Meesterpianist in de Kleine Zaal: Lukas Geniušas
Lukas Geniušas piano
Frédéric Chopin (1810-1849)
Mazurka in f kl.t.
uit ‘Vijf mazurka’s, op. 7’ (1830-32)
Mazurka in cis kl.t.
uit ‘Vier mazurka’s, op. 30’ (1835)
Drie mazurka’s, op. 63 (1846)
Mazurka in B gr.t.
Mazurka in f kl.t.
Mazurka in cis kl.t.
Sonate in b kl.t., op. 58 (1844)
Allegro maestoso
Scherzo, molto vivace
Largo
Finale: Presto non tanto
pauze (± 20.55 uur)
Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)
Dumka in c kl.t., op. 59 (1886)
Leonid Desjatnikov (1955)
Twaalf preludes uit ‘Songs of Bukovina’ (2017)
nr. 1 in C gr.t.
nr. 4 in e kl.t.
nr. 10 in cis kl.t.
nr. 11 in B gr.t.
nr. 12 in gis kl.t.
nr. 14 in es kl.t.
nr. 15 in Des gr.
nr. 16 in bes kl.t.
nr. 17 in As gr.t.
nr. 18 in f kl.t.
nr. 20 in c kl.t.
nr. 23 in F gr.t.
einde (± 21.55 uur)
Toelichting
Frédéric Chopin (1810-1849)
Chopin: Sonate
Door Heleen van de Leur
De Pools-Franse componist en pianist Frédéric Chopin schreef maar weinig langere werken voor piano. De en, ’s, études, polonaises, ’s en s die het overgrote deel van zijn oeuvre vormen, overschrijden over het algemeen de tien minuten niet. De in b klein, op. 58 duurt echter een ruim een half uur. Deze derde en laatste pianosonate die Chopin componeerde, geldt als een van zijn moeilijkste pianowerken, zowel technisch als muzikaal gezien.
Hoewel de eerste twee pianosonates die Chopin schreef, respectievelijk in 1828 en 1839, zich in hun vorm niet conformeren aan de traditie uit Beethovens tijd, keert Chopin met zijn laatste sonate wel terug naar de Duitse traditie. De sonate heeft een grotendeels klassieke , waarin een snel eerste en laatste deel twee langzamere delen omlijsten.
In het midden creëert Chopin een oase van rust met een kalme en bijna contrapunt-achtige passage
Het eerste deel start met een -achtig eerste dat doet denken aan Chopins polonaises. Na een voortzetting van dat zware thema, begeleid door lange ladders in de linkerhand, verandert het stuk ineens van sfeer. Het tweede thema is dromerig en en met zijn zwevende twee-tegen-drie-ritmiek typisch Chopin.
Toch kent ook dit tweede thema vurige passages, en die gedrevenheid overheerst ook in de doorwerking. In de reprise herhaalt Chopin tegen de traditie in alleen het tweede thema, waardoor de dromerigheid overheerst aan het eind van het maestoso.
Het tweede deel van de sonate begint en eindigt met een duizelingwekkend thema, maar in het midden creëert Chopin een oase van rust met een kalme en bijna -achtige passage. Het tweede deel is uitzonderlijk kort, waardoor we snel belanden bij de stormachtige introductie van het derde deel.
Ook hier zoekt Chopin weer snel de stilte op. De dragende van het Largo is ingetogen en verstild, maar krijgt naar het einde toe meer beweging dankzij de begeleidingen in de linkerhand. In de Finale keert Chopin terug naar de vurige sfeer uit het eerst deel. Het thema van dit afsluitende is erg sterk en wordt afgewisseld met virtuoze loopjes en chromatische ladders. Deze Sonate in b klein laat zien dat Chopin, ondanks zijn voorkeur voor korte vormen, ook samenhang kon creëren in stukken met meerdere delen.
Chopin: Mazurka's
De was van oorsprong een Pools genre, gebruikt voor het volksdansen. Chopin groeide op in een regio van Polen waar het een van de belangrijkste muzikale genres was. Het grappige was dat enkele jaren voor Chopin naar Parijs verhuisde, het genre ineens populair begon te worden bij de hogere sociale klassen in Parijs. Het werd een gewild genre voor salonconcerten.
Chopins vele mazurka’s zijn vanwege de vele versieringen in de niet meer geschikt voor volksdansen, en dus duidelijk geschreven voor de Parijse elite. De belangrijkste karaktereigenschap van de mazurka is wel nog goed te horen in Chopins werken: mazurka’s hebben altijd een driekwartsmaat, maar het ligt op de tweede of derde tel, in plaats van op de eerste.
Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)
Tsjaikovski: Dumka
Een dumka is een Pools-Oekraïens genre, met als belangrijkste kenmerken het melancholische of reflecterende karakter en de toonsoort. Vanaf halverwege de negentiende eeuw komt het genre ook voor in de klassieke muziek, waar ‘dumka’ wordt gebruikt voor -achtige en melancholische kamermuziek.
Tsjaikovski’s enige dumka, met de ondertitel ‘Rustieke Russische scène’, is gek genoeg slechts bij vlagen droevig en melancholisch. Het werk begint verstild, maar gaandeweg wordt het beweeglijker en dansachtiger, en af en toe zelfs speels.
Het heeft wel iets weg van een rapsodie, met zijn virtuoze passages en wisselende tempi en karakters. Het werk eindigt wel weer in het traditionele dumka-karakter: langzaam en droevig.
1955
Desjatnikov: Songs of Bukovina
In het werk van de Oekraïense componist Leonid Desjatnikov zijn zowel invloeden uit de als uit de te horen. De componist zelf beschreef zijn stijl ooit als ‘een emancipatie van ie, een transformatie van banaliteit en met een menselijk gezicht’, ofwel als moderne klassieke muziek die ‘ouderwetse’ consonantie niet schuwt.
Desjatnikovs solomuziek voor piano is zeer divers: sommige werken lijken qua sfeer op Chopin, andere klinken als de bourrées van Bach, weer andere zijn net zo verstild als de pianowerken van Satie, in een enkele prelude hoor je zelfs de ragtime. Vanavond klinkt een selectie uit de 24 pianopreludes die Desjatnikov componeerde voor het ballet Songs of Bukovina, een choreografie van Alexei Ratmansky die in oktober 2017 in première ging bij het American Ballet Theatre in New York.
De preludes zijn losjes gebaseerd op volksmuziek uit Bukovina, een regio in de Karpaten die tegenwoordig deels in Oekraïne en deels in Roemenië ligt. Gevraagd naar zijn inspiratie voor deze pianocyclus zei de componist in The New York Times: ‘De basis was een dik, in de Sovjet-Unie uitgegeven boek met Oekraïense volksliedjes van de achttiende eeuw en later.
De cultuur van Bukovina is erg eclectisch en gemengd en de muziek doet je denken aan Oekraïne, of aan de Balkan, of aan joodse muziek.’ De set preludes is op dezelfde manier gerangschikt als de 24 Preludes, 28 van Chopin: één in iedere , startend zonder met C groot en de parallel a klein en volgens de eindigend met f groot en d klein.
De invloed van Béla Bartók is bijvoorbeeld herkenbaar in de ‘nachtmuziek’ van nummer 14 en in de felle en van nummer 23. Nummer 16 is een Roemeense dumka, een dans met een onregelmatige begeleidingsfiguur. De eenvoudigste prelude is de eerste, de meest complexe is die in f klein: een polymetrisch spektakel waarin de linker- en de rechterhand ieder hun eigen gang lijken te gaan.
Biografie
Lukas Geniušas, piano
Lukas Geniušas studeerde in 2008 af aan het Chopin Muziekcollege in Moskou en won zilveren medailles van het Chopin Concours in Warschau (2010) en het Tsjaikovski Concours in Moskou (2015). Sinds 2015 is hij verbonden aan het Canadese initiatief Looking at the Stars, dat klassieke muziek naar ziekenhuizen, gevangenissen en opvanghuizen brengt.
De Russisch-Litouwse pianist werd voor s uitgenodigd door Wigmore Hall in Londen, de Salle Gaveau en het Louvre in Parijs, de Frick Collection in New York en de Sala Verdi in Milaan en door de festivals van bijvoorbeeld La Roque d’Antheron, Schloss Elmau, Rheingau, Lockenhaus en Nohant.
In zijn soloprogramma’s integreert hij graag modern danwel onbekend repertoire; zo combineerde hij bij zijn -debuut op 16 oktober 2018 Chopin en Tsjaikovski met Desjatnikov. De discografie van Lukas Geniušas reikt van Beethoven, Brahms, Rachmaninoff, Chopin, Ravel en Tsjaikovski tot Sjostakovitsj, Stravinsky en Desjatnikov. Voor zijn Prokofjev-s kreeg hij in 2019 een Choc de Classica en een Diapason d’Or, en de -cd Dissonance met sopraan Asmik Grigorian werd in 2022 bekroond met een Gramophone Award.
Lukas Geniušas soleerde bij het Russisch Nationaal Orkest, het Mariinski Orkest, het NHK Symphony Orchestra, Tokyo, het Orchestre de Paris, de Kremerata Baltica, het Stavanger Symfonieorkest, het City of Birmingham Symphony Orchestra, het Scottish Chamber Orchestra en de orkesten van Toronto en Philadelphia.
In de van Het Concertgebouw maakt hij zijn debuut.
