Meesterpianisten in de Kleine Zaal: Lukáš Vondráček
Lukáš Vondráček piano
pauze ca. 21.05 uur
einde ca. 22.05 uur
Dit concert maakt deel uit van de serie Meesterpianisten in de Kleine Zaal.
Franz Schubert 1797-1828
Sonate in Bes gr.t., D 960 (1828)
Molto moderato
Andante sostenuto
Scherzo: Allegro vivace con delicatezza – Trio
Allegro ma non troppo
pauze
Robert Schumann 1810-1856
Arabeske in C gr.t., op. 18 (1839)
Carnaval, op. 9 (1834-35)
‘Scènes mignonnes sur quatre notes’
Préambule: Quasi maestoso – Animato
Pierrot: Moderato
Arlequin: Vivo
Valse noble: Un poco maestoso
Eusebius: Adagio
Florestan: Passionato
Coquette: Vivo
Réplique, Sphinxes: L’istesso tempo
Papillons: Prestissimo
A.S.C.H.- S.C.H.A. (Lettres dansantes): Presto
Chiarina: Passionato
Chopin: Agitato
Estrella: Con affetto Reconnaissance
Pantalon et Colombine: Presto
Valse allemande: Molto vivace
Intermezzo: Paganini
Aveu: Passionato
Promenade: Con moto
Pause: Vivo
Marche des Davidsbündler contre les Philistins: Non allegro – Animato – Vivo – Animato molto più stretto
Toelichting
Franz Schubert 1797-1828
Schubert: Sonate in bes groot
Door Sabien van Dale
Zo’n anderhalve maand voor zijn dood schreef Franz Schubert zijn drie laatste s (D 958-60) voor klavier. Hij had de intentie om ze op te dragen aan Johann Nepomuk Hummel. Bij de eerste publicatie, pas tien jaar later, was Hummel inmiddels overleden en besliste de uiteindelijke uitgever Diabelli om de opdracht te wijden aan Robert Schumann.
Het eerste wat opvalt aan Schuberts laatste pianosonate is de lengte. De proporties van de delen onderling zijn bovendien zeer ongelijk. Misschien is daardoor de erkenning lang uitgebleven. Hoe vaak is Schubert niet aangewreven dat hij zou tekortschieten als het om beheersing van grote structuren ging. Hij conformeerde zich nooit ten volle aan het keurslijf van de klassieke vormentaal.
En ja, de componist spreekt al vanuit de eerste maten van de in Bes groot. De piano zingt met een eenvoud waarvan moeilijk te zeggen valt waar ze begint en waar ze eindigt. De tijd lijkt stil te staan in een universum waar alles zich herhaalt en zich tegelijk in telkens wisselende kleuren hernieuwt.
De lyriek meandert ruim twintig minuten lang, maar krijgt zelden kans tot volle ontwikkeling te komen. Geen tot op de bodem uitgewerkte ’s maar veeleer -poëtische suggesties, keer op keer onderbroken door onverwachte stiltes en onderbrekingen door een lugubere triller in de basnoten.
De structuur – die wel degelijk aanwezig is! – verloopt niet volgens het boekje. Je wordt als luisteraar meegenomen in een spel van licht en wolken. Hun nu eens zachte, lange, dan weer grillige, scherpe of zware schaduwen zorgen voor onrust en spanning. Deze ambiguïteit vormt de essentie van de hele sonate.
De aanzet van het klinkt als de aarzeling van iemand die een pijnlijke boodschap moet meedelen en niet weet hoe te beginnen. De sfeer transformeert via onwezenlijke ongrijpbaarheid en ingetogen tragiek naar de golvende beweging van een nachtelijke , om ten slotte te eindigen als een vreedzame hymne.
De gewichtloze precisie van het is die van een kwetsbare vlinder die een kort leven is beschoren, zich van geen onheil bewust. Een kort middendeel glijdt even af naar de zoete herinnering van een .
Het ma non troppo is een . Dit laatste deel, met zijn humor, dramatiek en uitgesproken thematische uitwerking, is beethoveniaans van opzet. De zoekende tweestrijd van de begindelen is volledig weggeëbd om plaats te maken voor een slot in grandeur en, na veel schroom, een climax waarmee Schubert zijn naam eindelijk in grote letters lijkt te willen vereeuwigen.
Robert Schumann 1810-1856
Schumann: Arabeske
Door Sabien van Dale
De eerste drieëntwintig werken van Robert Schumann zijn zonder uitzondering voor piano geschreven. Na zijn huwelijk verbindt hij nog louter sporadisch zijn inspiratie aan het soloklavier.
De Arabeske in C groot is opgedragen aan Friederike Serre, echtgenote van een Weense majoor. Het koppel begunstigde Schumann toen hij in Wenen belandde, depressief door de ontgoochelingen in zijn professionele carrière en vooral door het gemis van Clara Wieck.
Haar vader, pianoleraar Friedrich Wieck, verzette zich met alle middelen tegen hun relatie. Tijdens die ongelukkige maanden van 1838-39 waarin de geliefden uit elkaar werden gehouden, bood muziek de enige weg tot communicatie.
Na Kinderszenen en Kreisleriana, bundels waarin hij zijn persoonlijke ervaringen gestalte gaf, schreef Schumann de Arabeske: een kort werkje in vorm, met een eenvoudig refrein, twee contrasterende episodes en een reflectief .
De technische eenvoud en de keuze van de C groot zijn een rechtstreeks gevolg van Schumanns interesse in de geschriften van Christian Schuburt over muzikale esthetiek. Daarin wordt C groot geassocieerd met kinderlijk en simpel.
De term ‘arabeske’ duidt niet op opulente versieringen maar eerder op een vloeiende opeenvolging van poëtische gedachten. Absolute eenvoud als remedie tegen verdriet.
Robert Schumann 1810-1856
Schumann: Carnaval
Door Sabien van Dale
Het etaleren van technische limieten was voor Schumann nooit het voornaamste doel. Hij zag het klavier als middel om zijn ideeën en gevoelens uit te drukken en zijn innerlijke verscheurdheid kenbaar te maken.
Geen enkel werk illustreert dit beter dan het in 1834-35 geschreven Carnaval. Zoek geen gedegen vormopbouw of theoretisch plan. Deze bonte verzameling korte pianostukjes danst voorbij als een stoet feestende droomgestalten: de vrouwen die zijn hart in verwarring brengen, de kunstenaars die hij bewondert (Frédéric Chopin, Niccolò Paganini), en de traditionele commedia dell’arte-figuren die op geen enkel carnavalsfeest mogen ontbreken.
Vertederende scènes zijn het (‘scènes mignonnes’), opgebouwd uit vier noten: a, es, c en b (in het Duits a-es-c-h), die als symbolische klankmotieven een centrale plaats in het stuk innemen. In de letters zit Schumanns naam verscholen, en ook de naam van het Oost-Duitse stadje Asch. Het is de geboorteplaats van Ernestine von Fricken, aan wie het werk is opgedragen. Schumann ontmoette haar in het huis van zijn toekomstige verloofde (hij was op dat moment nog niet verliefd op Clara Wieck).
De carnavalsstoet gooit overmoedig de deuren open naar een glansrijke zaal. Een weelde van licht, kleur en muziek stemt alle harten vrolijk. Al gauw verschijnt Pierrot, met in zijn kielzog Arlequin. Achter elk feest en iedere potsierlijke verkleedpartij schuilt immers iets droevigs. Men vindt er naast dansers (Valse noble, Lettres dansantes, Papillons, Valse allemande) ook dromers.
Schumann stelt zichzelf voor als dromer via zijn alter ego Eusebius. Onmiddellijk duikt ook zijn tweede alter ego, Florestan, op, het masker van de dwepende, hartstochtelijke Schumann. Hij portretteert zichzelf onder de pseudoniemen die hij afwisselend als muziekcriticus in zijn Neue Zeitschrift für Musik aanwendde. Daarna volgt een smekend vraag- en antwoordspel tussen een vlinderende ‘Coquette’ en een onbekende ‘Réplique’.
Een ontmoeting met Chiarina krijgt een onweerstaanbaar elan. Het is het koosnaampje van de dan nog piepjonge Clara Wieck, die later zijn vrouw zal worden. Ietwat profetisch staat boven de noten ‘passionato’.
Maar ook Estrella verschijnt, alias voor Ernestine von Fricken – het meisje dat Schumann bijna gehuwd had, was Clara daar niet geweest. In Reconaissance worden de maskers afgelegd. Dansend gaan de personages verder.
Pantalon en Colombine kiezen het tempo van een lichte Duitse . Smachtend klinkt de Valse allemande. In een duizelingwekkende draaikolk scheert de demonische figuur van vioolvirtuoos Paganini voorbij. Het gecondenseerde Aveu is de bekentenis van een verlegen minnaar.
Na een burgerlijke wandeling door de zuilengangen (Promenade) en een verwachtingsvolle Pause, treedt de stoet van Davidsbündler aan. Dit imaginaire genootschap van mannen van de nieuwe muziek, die de strijd aanbinden tegen de Filistijnen (oudbakken geesten die kritiek uitoefenen en leeghoofdige virtuozen) was door Schumann in zijn literaire geschriften gecreëerd. Hier beëindigen ze mfantelijk deze merkwaardige carnavalsparade.
Biografie
Lukáš Vondráček, piano
Lukáš Vondráček gaf zijn eerste publieke optreden op vierjarige leeftijd. Toen hij vijftien was, in 2002, debuteerde hij bij het Tsjechisch Filharmonisch Orkest onder leiding van Vladimir Ashkenazy. In 2003 maakte de Tsjechische pianist zijn eerste tournees naar de Verenigde Staten en Japan.
Lukáš Vondráček volgde zijn muzikale opleiding in Katowice en Wenen. Aan het New England Conservatory in Boston studeerde hij in 2012 af bij Hung-Kuan Chen. Hij won verschillende onderscheidingen, waaronder de eerste prijs van het Koningin Elisabeth Concours 2016. Dit leidde tot een reeks prestigieuze engagementen.
In het huidige seizoen debuteert hij als solist bij onder andere het Tokyo Metropolitan Symphony Orchestra en het Nederlands Philharmonisch Orkest en keert hij terug bij het Baltimore Symphony Orchestra en het Oslo Filharmonisch Orkest. Voor het geven van s reist Lukáš Vondráček dit jaar naar bijvoorbeeld het Wiener Konzerthaus, de Philharmonie in Luxemburg en het Louvre in Parijs.
Het debuut van Lukáš Vondráček in de van Het Concertgebouw dateert van de Pianoserie van seizoen 2005/06. In de debuteerde hij tijdens de Robeco Zomerconcerten 2004 met het Pianoconcert van Dvořák met het Vlaams Radio Orkest.
