Nelsons en Boston Symphony Orchestra: Sjostakovitsj

Boston Symphony Orchestra 
Andris Nelsons dirigent
Baiba Skride viool

Dit concert maakt deel uit van de serie
Wereldberoemde Symfonieorkesten.

Het concert wordt mede mogelijk gemaakt door
Van Lanschot Kempen.

Leonard Bernstein (1918-1990)

Serenade (1954)
voor viool en orkest
Phaedrus – Pausanias: Lento – Allegro marcato
Aristophanes: Allegretto
Eryximachus: Presto
Agathon: Adagio
Socrates – Alcibiades: Molto tenuto – Allegro molto vivace

pauze (± 20.50 uur)

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Vierde symfonie in c kl.t., op. 43 (1935-36)
Allegretto poco moderato – Presto
Moderato con moto
Largo – Allegro

einde (± 22.10 uur)

 

Toelichting

Leonard Bernstein 1918-1990

Bernstein: Serenade

Door Michiel Cleij

Geen sollicitant kan tegenwoordig om de functie-eis ‘verbindend’ heen, maar Leonard Bernstein was dat al lang voordat die term trendy werd. Hij verbond klassiek met Broadway-musical, versoepelde religieuze muziek met popinvloeden, ontsloot de werelden van Mahler en Ravel voor kinderen en reisde als muzikaal ambassadeur de wereld rond.

Bernstein was een geboren show- en theaterman voor wie muziek bovenal een communicatiemiddel was. Niet alleen zijn musicals, maar ook zijn orkestcomposities moesten over mensen gaan – reden waarom hij zijn drie symfonieën niet kortweg nummerde maar inleefbare titels gaf. Evenzo was het geen optie om het hier gespeelde vioolconcert ‘Vioolconcert’ te noemen.

De titel verwijst naar de liefdesliederen die in vroeger tijden onder de balkons van aanbeden dames werden vertolkt; het woord is afgeleid van het Italiaanse ‘sera’ (avond). Voor Bernstein hoefden het niet per se dames te zijn, maar over de roman­tische aard van dit werk was hij eenduidig: hij componeerde het ‘in praise of love’.

Een specifiekere inspiratiebron, verklaarde hij, was Plato’s vertelling Symposium (‘Drinkgelag’) – en daarmee overspeelde de Grote Verbinder voor één keer zijn hand: het werk van de klassiek-Griekse filosoof behoort niet tot de parate kennis van de gemiddelde concertbezoeker. Plato voert zes personages op die tijdens een feestmaal één voor één een lofrede op de liefde houden, elk vanuit zijn eigen perspectief; een zevende spreker voegt zich als beschonken laatkomer bij hen.

Een elitair onderwerp, maar dat is de muziek absoluut niet. Bernstein blijft Bernstein en inhoudelijke kennis van de afzonderlijke speeches is niet noodzakelijk. Je hoort duidelijk een aantal verschillende, temperamentvolle karakters voorbij komen – en om die te benaderen had de componist Plato’s tekst eigenlijk niet eens nodig; een blik in de spiegel had volstaan.

Want, schrijft Humphrey Burton in zijn Bernstein-biografie, is in wezen een zelfportret: ‘Groots en edelmoedig in het eerste deel, kinderlijk in het tweede, uitbundig en speels in drie, kalm en teder in vier en in het vijfde deel een onheilsprediker die zich plots ontpopt als een jazzy beeldenstormer.’

Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975

Sjostakovitsj: Vierde symfonie

Weinig composities van Dmitri Sjostakovitsj zijn gevrijwaard van doem en wrange ondertonen, en de Vierde symfonie is geen uitzondering. Het is één van de meest historisch beladen werken die hij schreef; de eerste officiële lastercampagne tegen de componist en andere ‘intellectuelen’ was juist van start gegaan.

Het is ook een staalkaart van Sjostakovitsj’ hyper-expressieve stijl: hoekige lijnen, flirts met dansmuziek, ontsporende jes en een voortdurende hang naar overdrijving en karikatuur. Daarnaast getuigt hij hier voor het eerst openlijk van zijn waardering voor de symfonieën van Gustav Mahler. Al die kenmerken worden in dit werk extra uitvergroot door de gigantische bezetting: Sjostakovitsj verlangde ruim 130 musici.

Met zijn Tweede en Derde symfonie had Sjostakovitsj zich naar de Partij-ideologie gevoegd, in elk geval uiterlijk: ze eindigden met socialistische hymnes. Aan dat krediet kwam in 1936 een einde. Stalin zelf initieerde een lastercampagne tegen de componist, als onderdeel van een politieke schoonmaak onder de culturele elite.

Op zijn bevel publiceerde staatskrant Pravda het roemruchte artikel Chaos in plaats van muziek, waarin Sjostakovitsj’ recente Lady Macbeth van Mtsensk ‘staatsvijandig’ werd genoemd. Tot welke sancties dat kon leiden werd niet uitgespeld, maar was algemeen bekend; het was de tijd van nachtelijke arrestaties, martelingen en schijnprocessen.

Sjostakovitsj werkte op dat moment aan de Vierde symfonie – zijn meest ambitieuze tot dan toe. Hij moest alleen het slotdeel nog schrijven toen het gewraakte Pravda-artikel verscheen. De dreigende toon weerhield hem er niet van het werk te voltooien en de première te plannen.

De repetities met het van Leningrad verliepen niet soepel: orkest en hadden moeite met de complexiteit en de grillige stemmingswisselingen van de muziek. Kon een componist die toch al onder vuur lag zich veroorloven zulke subversieve muziek te schrijven? En vooral: in hoeverre kan een orkest zich daarmee inlaten? De meeste betrokkenen durfden het niet aan.

Het wrange is dat Sjostakovitsj met die eerste twee delen misschien had kunnen wegkomen, omdat ze met hun korte melodische frasen en mechanisch aandoende ritmiek heel goed in het Sovjet-verwachtingspatroon gekletst hadden kunnen worden: strijdbare muziek, industrieel, vol nieuw-Russische trots en – in deel twee – een soort voor het nodige contrast.

In de finale echter ontbreekt de mfantelijkheid waarmee een sovjet-symfonie diende te eindigen. Het is een treurmars, afgewisseld met spottende dansnummertjes – twee rechtstreeks van Mahler geleende stijlmiddelen. De geforceerde vrolijkheid culmineert in een bijna hysterische climax, waarna de energie uitdooft; de slotmaten behoren tot de somberste van het symfonische repertoire.

Tijdens één van de moeizame orkest­repetities verschenen sovjet-officials. Sjostakovitsj kreeg het ‘advies’ de première van de Vierde symfonie af te gelasten, wat hij deed. Pas in 1961, acht jaar na Stalins dood, ging het werk in première. Op 30 december dirigeer­­de Kirill Kondrashin de première in het conservatorium van Moskou.

Biografie

Boston Symphony Orchestra

Met zijn allereerste concert op 22 oktober 1881 maakte het Boston Symphony Orchestra de droom waar van zijn oprichter, Civil War-veteraan, zakenman en filantroop Henry Lee Higginson. Heden ten dage bereikt het orkest een miljoenenpubliek, niet alleen met zijn optredens in Boston, op het zomer­podium Tanglewood en tijdens (buitenlandse) tournees, maar ook via opnames, internet, radio, tv en educatie- en community­programma’s.

De aanvoerders van de verschillende ­instrumentgroepen vormen samen de Boston Symphony Chamber ­Players en het lichtere repertoire wordt gespeeld door het Boston Pops Orchestra. Al snel na de oprichting gaven beroemde en leiding aan het Boston Symphony Orchestra, onder wie Arthur Nikisch (1889-1893) en Pierre Monteux (1919-1924).

Het was echter Serge Koussevitzky, chef-dirigent van 1924 tot 1949, die de kwaliteit van het orkest tot grote hoogte wist op te stuwen. Sindsdien wordt het gezelschap gerekend tot de ‘big five’, de Amerikaanse orkesttopvijf – samen met de orkesten van New York, Chicago, Philadelphia en Cleveland.

In opdracht van Koussevitzky componeerde Stravinsky zijn Psalmensymfonie, Bartók zijn Concert voor orkest en Ravel zijn Pianoconcert in G groot; ook bijvoorbeeld Hindemith, Bernstein en Dutilleux kregen compositieopdrachten. Koussevitzky was tevens de grondlegger van het Tanglewood Music Festival, nog steeds een vermaarde zomercursus voor musici aan het begin van hun carrière.

Onder de latere grote chef-en waren Seiji Ozawa (1973-2002) en James Levine (2004-2011), de eerste in Amerika geboren dirigent van het Boston Symphony Orchestra. Sinds seizoen 2014/15 is Andris Nelsons chef-dirigent, en voor drie seizoenen met ingang van 2016/17 is Thomas Adès artistic partner van het orkest.

De vorige keer dat het Boston Symphony Orchestra in Het Concertgebouw te gast was, was op 6 september 2001 – toen speelde het orkest Debussy, Brahms en Martinů onder leiding van conductor emeritus (sinds 2004) Bernard Haitink.

Andris Nelsons, dirigent

Andris Nelsons was tist in het orkest van zijn geboortestad Riga ­voordat hij in 2001 naar Sint-Petersburg vertrok om directie te studeren bij ­Alexander Titov, gevolgd door privélessen bij Mariss Jansons. Hij werd achtereenvolgens chef-­ van de Letse Nationale Opera (2003-2007), de ­Nordwestdeutsche Philharmonie (2006-2009) en het City of ­Birmingham ­Symphony Orchestra (2008-2015).

Sinds seizoen 2014/2015 is Andris Nelsons ­music director van het Boston ­Symphony Orchestra en sinds februari 2018 ook Kapellmeister van het ­Gewandhausorchester Leipzig. Zijn twee orkesten werken verregaand samen, wat onder meer tot uiting komt in gezamenlijke cd-opnames.

producties leidde Andris Nelsons onder meer bij het Royal Opera House Covent Garden in Londen, de Wiener Staatsoper, de Metropolitan Opera in New York en de Bayreuther Festspiele. Als gastdirigent leidt hij gezelschappen als de Berliner en de Wiener Philharmoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en de New York Philharmonic.

Sinds augustus 2008 is Andris Nelsons bij het Concertgebouworkest een graag geziene gast: naast concerten in Amsterdam leidde hij het orkest veelvuldig op tournee. Bij de laatste samenwerking, in augustus 2020, stond Rachmaninoffs Tweede symfonie op de lessenaar.

Baiba Skride, viool

Baiba Skride groeide op in een muzikale familie in Riga en gaf haar eerste concert toen ze vijf jaar oud was. Haar muzikale opleiding genoot ze aan het conservatorium van Rostock, waar ze studeerde bij Petru Munteanu. In de beginjaren van haar carrière won de Letse violiste een reeks onderscheidingen, waaronder in 2001 de eerste prijs van het Koningin Elisabeth Concours. Rond dezelfde tijd jaar debuteerde ze bij het Residentie Orkest Den Haag, en bij dit gezelschap is ze in het huidige concertseizoen artist in residence.

Baiba Skride trad in de loop der jaren als solist op met tal van orkesten, waaronder het London Symphony Orchestra, de New York Philharmonic, het Orchestre de Paris, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, de Berliner Philharmoniker en het Concertgebouworkest.

Als kamermusicus vormt Baiba Skride een duo met haar zus, de pianiste Lauma Skride; bovendien richtten zij samen het Skride Kwartet op. Dit pianokwartet maakte onlangs zijn eerste cd, tourde afgelopen november in Australië en debuteerde afgelopen januari in de van Het Concert­gebouw. In de Eigen Programmering van Het Concertgebouw was Baiba Skride voor het laatst te beluisteren op 17 september 2018, toen ze met het Boston Symphony Orchestra onder leiding van Andris Nelsons de van Bernstein uitvoerde. Baiba Skride bespeelt de ‘Yfrah Neaman’-Stradivarius uit 1724.