Meesterpianisten in de Kleine Zaal: Lucas Jussen

Lucas Jussen piano

Dit concert maakt deel uit van de serie Meesterpianisten in de Kleine Zaal.

Ludwig van Beethoven (1770-1827)

Achtste sonate in c kl.t., op. 13 (1797-98) ‘Pathétique’
Grave – Allegro di molto e con brio
Adagio cantabile
Rondo. Allegro

Sonate nr. 31 in As gr.t., op. 110 (1821-22)
Moderato cantabile molto espressivo
Allegro molto
Adagio, ma non troppo – Fuga: Allegro, ma non troppo

pauze ± 20.55 uur

Claude Debussy (1862-1918)

Pour le piano (1894-1901)
Prélude
Sarabande
Toccata

Maurice Ravel (1875-1937)

Sonatine (1903-05)
Modéré
Mouvement de menuet
Animé

Franz Liszt (1811-1886)

Zwei Konzertetüden, S. 145 (1862-63)
Waldesrauschen
Gnomenreigen

Richard Wagner (1813-1883)/Franz Liszt (1811-1886)

Isoldes Liebestod (1867)

einde ± 22.10 uur

Toelichting

Muziek met een verhaal

Door Anneloes Brand

Lucas Jussen is een musicus die iets te vertellen heeft en dat komt mooi uit in dit met ‘verhalende’ pianocomposities. Eerst zijn de vertelsels nog niet zo letterlijk. Het ging Beethoven in zijn Achtste veeleer om het overbrengen van emoties of stemmingen, hetgeen zijn uitgever inspireerde tot de bijnaam ‘Pathétique’ (‘roerend’). Zijn (een-na-laatste) Sonate nr. 31 in As groot is al even expressief. De impressionisten Debussy en Ravel waren meesters in het schilderen met toonkleuren en betrokken bovendien regelmatig buitenmuzikale associaties bij hun muziek. Tot slot komt Liszt, de ‘uitvinder’ van de , aan het woord.

Beethoven: Achtste sonate, ‘Pathétique’

Nadat Ludwig van Beethoven in 1792 van Bonn naar Wenen was verhuisd, was de jonge pianist-componist in hoge mate afhankelijk van de genegenheid en gunsten van adellijke beschermheren. Prins Karl von Lichnowsky was een van hen. Als dank voor de gulle gaven droeg Beethoven diverse composities, waaronder de Achtste sonate in c klein, aan hem op. Uitgever Hoffmeister publiceerde de expressieve sonate in 1799 passend als ‘Grande Sonate Pathétique’, en die naam bleef hangen.

Het succes­volle werk toont Beethovens ­compo­­sitorische vaardigheid en groeiende persoonlijke stijl. Het intense eerste deel – met een vragende introductie, die een paar keer terugkeert, zodat het een substantiële bouwsteen van de muziek is – bevat plotselinge ­dynamische veranderingen en dramatische pauzes, die weldra als ‘typisch beethoveniaans’ zouden worden bestempeld. Het uze, sonore langzame deel herstelt de rust. Het slot- lijkt luchthartig, maar bevat een melancholieke ondertoon. De vragende len aan het eind krijgen een ferm antwoord.

  • Ludwig van Beethoven

Beethoven: Sonate nr. 31

Toen Beethoven in de ­vroege jaren 1820 zijn laatste piano­s schreef, was hij gehavend door ziekte en emotionele trauma’s. Sociale omgang met de dove, knorrige componist was moeizaam en ook in zijn muziek keerde hij zich steeds meer naar binnen. Zoals bij vele late werken van Beethoven het geval is, wisselen in de Sonate nr. 31 in As groot passages van grote tederheid en bezinning af met uitbarstingen van rauwe energie en emoties. Het e eerste deel is rustige, bijna serene muziek. Het molto is een studie in gesyncopeerde s, vol blijmoedige verrassingen. Het originele derde deel opent met een innig , leidend naar een nog treuriger ‘Arioso dolente’. Zonder pauze volgt dan de tische finale, waarin de donkere stemming uiteindelijk omslaat in optimisme.

Debussy: Pour le piano

In 1901 bewerkte Claude Debussy zijn sarabande uit 1894 (oorspronkelijk getiteld Souvenir du Louvre uit Images oubliées), voegde er twee stukken aan toe en noemde de drie­delige simpelweg ‘Voor de piano’. Het briljante, virtuoze, karaktervolle Pour le piano doet zowel bekend als exotisch aan, met knipogen naar Franse voorgangers (zoals Rameau), maar ook invloeden van bijvoorbeeld Javaanse gamelanmuziek.

De Prélude begint met een gehamerd in de bas, gevolgd door een lange passage over een punt (een lang aangehouden toon). Wanneer het thema terugkeert, nu met fortissimo en in beide handen, wordt het vergezeld door ’s, die Debussy wilde laten klinken als ‘d’Artagnan die zijn zwaard trekt’. De Sarabande, gemarkeerd ‘met een langzame en plechtige elegantie’, zou volgens de componist ‘als een oud portret in het Louvre’ moeten zijn.

Kunstcriticus Émile Vuillermoz meende dat Debussy het werk speelde ‘met de ongecompliceerde eenvoud van een bekwame danser uit de zestiende eeuw’. Het klinkt inderdaad oud en modern tegelijk. Pour le piano besluit met een levendige Toccata.

Ravel: Sonatine

In 1903 componeerde Maurice Ravel het eerste deel van een sonatine voor een compositiewedstrijd georganiseerd door het tijdschrift Weekly Critical Review. Het blad ging failliet en de wedstrijd werd geannuleerd, maar in 1905 schreef Ravel de overige twee delen en droeg hij zijn Sonatine op aan de beeldhouwer Cyprien Godebski en zijn vrouw Ida. In hetzelfde jaar liet hij het werk uitgeven door Jacques Durand.

Hoewel Ravel zijn werk ‘sonatine’ noemde en niet ‘’, heeft de naam meer te maken met de beperkte lengte van het werk dan met een eenvoudiger structuur of lagere moeilijkheidsgraad. Kort na de première in Lyon in 1906 schreef Ravel zelfs dat hij weliswaar blij was met de goede ontvangst, maar dat hij ook vreesde dat zijn nieuwe werk een beetje te moeilijk was. Zelf nam Ravel een pianorol op met de eerste twee delen en liet hij het duizelingwekkende derde deel achterwege, en ook tijdens zijn concerttournees door Europa en de Verenigde Staten in de jaren twintig speelde hij vaak alleen de eerste twee delen.

Liszt: Zwei Konzertetüden

Franz Liszt schreef zijn Zwei Konzertetüden in 1862 voor de pianomethode Große theoretisch-praktische Klavierschule van Sigmund Lebert en Ludwig Stark. Hij liet het werk ook apart publiceren in 1863 en droeg het op aan zijn sterleerling Dionys Pruckner.

  • Richard Wagner in 1861

De twee s, ‘Waldesrauschen’ en ‘Gnomenreigen’, zijn zoals gebruikelijk bij Liszt technisch uitdagende werken, maar bovenal fantasievolle muzikale gedichten. De eerste, een oefening in de gelijke uitvoering van herhalende begeleidingsfiguren, verbeeldt het geruis van takken en bladeren in een bos op een mooie, maar winderige zomerse dag. De tweede, een etude voor vingervlug , neemt ons mee naar een sprookjesachtige wereld, waar dwergen een opzwepende dans uitvoeren.

Wagner/Liszt: Isoldes Liebestod

Behalve een belangrijke figuur voor de ontwikkeling van was Liszt een groot voorvechter van muziek van andere componisten: hij transponeerde een flink aantal werken tot pianocomposities, die hij (aanvankelijk) tijdens zijn concerten ten gehore bracht. Zo bewerkte Liszt bijvoorbeeld het slotdeel uit Wagners Tristan und Isolde.

In de jaren 1850 was Richard Wagner steeds meer geobsedeerd geraakt door de middeleeuwse vertelling over Tristan en Isolde en hun onmogelijke liefde (Isolde is verloofd met koning Mark, die Tristan heeft gezworen eeuwig te zullen dienen). Dit had misschien wel iets te maken met het feit dat hijzelf – alhoewel getrouwd met Minna – smoorverliefd was geworden op Mathilde Wesendonck, de echtgenote van zijn beschermheer.

Wagner voltooide zijn Tristan und Isolde in 1859. Het duurde nog zes jaar voordat de opera in première kon gaan, maar in de tussentijd liet Wagner wel alvast de ouverture en de slotscène, die bekend werd als ‘Liebestod’, in de concertzaal uitvoeren. Twee jaar na de operapremière bewerkte Liszt de ‘Liebestod’ voor piano. Woorden zijn hier overbodig: de muziek verklankt de onderdrukte, niet-erkende liefde tussen Tristan en Isolde, die slechts vervuld kan worden in de dood.

Biografie

Lucas Jussen, piano

Lucas Jussen debuteerde toen hij negen was in de van Het Concertgebouw, als solist bij Camerata Amsterdam. In 2006 deelde hij tijdens het Prinsengrachtconcert het podium met Lang Lang. Net als zijn jongere broer Arthur studeerde hij bij Jan Wijn, Ton Hartsuiker en Maria João Pires. Daarna was hij in de leer bij Menahem Pressler in de Verenigde Staten en bij Dmitri Bashkirov in Madrid.

Samen wonnen Lucas en Arthur Jussen vele prijzen, waaronder in 2011 de allereerste Concertgebouw Young Talent Award. Naast hun talloze s – als duo of afzonderlijk – traden ze op met nagenoeg alle Nederlandse orkesten maar ook met bijvoorbeeld het Dallas Symphony Orchestra en het Hong Kong Philharmonic Orchestra onder leiding van Jaap van Zweden, het Mariinski Orkest en orkesten in Sydney en Sjanghai.


In 2012 maakten de broers hun debuut bij het Concertgebouworkest, en bij het Nederlands Philharmonisch Orkest/Nederlands Kamerorkest was Lucas Jussen in 2015/16 artist in residence. In het vorige concertseizoen speelden de broers bij onder meer The Philadelphia Orchestra onder leiding van Yannick Nézet-Séguin, het City of Birmingham Symphony Orchestra, het Vancouver Symphony Orchestra en het Münchener Kammerorchester.

Voor drie seizoenen zijn ze ‘Junge Wilde’ bij het Konzerthaus Dortmund en vorige maand tourden ze door Japan en Singapore. Inmiddels brachten de broers Jussen zes veelgeprezen cd’s uit. Hun debuutalbum uit 2010 met werken van Beethoven behaalde meteen al de platinastatus en kreeg de Edison Klassiek Publieksprijs.