New European Ensemble: Goebaidoelina en Pärt
New European Ensemble
Keren Motseri sopraan
Kai Rüütel mezzosopraan
Erik Slik tenor
Sofia Goebaidoelina (1931)
Pilgrims (2014)
voor viool, contrabas, piano en slagwerk
Sotto voce (2010/2013)
voor altviool, twee gitaren en contrabas
pauze ± 21.00 uur
Arvo Pärt (1935)
Stabat mater (1985)
voor drie hoge stemmen en strijktrio
einde ± 22.00 uur
Toelichting
Muzikale zoektocht
Door Maarten Beirens
Generatiegenoten zijn het, Arvo Pärt (1935) en Sofia Goebaidoelina (1931), die allebei hun hedendaags-klassieke compositiestijl zochten te midden van de artistieke beperkingen van de toenmalige Sovjet-Unie. Hun zoektocht naar een eigen muzikale expressie bracht hen allebei eerst naar modernistische technieken, waaruit ze uiteindelijk elk een heel persoonlijke stijl zouden ontwikkelen die in beide gevallen diep doordrongen is van spiritueel-religieuze tiek.
Zoals voor bijna alle componisten in de voormalige Sovjet-Unie verliep de carrière van Arvo Pärt als een moeizame zoektocht naar een eigen muzikale stijl. In zijn officiële werklijst experimenteerde Pärt eerst met seriële technieken en richtte hij zich daarna al snel op vrijere vormen en collagetechnieken. Na het Credo (1968), dat omwille van zijn religieuze inhoud door de autoriteiten verboden werd, en twee lange periodes van creatieve stilte, waarin hij onder meer oude muziek (Machaut, Ockeghem, Josquin) bestudeerde, kwam Pärt in de periode 1976-77 met een ware uitbarsting van werken waarin hij zijn sindsdien zo kenmerkende ‘tintinnabuli’-stijl neerzette (muziek die klinkt als klokjes – zie verderop in de tekst). Hiermee maakte hij wereldwijd furore – zij het met enige vertraging: hij breekt pas door nadat hij met zijn familie in 1980 Estland verlaat en naar het Westen trekt: eerst naar Wenen en daarna Berlijn.
Sofia Goebaidoelina volgde eenzelfde traject. In het midden van de jaren 1980 won ze snel aan bekendheid in het Westen en in 1992 vestigt ze zich uiteindelijk in Hamburg. Als haar muziek een religieus-mystieke sfeer oproept, wordt meestal verwezen naar haar Tataarse afkomst. Sjamanistische rituelen en Aziatische klanken nemen in haar ontwikkeling de plaats in van wat en Russisch-orthodoxe rituelen voor Pärt als inspiratie betekend hebben.
Na haar eerste muziekstudies in Kazan vervolledigde Goebaidoelina haar opleiding in Moskou, waar ze net als haar generatiegenoten Alfred Schnittke en Edison Denisov allerlei modernistische technieken verkende, die ondanks de strenge partijdoctrine oogluikend steeds meer werden toegestaan. Een belangrijke pleitbezorger van haar muziek in het Westen was de Letse violist Gidon Kremer, voor wie zij in 1980 het vioolconcert Offertorium componeerde. Met zijn verwijzingen naar Johann Sebastian Bach en Anton Webern is het concert een perfecte introductie tot Goebaidoelina’s stijl: verbonden met de traditie, scherp modernistisch van klank en gedragen door een spirituele geladenheid. Op dezelfde manier was het ook Kremer die aan de westerse kant van het ijzeren gordijn Pärts Tabula rasa introduceerde – zijn opname van dat werk in 1984 voor het ECM-label zou de start betekenen van Pärts plotse wereldwijde succes.
Arvo Pärt 1935
De drieklank van Pärt
Arvo Pärt componeerde het Stabat mater in 1985 voor drie stemmen (sopraan, alt en tenor) en drie strijkers (viool, en ), al zou hij er later ook een versie voor koor en orkest van maken. Het werk is een typisch voorbeeld van Pärts uiterst eenvoudige maar daardoor zo indringende compositietechniek, waarvoor hij zelf de benaming ‘tintinnabuli’ introduceerde.
Afgeleid van het Latijnse woord voor ‘kleine klok’ beschrijft het de indringende klank van Pärts muziek, waarin iedere toon van de gepaard gaat met een toon van een (niet veranderende) drieklank. Aan het ‘recept’ dat aan zijn muziek zo’n herkenbaarheid gaf, is echter niets spectaculairs, integendeel.
Pärt schept muziek die naar archaïsche elementen lonkt (met modi die je ook in het of renaissancemuziek vindt) en plaatst de drieklank, het aloude tonale ankerpunt bij uitstek, héél nadrukkelijk centraal. Toch klinkt zijn muziek niet reactionair. Ze volgt geen stereotiepe progressies en bouwt zelfs een heel eigen coherente logica op, schipperend tussen en en zeer opvallende milde en. Het klinkt tegelijk vertrouwd maar ook wat vreemd.
Sofia Goebaidoelina 1931
Goebaidoelina's modernisme
In Goebaidoelina’s muziek neemt vervreemding een veel prominentere plek in. Ongewone speeltechnieken, scherpe en en een doorgedreven gebruik van alle twaalf tonen getuigen van haar band met het modernisme. Zo klinkt Sotto voce als een compendium van alternatieve speeltechnieken – bij uitstek in de gitaarpartijen – en vormen de snel wisselende segmenten een divers en heterogeen klankbeeld.
Sotto voce is geschreven voor de ongewone combinatie van , contrabas en twee gitaren. Een voorkeur voor ongewone bezettingen is een constante in haar werk. Denk bijvoorbeeld aan de Duo Sonata voor twee ten, of aan ongebruikelijke instrumenten, zoals de bayan – een Russische – die in zoveel werken opduikt, of de ijle tonen van de flexatones – een ‘schudinstrument’ waarbij twee houten bolletjes tegen een metalen plaatje slaan; door het plaatje te buigen ontstaat een -effect zoals bij een zingende zaag – die aan Jetzt immer Schnee zo’n onwereldse klank meegeven.
In Sotto voce zoekt Goebaidoelina felle contrasten op – fluisterzachte passages met gitaristen die enkel over hun snaren wrijven kunnen naadloos overgaan in explosieve jazzy passages met een virtuoze contrabaspartij of een , versnipperd modernistisch klankbeeld. In Pilgrims voor viool, contrabas, piano en twee percussionisten is dat gegeven van variatie veel structureler uitgewerkt. Het stuk is een passacaglia – een variatiereeks op een plechtig dat het beeld oproept van een processie van pelgrims ‘die innerlijk naar iets heiligs zoeken’.
Dat thema wordt veertien keer gespeeld en telkens op een andere manier gevarieerd. Met de religieuze associatie van haar titel geeft Goebaidoelina aan hoe belangrijk de spirituele dimensie in deze muziek voor haar is. In haar eigen woorden beschrijft het werk niets minder dan een transcendente ervaring: ‘de tegenstelling tussen het lineaire verloop van het alledaagse en een verticale ervaring wars van ruimte en tijd’.
Biografie
Erik Slik, tenor
Erik Slik studeerde aan het conservatorium in Utrecht bij Henry Diemer en wordt momenteel gecoacht door Margreet Honig. In 2009 was hij onder de finalisten van het Christina Deutekom Concours.
Van 2012 tot in 2014 maakte Erik Slik als e tenor deel uit van het zangersensemble van Theater & Philharmonie Thüringen. Hier vertolkte hij rollen in ’s van Britten, Massenet, Sjostakovitsj en Lehár. Ook werkte hij mee aan een productie van de musical Anatevka.
Bij De Nationale in Amsterdam was Erik Slik te gast in uitvoeringen van werken van Wagner, Donizetti en Zimmermann; ook vertolkte hij hier de rol van Philippe le Beau in Rob Zuidams Rage d’amours.
Bij de Nederlandse Reisopera zong de tenor onder meer Don Basilio in Mozarts Le nozze di Figaro. In 2016 debuteerde hij in Zuid-Afrika, als Tamino in Die Zauberflöte van Mozart.
In de van Het Concertgebouw was Erik Slik meerdere keren solist bij de NTR ZaterdagMatinee en in zowel de Grote als de was hij eerder te beluisteren als lid van vocaal ensemble Frommermann, waarvan hij sinds 2014 deel uitmaakt.
Keren Motseri, sopraan
De Israëlische sopraan Keren Motseri studeerde aanvankelijk en biologie. Daarna voltooide ze een masteropleiding zang aan de Dutch National Academy. Ze ontwikkelde zich tot een veelgevraagd zangeres, met een repertoire dat reikt van composities uit de Renaissance tot en met hedendaagse muziek.
In de afgelopen jaren musiceerde de sopraan met gezelschappen als het Radio Filharmonisch Orkest, de Nederlandse Bachvereniging en Ensemble MusikFabrik. Met Asko|Schönberg werkte ze aan de voorstelling Beyond the Score: A Portrait of Pierre Boulez, opgevoerd tijdens het Holland Festival 2015. Met hetzelfde ensemble voerde ze ook de complete Pessoa-cyclus van Jan van de Putte uit onder leiding van Reinbert de Leeuw.
Op het toneel vertolkte Keren Motseri rollen bij onder meer de Koninklijke Muntschouwburg in Brussel en het Festival van Aix-en-Provence en bij de Nederlandse Reisopera was ze te horen in Wake van Klaas de Vries.
In de van Het Concertgebouw maakt Keren Motseri vandaag haar debuut.
Kai Rüütel, mezzosopraan
Kai Rüütel begon haar muzikale opleiding in haar geboorteplaats, de Estse hoofdstad Tallinn. Ze vervolgde haar studie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en aan de Dutch National Academy.
Van 2001 tot 2003 won ze driemaal achter elkaar het Estse Nationale Zangconcours en in 2009 werd Kai Rüütel opgenomen in het Jette Parker Young Artists Programme van de Royal Opera Covent Garden in Londen. Hier debuteerde ze met een rol in Prokofjevs De speler en zong ze vervolgens in opera’s als Manon van Massenet, Verdi’s La traviata en Hänsel und Gretel van Humperdinck.
Inmiddels was de mezzosopraan ook te gast in verschillende andere grote -huizen, waaronder die van Toulouse, Madrid, Dallas en Amsterdam.
In het huidige seizoen keert ze terug naar de Royal Opera Covent Garden en zingt ze bij de Nationale Opera van Estland de titelrol in Carmen van Bizet. Naast haar werk op het toneel geeft Kai Rüütel graag s en zingt ze partijen in vocaalsymfonische muziek.
In de van Het Concertgebouw maakt ze vandaag haar debuut.
Ensemble Black Pencil, koor
Ensemble Black Pencil kent een unieke bezetting en werd opgericht in 2010. In dat jaar debuteerde de groep in Het Concertgebouw, gevolgd door een uitgebreide tournee door Turkije in het kader van het project ‘Istanbul: European Capital of Culture’. Inmiddels traden de musici eveneens op in vele andere Nederlandse zalen en op podia in Duitsland, Ierland, Denemarken en Venezuela.
Binnen zijn programma’s combineert Ensemble Black Pencil avontuurlijke eigen arrangementen van oude muziek met nieuw repertoire. Inmiddels werden al zo’n tachtig nieuwe partituren aan de musici opgedragen, van componisten als Guus Janssen, Florian Magnus Maier, Roderik de Man en Chiel Meijering.
Naast de meer traditionele uitvoeringen richt Ensemble Black Pencil zich ook graag op grensverleggende concertvormen; zo combineerde het in het project Interior 123 livemuziek met virtual reality.
De meest recente cd van Ensemble Black Pencil, getiteld La volta, bevat muziek van onder anderen John Dowland, Thomas Morley, David Dramm, Oene van Geel en Klaas de Vries. De ensemblenaam is ontleend aan het programma waarmee het vijftal in 2010 debuteerde en dat was geïnspireerd door miniaturen van de vijftiende-eeuwse schilder Mehmet Siyah Kalem; de vertaling van ‘siyah kalem’ is ‘zwart potlood’.



