Meccore Kwartet speelt Tsjaikovski en Penderecki

Meccore Kwartet:
Aleksandra Bryła viool
Wojciech Koprowski viool
Michał Bryła altviool
Tomasz Daroch cello 

Karol Szymanowski (1882-1937)

Tweede strijkkwartet, op. 56 (1927)
Moderato, dolce e tranquillo
Vivace scherzando
Lento 

Krzysztof Penderecki (1933)

Derde strijkkwartet (2008) ‘Bladzijden van een 
niet geschreven dagboek’
[in één deel]

pauze (± 21.00 uur)

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893)

Eerste strijkkwartet in D gr.t., op. 11 (1871)
Moderato e semplice – Allegro giusto
Andante: cantabile
Scherzo: Allegro non tanto
Finale: Allegro giusto 

einde (± 22.00 uur)

Toelichting

Karol Szymanowski (1882-1937)

Szymanowski: Tweede strijkkwartet

Door Rutger Helmers

Als we kunnen spreken van zoiets als ‘het Poolse strijkkwartet’, dan is deze traditie begonnen in de vroege twintigste eeuw, met de twee kwartetten van Karol Szymanowski. De beroemdste Poolse componisten van vóór die tijd – Frédéric Chopin (1810-1849), die zich volledig op de piano richtte, en Stanisław Moniuszko (1819-1872), de componist van de nationale Halka – toonden weinig interesse voor het genre; en de hoge verwachtingen voor de Poolse muziek die dit tweetal had gewekt, werden in de latere negentiende eeuw nauwelijks waargemaakt. 

Het idee van een Poolse School is dan ook vooral verbonden met de moderne muziek, met Szymanowski als belangrijk boegbeeld, en sindsdien zien we regelmatig indrukwekkende Poolse bijdragen aan het strijkkwartetrepertoire.

Karol Szymanowski is een van de vele componisten die volksmuziek heeft ingezet voor het ontwikkelen van een nationale traditie. Dergelijke projecten waren zelden zo vanzelfsprekend als het achteraf lijkt: de geschiedenis van Oost-Europa is daarvoor te complex en, zoals dit programma mooi illustreert, volksmuziek trekt zich doorgaans niets van landsgrenzen aan. Ten tijde van Szymanowski’s jeugd maakte het grootste deel van Polen nog deel uit van het Russische Rijk.

Hij was zelf geboren in Oekraïne en kreeg zijn opleiding daar bij een Duitstalig familielid, de pianist Gustav Neuhaus. Pas nadat Polen en Oekraïne aan het einde van de Eerste Wereldoorlog plots onafhankelijk waren geworden en vervolgens in nieuwe oorlogen waren beland (zowel onderling als met Sovjet-Rusland), begon Szymanowski zich serieus toe te leggen op een nationale stijl.

Hij verhuisde definitief naar Polen en verdeelde zijn tijd tussen de hoofdstad Warschau en Zakopane, een stadje in het Tatragebergte aan de zuidelijke grens, waar hij zich liet inspireren door de lokale volksmuziek. Hij slaagde erin volkselementen te verenigen met een herkenbaar eigen en onmiskenbaar modern idioom, en daarmee is zijn werk goed te vergelijken met dat van Oost-Europese tijdgenoten als Leoš Janáček en Béla Bartók.

De atmosfeer van het eerste deel van Szymanowski’s Tweede strijkkwartet, met zijn ijle, zoekende in de viool en tegen een achtergrond van rusteloze en onheilspellende middenpartijen, kan het best worden omschreven als unheimisch. Tot een echte ontwikkeling of climax komt het niet, maar in de onverwacht welluidende slotcadens klinkt een soort berusting of verlossing.

Het tweede deel, een uitbundig , verraadt behalve zijn interesse in volksmuziek ook Szymanowski’s fascinatie voor het dyonisische in de kunst. Het is bovenal een ritmische ervaring, en door de grote variatie aan speeltechnieken wordt de aandacht gevestigd op de fysieke klank van de instrumenten.

Toch ontbreekt ook een zekere filosofische noot niet, want horen we halverwege niet het van drie noten dat Ludwig van Beethoven in zijn laatste strijkkwartet verbond aan de woorden ‘Es muss sein’? Het slotdeel begint als een bedachtzame , maar de intensiteit bouwt gestaag op naar het slot, waar een motief van vier noten, dat zich gaandeweg heeft uitgekristalliseerd als de kern van deze finale, met kracht wordt bevestigd.

Krzysztof Penderecki (1933-2020)

Derde strijkkwartet

Door Rutger Helmers

Met het Derde strijkkwartet van ­Krzysztof Penderecki volgt een van de meest succesvolle recente Poolse strijkkwartetten. In de jaren zestig heeft Penderecki naam gemaakt met het zogenaamde ‘sonorisme’: vernieuwend gebruik van , dat zijn wortels heeft in het ‘colorisme’ van bijvoorbeeld Szymanowski.

Penderecki’s Eerste strijkkwartet (1961), waarin hij geluiden aan de instrumenten wist te ontlokken die maar weinigen met een strijkkwartet zouden associëren, is daar een voorbeeld van. In het midden van de jaren zeventig brak Penderecki met zijn experimentalisme en sindsdien vertoont zijn werk sterke neoromantische trekken.

  • Krzysztof Penderecki

Na de première van zijn Derde strijkkwartet, op een concert ter ere van zijn 75ste verjaardag, onthulde de componist de ondertitel van het werk: ‘Bladzijden uit een niet geschreven dagboek’. Het is zijn meest persoonlijke en nostalgische compositie, met een volkomen andere klankwereld dan zijn vroege werk.

Het bestaat uit één deel, waarin verschillende ideeën en tempi aaneengeregen worden. Een grimmige dans in driekwartsmaat is het meest prominente ; later horen we ook een ‘kolomyjka’, een volksmelodie uit de Karpaten, die Penderecki’s vader vroeger voor hem speelde.

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)

Tsjaikovski: Eerste strijkkwartet

Met zijn Eerste strijkkwartet in D groot stond Pjotr Iljitsj Tsjaikovski net als Szymanowski aan het begin van een nationale traditie: het is het eerste kwartet van een Russische componist dat een plek in het internationale repertoire wist te veroveren. Ook hier speelt volksmuziek een centrale rol: het is gebaseerd op een die de componist zelf had opgetekend in Kamenka, bij het huis van zijn zus in Oekraïne.

Het was vooral de ontroerende eenvoud van dit tweede deel waar dit kwartet zijn succes aan te danken had, en het was bij het horen van dit deel dat Lev Tolstoj, Ruslands meest gevierde auteur, ooit in het bijzijn van de componist in tranen uitbarstte. In de overige delen toont Tsjaikovski vooral zijn beheersing van de klassieke vormen: het openingsdeel en het trotse doen aan Franz Schubert denken; het slotdeel is een opzwepende beethoveniaanse Finale, die begint als ingetogen kamermuziek maar al gauw orkestrale ambities onthult.  

Biografie

Meccore Kwartet, strijkkwartet

Het Poolse Meccore Kwartet bestaat sinds 2007 en bouwt sinds die tijd aan een internationale reputatie. De vier strijkers studeerden gezamenlijk als ensemble bij het Camerata Kwartet, het Artemis Kwartet en bij Günther Pichler van het Alban Berg Kwartet.

Een belangrijk moment in hun opleiding was de deelname aan een Beethoven-masterclass door Alfred Brendel. Een flink aantal onderscheidingen onderstreept het talent van het kwartet. Zo viel het meervoudig in de prijzen tijdens de Wigmore Hall International String Quartet Competition (2012) en was het laureaat tijdens het Internationaal Strijkkwartetconcours ‘Premio Paolo Borciani’ (2009) in Italië.

Het Meccore Kwartet speelde in recente seizoenen in de bekende concertzalen van bijvoorbeeld Londen, Wenen, Warschau, Bonn, Brussel en Madrid en speelde in New York in The Frick Collection. Het Meccore Kwartet bracht inmiddels drie goed ontvangen cd’s uit en maakt vandaag zijn debuut in Het Concertgebouw.