Nederlands Kamerkoor zingt eerbetoon aan Arvo Pärt
Nederlands Kamerkoor
Tõnu Kaljuste dirigent
er is geen pauze
teksten gratis verkrijgbaar aan de zaal
Arvo Pärt 1935
The Woman with the Alabaster Box (1997)
The Deer’s Cry (2007)
Virgencita (2012)
Tribute to Caesar (1997)
Dopo la vittoria (1996-97)
Alleluia tropus (2008)
Jean Sibelius 1865-1957
Rakastava, op. 14 (1911-12)
Veljo Tormis 1930
Sinikan laulu (1991, rev. 1997)
Sügismaastikud (1964)
On hilissuvi
Ule taeva jooksevad pilved
Kahvatu valgus
Valusalt punased lehed
Tuul konnumaa kohal
Kulm sugisoo
Kanarbik
Laevas lauldakse (1983)
Raua needmine (1972, rev. 1991)
Toelichting
Arvo Pärt 1935
Koorwerken
Op 11 september is het tachtig jaar geleden dat Arvo Pärt werd geboren in Estland. Als componist beleefde Pärt een wedergeboorte – zo kun je dat gerust noemen – die zo’n veertig jaar later plaatsvond. Tot halverwege de jaren zestig was Pärt weliswaar uiterst productief, met een behoorlijke naamsbekendheid in de Sovjet-Unie (waar Estland destijds deel van uitmaakte), maar hij werkte toe naar een punt waarop hij volledig vastliep – alle muziek die hij nog zou kunnen schrijven beschouwde hij als futiel. Er volgde een zoektocht, of een geblinddoekt rondtasten, van enige jaren. Maar toen gloorde er licht en kon Pärt opnieuw beginnen als componist. Tegen alle heersende stromingen in vond hij, beïnvloed door vroege religieuze muziek, zijn heil in eenvoud. Hij bekeerde zich tot de orthodoxe kerk en de drieklank – waarvan elke serieuze twintigste-eeuwse componist zich juist met alle macht probeerde los te zingen. Pärt noemde zijn nieuwe compositietechniek ‘tintinnabulatie’, een door Edgar Allan Poe bedachte term waarmee de versmeltende naklank van bellen wordt bedoeld – sonoor en rijk aan . Voor Pärt waren de drieklank en zijn mogelijkheden wat betreft liggingen en omkeringen de ware bron van muzikale zeggingskracht: juist concentratie op eenvoud zorgt voor muzikale rijkdom.
De eenling Pärt vond met zijn benadering een wereldpubliek, zeker na zijn emigratie uit de Sovjet-Unie in 1980 en zijn vestiging in Berlijn in 1981. Zijn zoektocht naar eenvoud is ook een zoektocht naar weerklank bij de luisteraar. Dat zijn muziek daardoor per definitie toegankelijk is, betekent niet dat hij populariteit nastreeft. Concentratie op eenvoud is iets anders dan licht verteerbaar simplisme. Maar het onderscheid is subtiel en zo doet zich de paradoxale situatie voor dat de op de ziel gerichte kloostersfeer van Arvo Pärts muziek inmiddels een miljoenenpubliek bereikt. Het is niet zo dat Pärt zijn eerste periode heeft ‘onteigend’. Achteraf bezien beschouwt hij zijn muzikale ontwikkeling als een logisch proces.
The Woman with the Alabaster Box en Tribute to Ceasar zijn geschreven ter gelegenheid van het 350-jarig bestaan van het bisdom Karlstad, Zweden in 1997. De tekst van beide werken komt uit het evangelie van Mattheüs. Ook muzikaal hebben ze veel gemeen: harmonische gelaagdheid en lijnen contrasteren met elkaar op een manier die Pärt vaak toepast, maar hier gebeurt het vloeiender en eigenzinniger dan voorheen.
The Deer’s Cry is Pärts interpretatie van een dat Saint Patrick in 433 bedacht zou hebben. Samen met zijn volgelingen trok Patrick door een woud en al zingend veranderden de mannen in hertjes en ontkwamen zo aan een hinderlaag. Na een zacht golvende opbouw volgt een verrassende tonale neergang op de regels ‘Christ in every eye that sees me, Christ in every ear that hears me’.
Na een uitnodiging om naar Mexico te komen kreeg Pärt de Mexicaanse legende van de verschijning van de Maagd Maria aan Juan Diego niet meer uit het hoofd. Het vormde de inspiratie voor zijn Virgencita, een cadeautje aan het Mexicaanse volk. ‘Virgencita de Guadalupe, sálvanos.’ Maagdje van Guadelupe, red ons – het verkleinwoordje is liefdevol bedoeld. Het tien minuten durende Dopo la vittoria begint als , een passende vorm voor een compositieopdracht van de stad Milaan. De Italiaanse tekst beschrijft hoe het Te Deum als vanzelf opkwam in de hoofden van de heiligen Ambrosius en Augustinus tijdens de doop van Augustinus door Ambrosius. Samen barstten zij in zingen uit alsof ze het lied al jaren kenden. Het korte, uptempo Alleluia tropus is oorspronkelijk geschreven voor koor en acht ’s, op een Slavische kerktekst die gewijd is aan Sint Nicolaas (ja, dezelfde).
Jean Sibelius 1865-1957
Rakastava
In 2015 is het ook 150 jaar geleden dat een andere Noord-Europese componist ter wereld kwam: Jean Sibelius. Net als Arvo Pärt hanteerde hij een zeer persoonlijke componeerstijl, zij het in een ander, romantisch, idioom. Wereldberoemd zijn Sibelius-klassiekers als Finlandia en de Karelia , minder bekend is dat de Fin ook 21 koorwerken op zijn naam heeft staan. De eerste versie van Rakastava (‘De minnaar’) schreef hij op zijn 28ste, in hetzelfde jaar als de Karelia suite. Door de muzikale modernisten van de twintigste eeuw werd Sibelius verguisd, maar in 1984 verklaarde de Amerikaanse avant-gardecomponist Morton Feldman tijdens een lezing in Darmstadt: ‘The people you think are radicals might really be conservatives – the people you think are conservatives might really be radical,’ waarna hij Sibelius’ Vijfde symfonie begon te neuriën.
Veljo Tormis 1930
Koorkwerken
Ook een land- en generatiegenoot van Arvo Pärt, bereikte in 2015 een mijlpaal: op 7 augustus is componist Veljo Tormis 85 geworden. Hoewel hij minder massaal is doorgebroken dan Pärt, heeft Tormis grote internationale faam verworden met zijn koormuziek. Zijn vader was koordirigent en het geluid van samenklinkende stemmen maakte op de jonge Veljo een onuitwisbare indruk. Onderhand heeft hij in zijn lange componistenbestaan meer dan 500 koorliederen geschreven. De meeste daarvan zijn gebaseerd op traditionele Estse volksmuziek, de oeroude ‘regilaulud’. Tormis: ‘Ik maak geen gebruik van volksmuziek, de volksmuziek maakt gebruik van mij.’ Toen Estland nog onder Sovjetregime stond, was die volkse inslag de reden dat Tormis weinig van de autoriteiten te vrezen had. Blijkbaar zagen zij het Estse nationalisme over het hoofd dat ten grondslag lag aan Tormis’ inzet voor de rijke Baltisch-Finse muziektraditie. Als componist zoekt hij onbeschaamd een ‘natuurlijke’ schoonheid op. Dat is goed te horen in het stemmige Sügismaastikud (Herfstlandschappen) en in Sinikan laulu, oftewel Sinikka’s – een ontroerende, volksgetinte sopraanmelodie die zeer effectief wordt geruggesteund door het koor. Laevas lauldakse is Tormis’ zeemanslied en Raua needmine (Een vloek over het ijzer) een vervloeking van oorlogsgeweld met behulp van sjamanistische bezweringsformules.
Rolf Hermsen
Biografie
Tõnu Kaljuste, dirigent
Tõnu Kaljuste is afkomstig uit Estland en was de oprichter van onder meer het Estlands Filharmonisch Kamerkoor (1981), het Tallinn Kamerorkest (1993) en het Nargen Festival (2006). Daarnaast had hij een nauwe band met de Nationale van Estland en was hij chef-dirigent van zowel het Zweeds Radio Koor als het Nederlands Kamerkoor.
Als gastdirigent gaf Tõnu Kaljuste muzikaal leiding aan tal van gezelschappen, waaronder recentelijk het Scottish Chamber Orchestra, het Orkest van de Opera in Malmö en het Sloveens Kamerkoor en Orkest.
Tõnu Kaljuste is een bevlogen vertolker van nieuwe muziek uit eigen land, geschreven door onder anderen Erkki Sven Tüür, Veljo Tormis en Arvo Pärt. Recentelijk leidde Tõnu Kaljuste een nieuw muziektheaterwerk van laatstgenoemde componist. De werkte eveneens intensief samen met toondichters als Krzystof Penderecki, György Kurtág en Giya Kancheli.
Sinds 2010 geeft Tõnu Kaljuste les aan de Academie voor Muziek en Theater in Tallinn. Zijn vorige optredens in Het Concertgebouw zijn alweer een tijd geleden: in 2005 en 2006 dirigeerde hij in Het Zondagochtend Concert verschillende programma’s met het Groot Omroepkoor in de .
