NHK Symphony Orchestra, Tokyo en Paavo Järvi
NHK Symphony Orchestra, Tokyo
Paavo Järvi dirigent
Sol Gabetta cello
Dit concert wordt mede mogelijk gemaakt door de begunstigers van het Wereldberoemde Symfonieorkesten Fonds.
Dit concert maakt deel uit van de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten.
Toru Takemitsu (1930-1996)
How Slow the Wind (1991)
Robert Schumann (1810-1856)
Celloconcert in a kl.t., op. 129 (1850)
Nicht zu schnell
Langsam
Sehr lebhaft
pauze ± 21.05 uur
Serge Rachmaninoff (1873-1943)
Tweede symfonie in e kl.t., op. 27 (1906-07)
Largo – Allegro moderato
Allegro molto
Adagio
Allegro vivace
einde ± 22.30 uur
Toelichting
Toru Takemitsu 1930-1996
Takemitsu: How Slow the Wind
Door Martijn Voorvelt
De Japanse componist Toru Takemitsu is bij ons vooral bekend geworden met de verstilde orkestwerken die hij in de laatste twintig jaar van zijn leven schreef. Daartoe behoort het regelmatig uitgevoerde How Slow the Wind. Met zijn steeds weer terugkerende flarden heeft het een afstandelijke schoonheid, als een uitgekristalliseerde, tot stilstand gekomen versie van Claude Debussy’s Prélude à l’après-midi d’un faune. Bij Takemitsu telt de ruimte tussen de noten minstens evenveel als de noten zelf.
Takemitsu werd geboren in Tokio maar groeide op in China; hij was een gevoelig kind met een zwakke gezondheid. Via de radio maakte hij kennis met westerse klassieke muziek. ‘Mijn eerste leraar was de radio.’ In 1944 moest hij in het Japanse leger. Zijn bittere ervaringen in en vlak na de Tweede Wereldoorlog bezorgden hem een grote afkeer van alles wat Japans was. Die afkeer vertaalde zich in een totale onderdompeling in de westerse avant-garde, van vroege elektronica tot serialistische technieken.
Hij brak in 1957 door met zijn Requiem – het leidde onder meer tot een memorabele lunch met Igor Stravinsky. In de jaren zestig raakte Takemitsu in de ban van de Amerikaanse experimentalist John Cage. De aandacht voor stilte en toeval in het werk van Cage waren in hoge mate beïnvloed door het Japanse zenboeddhisme, en zo ‘begon ik de waarde van mijn eigen traditie te erkennen’, aldus Takemitsu. Een Bunraku-poppenvoorstelling opende zijn hart definitief voor de schoonheid van de Japanse tradities. Met een schok ‘realiseerde ik mij plotseling dat ik Japans was’.
Vanaf dat moment combineerde hij – zowel in zijn 93 filmscores als in zijn autonome orkestwerken en kamermuziek – westerse met Japanse waarden. Wat een werk als How Slow the Wind zo Japans maakt, is het begrip ‘ma’, dat zoiets betekent als een leegte die niet leeg is: de ruimte tussen de dingen in, die vol energie en leven zit. Het staat centraal in Japanse tuinontwerpen. ‘Mijn muziek is als een tuin’, zegt Takemitsu dan ook, ‘en ik ben de tuinier. Luisteren naar mijn muziek kun je vergelijken met het wandelen door een tuin, waarbij je veranderingen in licht, patronen en texturen ervaart.’
Robert Schumann 1810-1856
Schumann: Celloconcert
Door Michiel Cleij
Behalve over een enorme geestdrift beschikte Robert Schumann over een onuitputtelijk gevoel. Niet alleen zijn omvangrijke oeuvre getuigt daarvan; ook zijn instrumentale werken hebben een overrompelende zangkwaliteit. Die aanleg moet ook doorslaggevend geweest zijn in zijn opmerkelijke keuze een soloconcert te schrijven voor – een instrument dat de menselijke stem dicht benadert, maar dat Schumann zelf niet beheerste. Weliswaar had hij in diverse kamermuziekwerken markante cellopartijen geschreven, maar dat gold nauwelijks als voorbereiding. Verrassend genoeg klaarde de componist deze hachelijke, zelfverkozen klus in twee weken. Schumann had een schap in Düsseldorf aanvaard en kon derhalve een nare tijd in Dresden afsluiten (een oord, vond zijn vrouw Clara, ‘waar alles ouderwets is en waar je geen intelligent persoon tegenkomt’).
Het Celloconcert is in verscheidene opzichten experimenteel. Schumann had geen voorbeelden tot zijn beschikking; buiten Joseph Haydns Celloconcert in D groot uit 1781 was er geen noemenswaardig repertoire voor solocello en orkest bekend. Ook werkte hij niet samen met een cellist die hem de fijne kneepjes van het instrument kon bijbrengen.
Die beperkingen lijken zijn fantasie eerder gestimuleerd dan belemmerd te hebben. Vergeleken met andere soloconcerten uit die tijd is de opzet tamelijk ongewoon (aanvankelijk wilde Schumann het een Konzertstück noemen). Het gebruikelijke openingssalvo van het orkest is vervangen door een kort signaal, alsof het orkest even inademt alvorens de inzet met een langgerekt ‘gezang’ dat – typisch Schumann – vaak klinkt alsof ter plekke geïmproviseerd wordt. Het begindeel is de hoofdmoot; het langzame middendeel is een kort, sierlijk brugje naar de even compacte finale. Die opzettelijke asymmetrie compenseert Schumann door de delen als een doorgaande lijn te laten klinken: met sluwe ‘scharniertjes’ zijn de slotmaten van deel een en twee aan het volgende deel geklonken.
Door het ontbreken van solistisch vuurwerk sloeg dit Celloconcert niet onmiddellijk aan. Tot zijn frustratie moest Schumann met het voltooide werk leuren bij zowel solisten als uitgevers – zonder succes. Pas in 1860, vier jaar na Schumanns dood, werd het voor het eerst uitgevoerd.
Serge Rachmaninoff 1873-1943
Rachmaninoff: Tweede symfonie
Door Michiel Cleij
Schumanns rijkdom was van grote invloed op Pjotr Iljitsj Tsjaikovski, die op zijn beurt Serge Rachmaninoff ermee begiftigde. Onderweg was er natuurlijk heel wat Slavische melancholie en andere couleur locale aan blijven kleven; Rachmaninoff klinkt vaak zelfs Russischer dan zijn mentor Tsjaikovski, mede door zijn hoorbare band met Russisch-orthodoxe kerkmuziek. Maar van zijn waardering voor Schumann maakte Rachmaninoff nooit een geheim – ook niet in zijn pianorecitals.
Beiden waren in aanleg piano-componisten, maar Rachmaninoff had aanzienlijk minder moeite om de vertaalslag naar orkestmuziek te maken; met een Eerste symfonie kwam Rachmaninoff aanzienlijk sneller voor de dag dan Schumann. Die eersteling flopte aanvankelijk, maar niet omdat het orkestgenre Rachmaninoff niet lag. Het was een origineel en geraffineerd geschreven stuk, luidt de consensus nu.
Maar het debacle van die Eerste symfonie hakte er dusdanig in dat Rachmaninoff in therapie ging om een writers block te overwinnen. Pas nadat hij zijn zelfvertrouwen met het immens succesvolle Tweede pianoconcert had opgekrikt componeerde hij een Tweede symfonie, profiterend van de orkestervaring die hij intussen als had opgedaan, en ditmaal met onmiddellijk succes. De opvallendste kwaliteit is Rachmaninoffs vermogen om langgerekte melodieën te schrijven die tegelijkertijd teder en doordringend zijn, vooral in het : het klarinetthema, omspeeld met welvende strijkersfiguren, blijft maten achtereen zweven zonder te ‘landen’.
De ritmische felheid van de delen twee en vier toont echter dat Rachmaninoff niet alleen in weemoed en dromerigheid excelleerde. In deel twee maken de violen zelfs een plotselinge zijsprong naar een energieke . Daarbij komen nog de duizelingwekkende orkestrale kleurnuances: steeds treden nieuwe instrumenten of instrumentgroepen op de voorgrond, solostemmen worden vaak subtiel gedubbeld waardoor ze een fraaie glans- of schaduwrand krijgen, begeleidende partijen zijn warm en kleurrijk als Perzische tapijten.
Rachmaninoff speelt al die troeven zorgvuldig uit. De symfonie begint ingetogen, met lage strijkers, maar hun geneuriede noten vormen wel de basis voor het hele werk. Bijna alle ’s zijn ervan afgeleid – een werkwijze die Tsjaikovski ook had gehanteerd.
Een ander verbindend element is van meer autobiografische aard. In de loop van het werk maakt Rachmaninoff herhaaldelijk toespelingen op de beginnoten van het e (‘Dag des onheils’). Dat had hij in die verguisde Eerste symfonie ook gedaan, en het had hem geen geluk gebracht. Curieus genoeg besloot de componist er zijn handtekening van te maken: in zijn latere werken zou steeds weer dat Dies irae- opduiken, als een soort bezwering.
Biografie
NHK Symphony Orchestra, Tokyo, orkest
Het NHK Symphony Orchestra, Tokyo werd in 1926 opgericht onder de naam New Symphony Orchestra. Het was het eerste orkest wereldwijd dat in 1930 een elektrische opname maakte van een Mahlersymfonie: de Vierde.
Het gezelschap kreeg zijn huidige naam in 1951, nadat het zich had aangesloten bij de Japanse publieke omroep, de NHK (Nippon Hoso Kyokai).
Vandaag de dag verzorgt het rond de honderdtwintig concerten per seizoen. Het orkest speelde de Japanse premières van Mahlers Eerste, Vierde en Achtste symfonie. Sinds 2022 is Fabio Luisi chef-. Eerdere dirigenten zijn Charles Dutoit, Herbert Blomstedt, Vladimir Ashkenazy, Paavo Järvi, Tadaaki Otaka en Tatsuya Shimono.
In Het Concertgebouw trad het NHK Symphony Orchestra voor het eerst op in de zomer van 2001, samen met pianiste Martha Argerich. De Europese tournee van 2025 wordt ondersteund door het Agency for Cultural Affairs, Government of Japan en de Japan Arts Council, en gesponsord door ANA Holdings Inc., Iwatani Corporation, Aisin Corporation, East Japan Railway Company, Mitsubishi Estate Co., Ltd. en Mizuho Bank, Ltd.
Paavo Järvi, dirigent
Paavo Järvi studeerde directie in zijn geboorteland Estland, aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia en bij Leonard Bernstein in Los Angeles. Sinds het seizoen 2019/2020 is hij chef- van het Tonhalle-Orchester Zürich. In het verleden had Paavo Järvi vergelijkbare posities bij het NHK Symphony Orchestra in Tokio, het Orchestre de Paris, het hr-Sinfonieorchester Frankfurt, het Cincinnati Symphony Orchestra en het Malmö .
Sinds 2004 is hij artistiek leider van Die Deutsche Kammerphilharmonie Bremen, en bij het Nationaal Symfonieorkest van Estland is hij artistiek adviseur. Ieder seizoen sluit de af met een week van uitvoeringen en masterclasses op het Pärnu Music Festival in Estland, dat hij in 2011 heeft opgericht.
Paavo Järvi ontving tal van prijzen en onderscheidingen, waaronder de Orde van de Witte Ster (2013) en de Orde van Verdienste (2021) van de Republiek Estland. Zowel Diapason als Gramophone riepen hem in 2017 uit tot Artist of the Year en in september 2019 werd hij verkozen tot Opus Klassik Conductor of the Year. Opnamen onder zijn leiding van werken van Sibelius, Grieg en Tsjaikovksi waren goed voor Grammy Awards.
Als gastdirigent is Paavo Järvi actief met gezelschappen als de Berliner en Wiener Philharmoniker, de Staatskapelle Dresden, het Gewandhausorchester Leipzig en de New York Philharmonic. Sinds zijn debuut bij het Concertgebouworkest in 2004 keerde hij met grote regelmaat terug, zoals in november 2019 voor concerten in Amsterdam en op tournee in Taiwan en Japan. In juni 2023 leidde hij de Ammodo Masterclass Dirigeren. Bij de meest recente samenwerking, in april en mei 2025, stonden werken van Mägi, Saint-Saëns en Stravinsky op het programma.
Sol Gabetta, cello
Sol Gabetta begon haar studie in Buenos es en Madrid en zette haar opleiding voort bij David Geringas aan de Hochschule für Musik in Berlijn. In 2004 vestigde ze haar naam definitief door het winnen van de Credit Suisse Young Artist Award en een aansluitend optreden met de Wiener Philharmoniker.
Inmiddels is de Argentijnse celliste van Frans-Russische afkomst onder meer gelauwerd met een Grammy Award, vijf keer een Echo Klassik en de Herbert von Karajan Preis.
Componisten als Peteris Vasks en Wolfgang Rihm droegen nieuw werk aan haar op. Sol Gabetta trad onder meer op met de Berliner en de Wiener Philharmoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het BBC Symphony Orchestra (Proms), het Orchestre National de France en de Los Angeles Philharmonic.
Na recente residencies bij het Wiener Konzerthaus, de Bamberger Symphoniker en het Orchestre Philharmonique de Radio France is ze in het huidige seizoen focus artist bij het Tonhalle-Orchester Zürich en artist in residence in zowel het Konzerthaus Dortmund als Bozar in Brussel. De celliste is oprichter en artistiek leider van het Solsberg Festival in Zwitserland en geeft sinds 2005 les aan de Musik-Akademie Basel.
Sol Gabetta was sinds 2011 meermaals te gast bij het Concertgebouworkest, zoals in mei 2019 met het dubbelconcert akin dat Michel van der Aa schreef voor haar en violiste Patricia Kopatchinskaja, en in januari 2023 met Blochs Schelomo onder leiding van Klaus Mäkelä. Sol Gabetta bespeelt een van Matteo Goffriller (Venetië, 1730).





