaden’. Opvallend genoeg deed Von Bülow deze uitspraak nog voordat de première had plaatsgevonden, naar het schijnt op basis van een vluchtige blik in de . Pas achttien jaar later luisterde hij eindelijk naar het werk dat hij op voorhand had afgekraakt. Hij raakte tot tranen geroerd en schreef Verdi een excuusbrief waarin hij zijn vergissing ruiterlijk toegaf.
De kritische mening van Von Bülow, hoe voorbarig dan ook, kwam niet helemaal uit de lucht vallen. Toen Verdi in 1874 zijn Messa da requiem voltooide, had hij al 26 opera’s (inclusief twee revisies) op zijn naam staan, waarvan enkele in heel Europa opgevoerd waren, La traviata voorop. Zijn grote internationale faam berustte uitsluitend op zijn opera’s, terwijl hij buiten de grenzen van het muziektheater op een recent strijkkwartet na niets noemenswaardigs had gecomponeerd.
Hoewel Verdi als jongetje het orgel van zijn geboortedorp had bespeeld, hield hij er agnostische opvattingen op na.
Ook om een andere reden lag het niet voor de hand dat Verdi zich op het pad van de religieuze muziek zou begeven. Hoewel hij als jongetje van tien elke zondag het van zijn geboortedorp had bespeeld, hield de componist er agnostische opvattingen op na. In de woorden van zijn laatste librettist Arrigo Boito: ‘Hij was al op jeugdige leeftijd zijn geloof kwijt, net als wij allemaal, maar hem heeft dat, wellicht meer dan ons, voor altijd met weemoed vervuld.’ Het is verleidelijk de ijzingwekkende woorden van Jago in het tweede bedrijf van Otello in de mond van Verdi zelf te leggen: ‘De dood is het Niets. De hemel is een oeroud sprookje.’
Dat Verdi tegen alle verwachtingen in besloot een requiem te schrijven, had alles te maken met de dood van twee grote Italiaanse kunstenaars binnen een tijdbestek van vijf jaar. In 1868 overleed Rossini. Verdi riep zijn collega’s op om gezamenlijk een dodenmis te componeren ter ere van de ‘zwaan van Pesaro’. Zelf nam hij het slotdeel, Libera me, voor zijn rekening. Vanwege financiële perikelen werd dit collectieve eerbetoon nooit uitgevoerd, maar de basis voor Verdi’s eigen Messa da requiem was gelegd.
De dood van de beroemde dichter Alessandro Manzoni op 22 mei 1873 maakte diepe indruk op Verdi. De componist meed de plechtige uitvaart en bracht in stilte en eenzaamheid een bezoek aan het graf van de nationale held. De nacht na dit bezoek schreef hij in een brief aan zijn uitgever Giulio Ricordi dat hij voor de eerste sterfdag van Manzoni een requiem zou componeren. Dit bleek geen loze belofte. Op 10 april 1874 was de mis klaar. Verdi dirigeerde de eerste uitvoering in de San Marco te Milaan op 22 mei. Er volgden drie concerten in de Scala, waarna Verdi in juni het werk voor zeven uitvoeringen meenam naar Parijs. In november vond de Amerikaanse première plaats in New York.
Het Italiaanse publiek reageerde enthousiast op de Messa da requiem. Vanzelfsprekend kon Verdi in Milaan over solozangers beschikken die tot de crème de la crème van de wereld behoorden. Als sopraan was reeds in een vroeg stadium Teresa Stolz gecontracteerd. Deze Duitse zangeres van Boheemse afkomst had twee jaar eerder de titelrol in de Italiaanse première van Aida gezongen. De Oostenrijkse mezzo Maria Waldmann, die eveneens aan deze markante operaproductie had meegewerkt, bood zelf haar diensten aan voor de Messa da requiem en werd meteen aangenomen. Verdi was zo tevreden met haar inbreng dat hij in 1875 speciaal voor haar de koorfuga Liber scriptus door een solo voor mezzosopraan verving. Twee Italiaanse zangers, de tenor Giuseppe Capponi en de bas Ormondo Maini, maakten het solistenkwartet compleet.
Even leek het er op dat Verdi slachtoffer van zijn eigen succes zou worden.
De grote publieke belangstelling voor de Messa da requiem had een keerzijde. Ongeautoriseerde bewerkingen schoten als paddestoelen uit de grond en het leek er even op dat Verdi slachtoffer van zijn eigen succes zou worden. In verschillende steden vonden uitvoeringen plaats die niet op zijn goedkeuring konden rekenen. Zo klaagde hij over een bewerking voor militaire kapel die in Ferrara ten gehore was gebracht. Maar over het algemeen slaagde uitgever Ricordi er redelijk in de zakelijke belangen van zijn stercomponist te beschermen.
Verdi deinsde er niet voor terug om uiteenlopende stijlen naast elkaar te gebruiken. Hij wisselde sobere polyfone passages in Palestrina-stijl af met kleurrijke episoden in de beste achttiende-eeuwse mistraditie, en paste waar nodig technieken toe die aan zijn eigen opera’s herinneren (Von Bülow had toch een heel klein beetje gelijk). Contrast is hierbij het sleutelwoord. De stormachtige en overbekende opening van het bijvoorbeeld, die overigens nog twee keer klinkt, maakt des te meer indruk omdat het voorafgaande eerste deel (Requiem en Kyrie) bijzonder rustig en zachtmoedig van aard is.
Bij het schrijven van de Messa da requiem greep Verdi dankbaar terug op het fragment ‘Libera me’ dat hij vijf jaar eerder ter ere van Rossini had gecomponeerd. Wat sfeer en muzikaal materiaal betreft vormt het ‘Libera me’ een perfecte samenvatting van de volledige Messa da requiem, mede omdat de tekst expliciet naar eerdere delen van de dodenmis verwijst. Zo klinken de apocalyptische visioenen van het Dies irae voor de vierde en laatste keer. Wát een contrast met de door het koor gefluisterde sloten, die naadloos aansluiten bij de openingsmaten van de compositie.
Het Libera me onderscheidt zich door het ingetogen op één toon waarmee de sopraan zonder begeleiding inzet. Zij vervolgt haar smeekgebed met haast stralende lijnen die de rouwenden troost en vertrouwen moeten brengen. Want de agnostische Verdi richt zich in zijn Messa da requiem niet alleen tot God, maar ook en misschien vooral tot de mensen.
Biografie
Claus Peter Flor, dirigent
De Duitse Claus Peter Flor groeide op in Leipzig, begon als klarinettist en violist en kreeg zijn dirigentenopleiding van grootheden als Rafael Kubelík, Kurt Sanderling en Kurt Masur. Hij is al enkele decennia actief op het internationale concertpodium; hij was onder andere chef-dirigent van het Tonhalle Orchester Zürich en het Maleisisch Filharmonisch Orkest (2008-2014) en heeft ook als dirigent een uitgebreide staat van dienst.
In 1984 kreeg hij zijn eerste belangrijke aanstelling, als Generalmusikdirektor van het Konzerthausorchester Berlin.
Als gastdirigent stond Claus Peter Flor op de bok bij onder meer de Berliner Philharmoniker, het Dallas Symphony Orchestra en het London Symphony Orchestra. In Nederland werkte hij met het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Concertgebouworkest; zijn laatste optreden in de was op 2 juli jongstleden in een programma met Phion en de Nederlandse Reisopera.
Voor het dirigeren van opera’s was Claus Peter Flor veelvuldig te gast in het Théâtre du Capitole de Toulouse en werd hij ook geëngageerd door de Opéra National du Rhin in Straatsburg, de Bayerische Staatsoper, Houston Grand Opera en De Nationale Opera in Amsterdam.
Carmela Remigio, sopraan
Carmela Remigio begon met vioolspelen op haar vijfde en kreeg kort daarna in haar geboorteplaats Pescara haar eerste zanglessen.
In 1992 won ze de Luciano Pavarotti International Voice Competition in Philadelphia en sinds 1997 trad ze wereldwijd in meer dan zeventig concerten op aan de zijde van Pavarotti. In 2016 kreeg de sopraan van de Associazione Critici Musicali Italiani de begeerde Premio Abbiati.
Mozarts Don Giovanni is de waarin Carmela Remigio het vaakst aantrad (meer dan vijfhonderd keer), als Donna Elvira óf als Donna Anna; in 1998 nam ze het werk op met Claudio Abbado en in 2000 met Daniel Harding. Andere favoriete Mozartrollen zijn Susanna en Gravin Almaviva in Le nozze di Figaro, Elettra en Ilia in Idomeneo, Fiordiligi in Così fan tutte, Vitellia in La clemenza di Tito en Pamina in Die Zauberflöte.
Verdi is een andere favoriet van Carmela Remigio: zo vertolkte ze Alice in Falstaff onder Claudio Abbado en Lorin Maazel op de Salzburger Festspiele, Desdemona in Otello, Amelia in Simon Boccanegra en Violetta in La traviata. Carmela Remigio was te beluisteren in de vele operahuizen van haar thuisland, maar ook bijvoorbeeld in het Royal Opera House in Londen, op het Festival van Aix-en-Provence en in De Munt in Brussel.
In Het Concertgebouw maakt ze haar debuut.
Anna Bonitatibus, alt
In 2015 won Anna Bonitatibus een International Award. Ze heeft zo’n zeventig operarollen op haar repertoire, van Monteverdi en Cavalli via Händel en de Napolitaanse traditie tot en met Mozart en Rossini. Verdi en Donizetti komen veelvuldig in haar agenda voor, en uit het Franse repertoire rekent ze Carmen van Bizet en L’enfant et les sortilèges van Ravel tot haar favorieten.
In onder meer La Scala in Milaan (debuut in 1999), de Bayerische Staatsoper in München, het Théâtre des Champs-Elysées in Parijs, het Teatro Real in Madrid, De Munt in Brussel en de Wiener Staatsoper en op concertpodia van Rusland tot de Verenigde Staten werkte de Italiaanse zangeres met en als Ivor Bolton, William Christie, Myung-whun Chung, Alan Curtis, Ottavio Dantone, René Jacobs, Charles Mackerras, Riccardo Muti en Antonio Pappano.
Anna Bonitatibus zet zich in voor onderzoek naar het Italiaanse kunstlied en werkt samen met experts van verschillende Europese universiteiten. Ze bracht albums uit als Un rendez-vous (kamermuziek van Rossini) en Semiramide - La Signora Regale (muziek over de eerste koningin van Mesopotamië van Italianen als Porpora, Paisiello en Jommelli).
Anna Bonitatibus maakt haar debuut in Het Concertgebouw.
Valentino Buzza, tenor
Valentino Buzza studeerde in 2008 af aan het Istituto Musicale Vincenzo Bellini in zijn geboorteplaats Catania, won in 2012 het Tito Schipa concours en kreeg in 2016 de Luciano Pavarotti Prize van de Marcello Giordani Foundation.
Aan het Centre de Perfeccionament Plácido Domingo in Valencia nam hij deel aan operaproducties als Puccini’s La bohème (Rodolfo) onder leiding van Riccardo Chailly en Verdi’s La traviata (Giuseppe) en Puccini’s Turandot (Pang) onder leiding van Zubin Mehta.
Met Plácido Domingo werkte hij in Verdi’s Simon Boccanegra. Ook de huizen van Genua, Bari, Ferrara, Parma, Florence en São Paulo engageerden de tenor, evenals het Innsbruck Festival en het Torre del Lago Puccini Festival. Op het vlak van de oude muziek werkte Valentino Buzza meermaals met Diego Fasolis en zijn gezelschap I Barocchisti, bijvoorbeeld in Vivaldi’s opera’s Ottone in villa en Farnace voor La Fenice in Venetië.
Onder leiding van Fabio Biondi zong hij in Händels Israel in Egypt in Valencia, in Monteverdi’s Orfeo in het Theater an der Wien, de Elbphilharmonie Hamburg en de theaters van Barcelona en Madrid en in Verdi’s Macbeth voor een cd-opname.
Valentino Buzza maakt zijn debuut in Het Concertgebouw.
Fabrizio Beggi, bas
Na een afgeronde studie begon Fabrizio Beggi in 2009 met zanglessen. Aan de Accademia Musicale di Santa Cecilia in Portogruaro specialiseerde hij zich bij Claudio Desderi, waarna hij zijn debuut maakte als Leporello in Mozarts Don Giovanni.
De bas werd in 2011 voor een Verdi-project geëngageerd door de Maggio Musicale Fiorentino en voegde zich bij de studio in Genua. Het jaar erop won hij de Toti dal Monte Singing Competition in Treviso.
De afgelopen jaren werd Fabrizio Beggi veelvuldig geëngageerd door het Teatro Regio in Turijn: voor onder meer Verdi’s Don Carlo, Il trovatore, Simon Boccanegra en Rigoletto, maar ook Le nozze di Figaro (Mozart), Guillaume Tell (Rossini), I puritani (Bellini), Manon Lescaut (Puccini) en tournees van het gezelschap naar Canada en Hongkong.
De vele theaters in Italië weten Fabrizio Beggi inmiddels te vinden en hij zong ook in Nancy, Luxemburg, Lissabon en Tel Aviv. Violist/ Fabio Biondi en diens Europa Galante nodigden hem uit voor Bellini’s I Capuleti e i Montecchi in Rieti, Warschau en Bremen, Händels Imeneo op de Händel-Festspiele in Halle en Monteverdi’s Il ritorno d’Ulisse in patria in Hamburg.
Het eerste optreden van Fabrizio Beggi in Het Concertgebouw was in februari 2020 de rol van Oroe in Rossini’s Semiramide in de NTR ZaterdagMatinee.






