Meesterpianisten in de Kleine Zaal: Anna Tsybuleva
Anna Tsybuleva piano
Dit concert maakt deel uit van de serie Meesterpianisten in de Kleine Zaal.
Dit concert wordt mede mogelijk gemaakt door Evi van Lanschot.
Frédéric Chopin (1810-1849)
Polonaise in fis kl.t., op. 44 (1841)
Drie mazurka’s, op. 59 (1845)
Mazurka in a kl.t.
Mazurka in As gr.t.
Mazurka in fis kl.t.
Nocturne in c kl.t.
uit ‘Deux nocturnes’, op. 48 (1841)
Nocturne in Es gr.t.
uit ‘Deux nocturnes’, op. 55 (1842-44)
Eerste ballade in g kl.t., op. 23 (1835)
pauze ± 21.00 uur
Jean-Philippe Rameau (1683-1764)
L’Égyptienne
Les trois mains
uit ‘Nouvelles suites de pièces de clavecin’ (1729-30)
Le rappel des oiseaux
uit ‘Pièces de clavecin’ (1724)
Claude Debussy (1862-1918)
Voiles
Ce qu’a vu le vent d’ouest
Le fille aux cheveux de lin
Sérénade interrompue
Minstrels
uit ‘Préludes I’ (1910)
La puerta del vino
Général Lavine – eccentric
Feux d’artifice
uit ‘Préludes II’ (1911-13)
L’isle joyeuse (1903-04)
einde ± 22.25 uur
Toelichting
Franse klanken
Door Anneloes Brand
Anna Tsybuleva dompelt ons onder in Franse klanken. De eerste concerthelft is voor de als Pools pianowonder geboren Fryderyk Franciszek Chopin, die zich later verfranste tot Frédéric (François) Chopin. Hij schreef sensitieve pianomuziek, geknipt voor de Franse smaak, maar was in gedachten toch nog vaak in zijn vaderland, getuige zijn ’s en polonaises. Na de pauze horen we de Franse meester Jean-Philippe Rameau en de impressionist bij uitstek, Claude Debussy.
Gestileerde dansvormen
Chopin verliet Warschau in 1830 voor een Europese tournee, maar keerde er nooit meer terug. Hij vestigde zich uiteindelijk in Parijs, waar hij werd opgenomen in de artistieke elite, concerteerde in chique salons, les gaf aan gefortuneerde leerlingen en een gestage stroom pianomuziek produceerde. Chopin werd vooral bekend door zijn pianominiaturen: betrekkelijk korte werken als en, s, preludes, mazurka’s en polonaises, waarin hij poëtische ën, experimentele ën, vrije vormen en een veeleisende pianotechniek verenigde. Bij de mazurka’s (een levendige dans in driekwartsmaat, waarbij het op de derde of tweede tel valt) en polonaises (een statige dans in driekwartsmaat, met het accent op de eerste tel) is er een directe link met de dansen uit zijn geboorteland; niet dat Chopin de melodieën uit de Poolse volksmuziek overnam, maar hij liet zich wel door die melodieën, ritmiek en bourdon (aangehouden bastoon) inspireren.
De Polonaise in fis klein, 44 wordt vanwege de onheilspellende openingsmaten, het dramatische en de ‘grommende’ basloopjes ook wel aangeduid als de ‘tragische’ polonaise. Hoewel Chopin aan de driedelige dansstructuur vasthield – maar verrassend genoeg met een e als middendeel – doet het werk soms meer aan als een organische . Hij droeg de compositie op aan prinses Ludmilla de Beauvau, een prominent lid van de Poolse gemeenschap in Parijs.
Chopin schreef gedurende zijn hele leven mazurka’s (ruim vijftig stuks) en liet de meeste in groepjes publiceren. De composities zijn meestal driedelig van opzet, met een contrasterend middendeel, en tonen een enorme rijkdom aan ën en harmonische, ritmische en expressieve nuances. De Drie mazurka’s, opus 59 hebben elk hun eigen karakter: de eerste tekent een teder portret, nummer 2 is aangenaam en goedgemutst, en nummer 3 is nobel en achtig.
‘Nachtmuziek’ en ballades
Voor Chopins tijdgenoten waren zijn 21 s de meest karakteristieke en belangrijke werken uit zijn oeuvre. Chopin ‘erfde’ het genre van zijn Ierse collega John Field (1782-1837), maar oversteeg diens werken al snel. Tegen de tijd dat hij zijn Deux nocturnes, opus 48 schreef, bezaten de nocturnes zo’n unieke toon en expressief bereik, dat je ze ook kleine ballades zou kunnen noemen. De eerste van de twee, de (dertiende) Nocturne in c klein, ontvouwt zich vanaf de openingstreurmars als een psychologisch drama, vol passie maar ook subtiliteit. Chopin droeg zijn opus 48 op aan Mademoiselle Laure Duperré, een van zijn favoriete leerlingen.
De Deux s, 55 ontstonden een paar jaar later. Chopin droeg de set op aan Jane Maxwell Stirling, een dame van Schotse afkomst die eveneens pianoles van Chopin kreeg. Ze raakte verliefd op haar leraar, maar of deze gevoelens wederzijds waren is onduidelijk. De intense, naar binnen gerichte (zestiende) Nocturne in Es groot, opus 55 nr. 2 zwerft rusteloos rond en is een van Chopins meest geraffineerde nocturnes.
Tegen Robert Schumann zei Chopin eens dat zijn ballades – oorspronkelijk een literair genre – geïnspireerd waren door gedichten van Adam Mickiewicz, ook een Poolse emigrant in Parijs. Zo schijnt de Eerste ballade in g klein, opus 23 gebaseerd te zijn op Mickiewicz’ Konrad Wallenrod, een episch verhaal over de strijd tussen de ridders van de Teutoonse Orde en de heidenen van Litouwen. De compositie is vervuld van nostalgie en jeugdig poëtisch vuur, hetgeen Schumann zeer aansprak. Toen Chopin hem in 1836 bezocht, zei Schumann hem dat hij dit zijn mooiste werk vond, waarop deze na lang denken reageerde: ‘Daar ben ik heel blij om, want dit is ook mijn favoriete compositie’.
Barokke karakterstukken
Jean-Philippe Rameau was in zijn eigen tijd beroemd vanwege zijn muziektheoretische handboek Traité de l’, en vanwege zijn ’s. Tegenwoordig wordt zijn klaviermuziek uit de bundels Pièces de clavecin en Nouvelles s de pièces de clavecin (1724-30) het meest uitgevoerd, al dan niet als losse deeltjes. De albums bevatten ieder twee suites bestaande uit dansvormen en karakterstukken, elk voorzien van een kleurrijke titel om een persoon, activiteit of sfeer te benoemen. Het virtuoze L’Égyptienne verklankt een dansend zigeunermeisje (in Rameaus tijd stond Egypte vooral bekend als het land van de zigeuners). In Les trois mains creëert Rameau de indruk dat het toetsenbord door drie handen wordt bespeeld en in Le rappel des oiseaux tsjilpen vogeltjes er lustig op los.
Grote verbeeldingskracht
Met een muziekstijl waarin impressies belangrijker zijn dan ontwikkelingen, creëerde Claude Debussy een magnifiek oeuvre, dat van grote invloed was op latere componisten. Al snel kreeg hij het etiket ‘impressionist’ opgeplakt – een term waar de componist zelf niet blij mee was. Debussy schreef zijn 24 Préludes als twee sets: het eerste boek met twaalf preludes publiceerde hij in 1910 en het tweede in 1913. Het was niet zozeer zijn bedoeling dat de serie als geheel of per album werd uitgevoerd.
Het muzikale materiaal is gevarieerd en beïnvloed door diverse muzikale stijlen, waaronder niet-westerse, Schotse, Spaanse en populaire. Van bijzonder belang is de verwantschap met de Javaanse gamelanmuziek, waar Debussy mee in aanraking kwam tijdens de Wereldtentoonstelling in Parijs in 1889 en die grote indruk op hem maakte. Debussy gaf alle Préludes een titel, maar wel pas aan het eind van ieder werk, zodat de titels meer als sfeersuggesties fungeren. Elk van de pianominiaturen toont de enorme verbeeldingskracht van deze componist.
Anna Tsybuleva besluit haar met Debussy’s L’isle joyeuse. De compositie zou geïnspireerd zijn door Jean-Antoine Watteaus L’embarquement de Cythère, een schilderij met een groep vrolijke reizigers voor de inscheping naar Kythira, het geboorte-eiland van de Griekse godin van de liefde, Afrodite (Venus is haar Romeinse equivalent). Debussy’s eigen ‘gelukkige eiland’ was het Kanaaleiland Jersey, waar hij samen met Emma Bardac, zijn latere tweede echtgenote, verbleef en L’isle joyeuse voltooide. Niet zo verbazingwekkend dat dit een van Debussy’s meest uitbundige en zinderende composities is.
Biografie
Anna Tsybuleva, piano
Anna Tsybuleva kwam ter wereld in Nizhny Arkhyz, een klein plaatsje aan de zuidgrens van Rusland. Ze legde vanaf jonge leeftijd een groot muzikaal talent aan de dag en werd op haar dertiende toegelaten aan het conservatorium in Moskou. Hier was Lyudmila Roschina haar docent. Aan de Musikhochschule in Bazel studeerde ze vervolgens bij Claudio Martínez-Mehner.
Anna Tsybuleva won in het afgelopen decennium tal van onderscheidingen. Een hoogtepunt was in 2015 de eerste prijs van de toonaangevende Leeds International Piano Competition. Dit bracht haar carrière in een stroomversnelling. Als solist werd ze uitgenodigd door gezelschappen als het Royal Philharmonic Orchestra, het Filharmonisch Orkest van Sint-Petersburg, het Orkest van het Mariinski Theater, het van Singapore en het Tokyo Philharmonic Orchestra.
Anna Tsybuleva neemt in het huidige seizoen haar tweede cd op: Brahms’ Tweede pianoconcert met het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin onder leiding van James Conlon. Haar eerste cd was een solo-album; solorecitals gaf ze eerder in BOZAR in Brussel, de Philharmonie in Luxemburg, de Tonhalle in Zürich en Wigmore Hall in Londen.
In Het Concertgebouw maakt Anna Tsybuleva vandaag haar debuut.



