Minnaar en De Vriend in individualistische Beethoven
Residentie Orkest
Jan Willem de Vriend dirigent
Hannes Minnaar piano
Franz Schubert 1797-1828
Ouverture in C gr.t., D 591, op. posth. 170 (1817) ‘im italienischen Stile’
Ludwig van Beethoven 1770-1827
Eerste pianoconcert in C gr.t., op. 15 (1798)
Allegro con brio
Largo
Rondo – Allegro scherzando
cadensen: Beethoven
pauze
Franz Schubert
Eerste symfonie in D gr.t., D 82 (1813)
Adagio – Allegro vivace
Andante
Menuetto: Allegro
Allegro vivace
Toelichting
Franz Schubert: 1797-1828
Ouverture in C gr.t., D 591, op. posth. 170 (1817)
Symfonieën van Schubert? Dat brengt onmiddellijk twee werken in herinnering. Allereerst die meest gespeelde en bekendste, de ‘Onvoltooide’ uit 1822 met maar twee delen. En dan de monumentale Symfonie in C groot, bijgenaamd de ‘Grote’, uit het jaar van Schuberts dood, 1828, door Robert Schumann ontdekt en geprezen om haar ‘hemelse lengte’. Beide behoren tot het ijzeren repertoire van en. Dat kan van de overige zes symfonieën van Schubert niet gezegd worden. Ze werden tot voor kort (en nog steeds) voorzien van het etiket ‘jeugdwerken’ of ‘respectabele debutantenstukken’. Dit programma sluit af met zo’n ‘jeugdwerk’, Schuberts eersteling, een experiment van een geniale jongen van zestien die Mozart van repliek wilde dienen.
Ouverture ‘im italienischen stile’
Maar het concert opent met een hommage aan Schuberts tijdelijke idool Gioacchino Rossini, de Italiaanse componist die op handen werd gedragen (maar ook verguisd) in het Wenen van rond 1820. Sinds 1816 stond het Weense publiek in de rij voor de voorstellingen van het rondreizende Italiaanse operagezelschap dat de zalen vulde met Rossini’s lichtvoetige klanken. Dertien jaar later ging nog Rossini’s laatste opera, Wilhelm Tell, en ebde de belangstelling langzaam weg. Franz Schubert onderbrak als twintigjarige zelfs het werk aan zijn Zesde symfonie om een paar stralende ouvertures in Rossini’s stijl op papier te storten. Eén daarvan is de Ouverture ‘im italienischen Stile’ uit 1817. Die toepasselijke titel werd bedacht door de uitgever die wel brood zag in de publicatie, zelfs nog in 1865, zevenentwintig jaar na Schuberts dood. Duidelijke knipogen naar Rossini zijn het droogkomische duet tussen klarinet en , de fraai geronde melodieën van fluit en hobo en het geleidelijk aanzwellende . Maar de langzame inleiding zou ook een werk van Haydn of Beethoven niet hebben misstaan.
Ludwig van Beethoven: 1770-1827
Eerste pianoconcert in C gr.t., op. 15 (1798)
In datzelfde Wenen beleefde Ludwig van Beethoven in 1795 een historisch jaar. In het Weense Burgtheater gaf hij voor het eerst in het openbaar een concert met eigen werk. Na zijn aankomst in Wenen, drie jaar eerder, was hij al te horen geweest in kleinere kring, in de deftige paleizen van adellijke kunstvrienden als Lobkowitz, Lichnowski en Razoemowski. Maar nu speelde hij voor het eerst voor een groot publiek. Op zijn vijfentwintigste. Beethoven speelde een eigen pianoconcert met orkest. Het laatste deel, het , had hij pas twee dagen eerder voltooid, en dat terwijl hij zich ziek voelde. En een dag voor de uitvoering moest hij tijdens de repetitie de pianopartij een halve toon hoger spelen omdat de piano te laag was gestemd, zo vertelt de anekdote. Het concert werd voor de Weners een veel besproken evenement. Sinds de dood van Mozart vier jaar eerder hadden zij niet meer zo’n begenadigd pianist gehoord. Het talent van deze vurige musicus werd breed uitgemeten in gesprekken en geschriften.
Het werk dat Beethoven destijds speelde was zijn Eerste pianoconcert in C groot. De solopartij improviseerde hij uit voor anderen volkomen onbegrijpelijke schetsen en veranderde hij bij iedere uitvoering. Pas in 1801 had het concert zijn definitieve vorm en verscheen het in druk. Maar Beethoven was er niet echt meer tevreden over. In zijn eerste tien Weense jaren was zijn ontwikkeling zo razend snel gegaan, dat hij van zijn twee eerste pianoconcerten vond: ‘Die reken ik niet tot mijn beste werken.’
Franz Schubert: 1797-1828
Eerste symfonie in D gr.t., D 82 (1813)
Vergeleken met Beethoven timmerde Schubert meer in het verborgene aan de weg in Wenen. In huiselijke kring speelde hij met zijn vader en broers Ignaz en Ferdinand strijkkwartetten en ’s van Haydn. En op het keizerlijk gymnasium, het Stadtkonvikt, had hij met medescholieren en liefhebbers symfonieën van Haydn en Mozart gespeeld en gaandeweg ook steeds meer eigen werken. Schubert woonde dan wel zijn leven lang in de belangrijkste muziekmetropool van Europa, hij speelde amper een rol in het openbare circuit. De vele muziek die wij nu van hem kennen, werd destijds door een kleine groep van trouwe vrienden en familieleden enthousiast ontvangen. Het enige openbare concert met muziek van Schubert was in 1827, een jaar voor zijn dood. En van zijn imposante oeuvre was bij zijn vroege overlijden slechts een tiende uitgegeven. Als enige openbare hommage aan Schubert verscheen in 1826 in de Allgemeine Musikalische Zeitung in Leipzig een lovend artikel over de Pianosonate in a klein.
Dit concert eindigt met een ‘jeugdwerk’, de Eerste symfonie uit 1813, het verbluffend inventieve werk van een jongen van zestien. De algemene teneur is dan wel charme en levendigheid, toch gapen in de langzame inleiding duistere afgronden. Schubert lijkt zich in zijn eersteling te bewegen in de driehoek tussen zijn grote voorbeelden Haydn, Mozart en misschien Carl Maria von Weber. Of hij al toegang had tot het oeuvre van Beethoven, is zeer de vraag. Maar Mozart is alom tegenwoordig. Zoals in de indrukwekkende inleiding en het aansluitende , dat wervelt als een levendige maar soms bewolkte scène van Mozart. Na het lange eerste deel volgt het e, gracieus deinende , met hier en daar vlagen van weemoed. Het is een al ongeremde uitbundigheid, met in het wonderen van kleur in de . Ook in de Finale lijkt Schubert een late zoon van Mozart. Zoals in het zachte maar levendige gewemel in het begin, voordat het forte losbarst. Maar ook verderop in het heerlijke vraag-enantwoordspel tussen strijkers en blazers en de spannende s. En niet te vergeten in het schakelen van naar , de clair-obscur-techniek die zo ongeveer Schuberts handelsmerk zou worden.
Clemens Romijn
Biografie
Jan Willem de Vriend, dirigent
Jan Willem de Vriend is sinds 2015 principal guest conductor bij het Orquestra Simfònica de Barcelona I Nacional de Catalunya. Sinds seizoen 2018/19 is hij ook vaste gastdirigent bij Orchestra National de Lille. Daarnaast is hij eerste gastdirigent bij de Stuttgarter Philarmoniker en artist in residence van het Stavanger Symfonie Orchestra. Tot voor kort was hij vaste bij het Residentie Orkest in Den Haag.
Jan Willem de Vriend werd als violist opgeleid aan de conservatoria van Amsterdam en Den Haag, maar ontwikkelde zich tijdens zijn studie tot orkestleider. Tussen 1982 en 2015 was De Vriend artistiek leider en violist van het door hem opgerichte ensemble Combattimento Consort Amsterdam. Dit ensemble, dat zich specialiseerde in muziek uit de periode 1600-1800, had een eigen serie in Het Concertgebouw en boekte successen over de hele wereld. Opmerkelijk waren de producties met werk van onder anderen Monteverdi, Händel, Telemann, Bach, Gassmann en Mozart.
Vanaf 2006 tot 2018 was Jan Willem de Vriend chef bij het Orkest van het Oosten. In 2013 en 2014 werd het orkest uitgenodigd door het festival van Sankt Moritz/Basel om respectievelijk Mozarts Don Giovanni en Rossini’s La gazetta uit te voeren in de regie van Eva Buchmann. Van 2008 tot 2013 was de Vriend vaste gastdirigent bij Het Brabants Orkest. Voor zijn onvermoeibare promotie van de klassieke muziek kreeg Jan Willem de Vriend in 2012 de Radio 4-prijs.
Als gastdirigent stond hij voor bijvoorbeeld het Konzerthaus Orchester Berlin, het NDR-Sinfonieorchester, het Tonhalle Orchester Zurich en het Belgian National Orchestra. Hij leidde het Concertgebouworkest meermaals sinds 2009, de laatste keer in Bachs Weihnachtsoratorium tijdens de Kerstmatinee van 2015.
Hannes Minnaar, piano
Hannes Minnaar werd internationaal bekend door zijn tweede prijs op het Concours de Genève (2008) en de derde prijs van het Koningin Elisabeth Concours (2010). In 2011 werd hij Borletti-Buitoni Trust Fellow, in 2012 won hij een Edison voor zijn debuut-cd (Rachmaninoff en Ravel) en in 2016 ontving hij de Nederlandse Muziekprijs.
Naast zijn pianostudie bij Jan Wijn en Ferenc Rados en masterclasses van Menahem Pressler was zijn studie bij Jacques van Oortmerssen van bepalende invloed.
Hannes Minnaar soleerde bij welhaast alle Nederlandse orkesten. In mei 2013 debuteerde hij bij het Concertgebouworkest met het Vierde pianoconcert van Beethoven onder leiding van Herbert Blomstedt.
In de coronaperiode bracht de pianist Nox uit, met de gelijknamige nieuwe cyclus van Rob Zuidam en werken van Schumann en Ravel. Ook ging hij op tournee met Bachs Goldberg-variaties; de opname daarvan kreeg onder meer een Diapason d’Or. Onder de hoogtepunten van seizoen 2022/2023 waren uitvoeringen en cd-opnames van de 24 Preludes en ’s van Sjostakovitsj, en van seizoen 2023/2024 de wereldpremière van het Concert voor luthéal en orkest van Jan-Peter de Graaff in de NTR ZaterdagMatinee.
Solorecitals verzorgt Hannes Minnaar wereldwijd en in 2019 deed hij dat voor het eerst in de . Zijn vorige solo-optreden in de was een Chopin op 13 juli 2023. Het Van Baerle Trio – in 2004 opgericht met violiste Maria Milstein en cellist Gideon den Herder – is voor de pianist een wezenlijk onderdeel van zijn muzikale bestaan.

