Middagconcert: Busch Trio speelt Dvořáks Dumky

Busch Trio:
Omri Epstein — piano
Mathieu van Bellen — viool
Ori Epstein — cello

Antonín Dvořák (1841-1904)

Pianotrio in e kl.t., op. 90 (1890-91) ‘Dumky’
Lento maestoso – Allegro
Poco adagio – Vivace
Andante – Vivace non troppo
Andante moderato – Allegretto scherzando – Allegro
Allegro
Lento maestoso – Vivace 

Maurice Ravel (1875-1937)

Pianotrio in a kl.t. (1914)
Modéré
Pantoum: Assez vif
Passacaille: Très large
Finale: Animé

er is geen pauze
einde ± 15.05 uur
 

Dit concert wordt mede mogelijk gemaakt door KPN.

Toelichting

Antonín Dvořák (1841-1904)

‘Dumky’-trio

Door Anneloes Brand

Antonín Dvořák componeerde zijn vierde , het Pianotrio in e klein, 90 tussen november 1890 en februari 1891. Violist Ferdinand Lachner, cellist Hanuš Wihan en de Tsjechische componist zelf aan de piano voerden het op 11 april 1891 voor het eerst uit in Praag tijdens een concert waarbij Dvořák een eredoctoraat van de Karelsuniversiteit ontving.

Het werk raakte zo geliefd, dat Dvořák het ook speelde tijdens zijn veertig (!) afscheidsconcerten in eigen land, voordat hij in 1892 naar de Verenigde Staten vertrok om directeur van het National Conservatory of Music of America in New York te worden. Bij de publicatie in 1894 controleerde Dvořáks collega en vriend Johannes Brahms de proefdruk van het pianotrio, aangezien de componist zelf in Amerika was. 

Het  in e klein bestaat niet uit de destijds gebruikelijke vier delen, maar uit zes ‘dumky’ – vandaar de bijnaam. ‘Dumky’ is het meervoud van ‘dumka’, het verkleinwoord van ‘duma’, een Oekraïense epische ballade.

Net als sommige andere Oost-Europese componisten maakte Dvořák van de ‘dumka’ een vorm waarin langzame, melancholieke ‘vertellingen’ worden afgewisseld met snelle Slavische dansen. Deze variatie in zwaarmoedige en lichte passages én de kleurrijke volkse ën en dansen vormen ongetwijfeld de verklaring voor het blijvende succes van het ‘Dumky’-.

Ravel: Pianotrio

Maurice Ravel had een fascinatie voor voorbije tijden, voor de en de . Hij hield van het tijdperk van de klare lijnen en heldere contouren waarin Joseph Haydn en Wolfgang Amadeus Mozart leefden en keek bij het componeren dan ook veel om, ook verder terug naar François Couperin en Jean-Philippe Rameau.

Verder reisde hij in gedachten regelmatig naar zijn geboorteplaats Ciboure in Frans Baskenland, het schilderachtige vissersplaatsje nabij de Spaanse grens met uitzicht op de Pyreneeën. Spanje en Baskenland werden vele malen door de componist ‘bezongen’.

Dat alles is goed hoorbaar in zijn , dat hij voltooide in 1914 toen de Eerste Wereldoorlog was uitgebroken. Bij zijn Pianotrio moest Ravel toegeven dat de componist Camille Saint--Saëns hem geïnspireerd had, hoewel hij soms wat smalend over zijn oudere landgenoot kon doen. De twee componisten zochten beiden aansluiting bij het verleden, bij traditionele vormen en technieken.

Veelzeggend is daarom dat Ravel zijn stuk opdroeg aan André Gédalge, docent en aan het Parijse conservatorium. In het eerste deel brengt de piano eerst het karakteristieke Baskische van het eerste , even later vergezeld door viool en , die in wijd uiteenliggende octaven spelen, zoals wel vaker bij Ravel. De curieuze titel van het tweede deel, Pantoum, is ontleend aan een Maleisische vierregelige dichtvorm die de Franse schrijver Victor Hugo ook gebruikte in zijn dichtbundel Les Orientales (1829).

Ravel gebruikte de versconstructie in dit tweede deel, dat een soort en vormt en daarmee refereert aan de Weense Klassieken. Een groet aan de is de Passacaille, een thema van acht maten gevolgd door negen ingenieuze variaties. In de Finale klinkt een variant van het hoofdthema van het eerste deel. Het achtige karakter van de piano en de dragende strijkersklank creëren een sfeer waarin meteen de hand van Ravel te horen is.  

Biografie

Busch Trio, trio

Het Busch werd geformeerd in 2012 aan het Royal College of Music in Londen door de Nederlandse violist Mathieu van Bellen en de Israëlische broers Ori en Omri Epstein. Destijds waren de drie aspirant-­solisten, maar hun gedeelde passie voor kamermuziek werd hun sterkste band.

Ze vernoemden hun ensemble naar Adolf Busch, op wiens voormalige instrument, een Guadagnini uit 1783, Mathieu van Bellen speelt. Busch (1891-1952) is een voorbeeld voor het trio; ook de keuze om op darmsnaren te spelen weerspiegelt een diepe waardering voor de esthetiek van de grote musici van begin twintigste eeuw. Vormend waren ook een ­periode aan de Koningin Elisabeth Kapel in ­Brussel en lessen van Eberhard Feltz, András Schiff en het Artemis Quartett.

 In 2016 kreeg het Busch de Kersjesprijs. Het maakte zijn ­opwachting in Bozar en Flagey in Brussel, het ­Théâtre des Champs-Elysées in Parijs, het South Bank Centre en ­Wigmore Hall in Londen, het Beethoven-Haus Bonn en het ­Konzerthaus Wien. Ook was het te gast op het Edinburgh Festival, tourde het in China en de Verenigde Staten (onder meer afgelopen najaar) en voerde het met Varsovia onder ­leiding van Karina Canellakis ­Beethovens Tripel­concert uit.

Na de debuut-cd met pianotrio’s van Dvořák verschenen albums met diens pianokwartetten (met altviolist Miguel da Silva) en -etten (met Da Silva en violiste Maria Milstein) en met werken van Schubert respectievelijk Ravel en Sjostakovitsj. Afgelopen najaar verscheen de eerste van uiteindelijk vijf cd’s met de complete pianotrio’s van Beethoven. Het Busch Trio debuteerde in de op 14 februari 2016 en speelde er voor het laatst in oktober 2023.