Maxim Rysanov & friends met Bachs Goldberg-variaties

Boris Brovtsyn viool
Maxim Rysanov altviool
Kristina Blaumane cello

er is geen pauze
einde ca. 21.30 uur

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Goldberg-variaties, BWV 988 (1741)
oorspronkelijk voor klavier solo; 
bewerking voor strijktrio door 
Dmitri Sitkovetsky (1984/2009)

Aria
Variatie 1
Variatie 2
Variatie 3 – Canone all’unisono
Variatie 4
Variatie 5
Variatie 6 – Canone alla seconda
Variatie 7
Variatie 9 – Canone alla terza
Variatie 10 – Fughetta
Variatie 11
Variatie 12 – Canone alla quarta
Variatie 13
Variatie 14
Variatie 15 – Canone alla quinta: Andante
Variatie 16 – Ouverture
Variatie 17
Variatie 18 – Canone alla sesta
Variatie 19
Variatie 20
Variatie 21 – Canone alla settima
Variatie 22 – Alla breve
Variatie 23
Variatie 24 – Canone all’ottava
Variatie 25 – Adagio
Variatie 26
Variatie 27 – Canone alla nona
Variatie 28
Variatie 29
Variatie 30 – Quodlibet
Aria da capo 

Toelichting

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Goldberg-variaties

Door Eddie Vetter

Graaf Hermann Carl von Keyserlingk, de Russische ambassadeur in Dresden, had last van slapeloosheid. Om de slapeloze nachten te verzachten speelde de toen veertienjarige Johann Gottlieb Goldberg klavecimbel voor hem.

Johann Sebastian Bach werd gevraagd om muziek te schrijven die de graaf enigszins zou kunnen opbeuren. De leek hiervoor het meest rustgevend. De graaf kon er niet genoeg van krijgen en schonk de maker een gouden beker gevuld met honderd louis d’or, voor die tijd een vermogen.

Zo beschreef Johann Nikolaus Forkel de ontstaansgeschiedenis van de Goldberg-variaties in zijn biografie uit 1802. Tegenwoordig worden vraagtekens bij dit verhaal geplaatst, hoewel zonen van Bach het aan de auteur hadden verteld. Bovendien was de graaf betrokken bij de carrière van de componist.

Op het titelblad noemt hij zich eerst hofcomponist en pas daarna kapelmeester in Leipzig, waar hij voortdurend overhoop lag met het stadsbestuur 

In 1736 was Bach mede dankzij Keyserlingks bemiddeling tot hofcomponist in Dresden benoemd en in 1741 bezocht Bach hem daar, waarschijnlijk om hem het pas verschenen werk te overhandigen. Bachs eigen exemplaar van de uitgave is bewaard gebleven. Op het titelblad noemt hij zich eerst hofcomponist en pas daarna kapelmeester in Leipzig, waar hij voortdurend overhoop lag met het stadsbestuur. 

Het werk bestaat uit een met dertig variaties. De aria heeft een zangerige met het karakter van een sarabande. Deze muziek komt al voor in het tweede Clavier-Büchlein dat Bach voor zijn tweede echtgenote Anna Magdalena heeft samengesteld. Hierin is ze omstreeks 1733-1740 door haar toegevoegd, maar de meeste musicologen zijn het erover eens dat de compositie van Bach zelf is.

Van de dertig variaties is telkens de derde een met een toenemende toonafstand tussen de stemmen. In nr. 3 imiteert de een de ander in de eenklank (op dezelfde toonhoogte), in nr. 6 in de secunde (een hele toon lager), in nr. 9 in de terts, enzovoort. 

Niet de melodie van de aria is het uitgangspunt van de variaties, maar het baspatroon van 32 noten. Dit vormt de bron van een maximale verscheidenheid in stijl en genre. Sinds zijn jeugd had Bach zich niet meer beziggehouden met de variatiekunst.

Het is alsof hij Georg Friedrich Händel, die zich soortgelijke beperkingen had opgelegd, wilde overtreffen en in één moeite door van Domenico Scarlatti wilde winnen in virtuositeit. De meeste variaties zijn bestemd voor een klavecimbel met twee toetsenborden, met alle technische problemen van dien.

Drietallen en volksliedjes

Opbouw van de Goldberg-variaties

In de constructie speelt het heilige getal drie een rol van betekenis, maar er zijn ook tweedelingen waar te nemen. De en elke variatie omvatten telkens twee gelijke helften van zestien maten. Deze symmetrie weerspiegelt zich in het groot: 16 + 16 = 32 delen, inclusief de aria aan het begin en aan het eind. Halverwege, in variatie nr. 15, schrijft Bach bij uitzondering als tempo ‘’ voor.

Volgens de strikte opzet zou nummer 30 een canon moeten zijn. Daar ontregelt Bach de op mathematiek ingestelde luisteraars met een ‘quodlibet’ (letterlijk ‘wat je maar wilt’)

Dan verandert de opeens van G groot in g klein. De zuchtjes (‘Seufzer’) in de bovenstemmen ueren de melancholieke sfeer. Daarna is nr. 16 aangeduid als ‘Ouverture’, als een nieuw begin in . De muziek is verrijkt met elementen uit de Franse ouverture, zoals de ‘tirade’ (een flitsend stijgende toonladder) en een gepunteerde ritmiek om de oren op steeltjes te zetten.

Volgens de strikte opzet zou nr. 30 een in de decime moeten zijn. Daar ontregelt Bach de op mathematiek ingestelde luisteraars met een ‘quodlibet’ (letterlijk ‘wat je maar wilt’), een compositie waarin populaire ën tegelijkertijd klinken.

Volgens Forkel kwamen leden van de familie Bach jaarlijks bijeen om al improviserend volksliederen te zingen die samen toch een harmonische eenheid vormden. In dit geval gaat het om de jes Kraut und Rüben (‘Kool en bieten’, een Duits allegaartje) en Ich bin so lang nicht bei dir g’west. Het tweede is wel bekend als een ‘Kehraus’, bestemd voor de laatste dans op een bal.

De tekst vervolgt met de woorden ‘rück her, rück her’ (‘kom hier, kom hier’). Het lijkt wel een oproep aan de , die er zo lang niet bij is geweest en die inderdaad terugkeert om het geheel af te sluiten. Veel speelser kan een ontmoeting tussen ‘hoge’ en ‘lage’ kunst niet verlopen. 

Een bewerking voor strijktrio is niet vergezocht, want Bach volgt in de zetting vaak het principe van de ke sonate voor twee violen en . Opvallend hierbij is dat de bas zich niet beperkt tot de begeleiding, maar af en toe deelneemt aan de dialogen van de bovenstemmen.

Al in 1984 heeft violist Dmitri Sitkovetsky de Goldberg-variaties bewerkt voor strijktrio, hiertoe geïnspireerd door de befaamde plaatopname van pianist Glenn Gould uit 1981. Sitkovetsky schrijft dat hij twee maanden lang de tijd van zijn leven had in het gezelschap van Bach en Gould. In 2009 herzag hij zijn bewerking: minder herhalingen, meer eenvoud en een hernieuwde jeugdige energie die zulke tijdloze muziek verdient.

Biografie

Boris Brovtsyn, viool

Boris Brovtsyn begon met vioollessen aan de muziekschool in Moskou en studeerde er later aan het Tsjaikovski Conservatorium. Tevens was hij student van David Takeno aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen.

De violist was finalist van het Koningin Elisabeth Concours (2001) en won een jaar later de Tibor Varga International Violin Competition.

Als solist debuteerde Boris Brovtsyn in 1998 bij het BBC Philharmonic Orchestra. Hij werd vervolgens uitgenodigd door gezelschappen als het Orchestre de la Suisse Romande, het Orchestre National de Lille, het Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin, het Utah Symphony Orchestra en het Symfonie-orkest van São Paulo.

Boris Brovtsyn trad op onder leiding van – onder vele anderen – Neville Marriner, Neeme Järvi, Gerd Albrecht en Vassily Sinaisky. Het kamermuziekpodium deelt hij met collega’s als Amihai Grosz, Maxim Rysanov, Janine Jansen, Denis Matsuev en Alexei Ogrintchouk. In de was Boris Brovtsyn voor het laatst te beluisteren in februari 2015, in een etprogramma waarin ook beide andere musici van vandaag optraden.

Maxim Rysanov, altviool

De Oekraïens-Britse ­altviolist Maxim Rysanov was te gast bij de BBC Proms, op de festivals van Edinburgh, Salzburg en Verbier, en bij het Mariinski Orkest, de orkesten van Seattle en Shanghai, het European Union Youth Orchestra en tientallen Europese gezelschappen waaronder ook het Radio Filharmonisch Orkest en het Nederlands Kamerorkest.

Zijn ­encarrière (na een opleiding aan Guildhall School of Music and Drama in Londen en masterclasses bij Gennady Rozhdestvensky en Jorma Panula) loopt tegenwoordig parallel aan zijn carrière op de , en zo leidde hij het Sinfonieorchester Basel, het Russisch Nationaal Orkest, het Georgisch Nationaal , het Deens Nationaal Symfonieorkest en de London Mozart Players.

Met Riga Sinfonietta nam Maxim Rysanov de Eerste symfonie en het concert (wereldpremière) van Pēteris Vasks op. Zijn enthousiasme voor nieuwe muziek leidde ook tot nieuwe composities van bijvoorbeeld Dobrinka Tabakova en Richard Dubugnon.

Kamermuziek speelt Maxim Rysanov met Maxim Vengerov, Janine Jansen, Mischa Maisky, Gidon Kremer, Nicola Benedetti, Vadim Repin, Viktoria Mullova, Sol Gabetta en Martin Fröst.

Bij zijn vorige optreden in de , in november 2017, voerde hij met violist Boris Brovtzyn en celliste Kristina Blaumane een bewerking uit van Bachs Goldberg-variaties. Het instrument dat hij bespeelt (1780, Giuseppe Guadagnini) heeft de bijnaam ‘Il Soldato’.

Kristina Blaumane, cello

De uit Riga afkomstige Kristina Blaumane begon haar opleiding in Letland bij Eleonora Testeleca en voltooide deze bij Stefan Popov aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen. Sinds 2007 is ze solocellist van het London Philharmonic Orchestra.

Als solist werd Kristina Blaumane geëngageerd door alle belangrijke orkesten van haar vaderland, maar ook door bijvoorbeeld Britten , Amsterdam Sinfonietta en de Kremerata Baltica. Haar opname van nieuwe muziek van Dobrinka Tabakova werd genomineerd voor een Grammy Award.

Als kamermusicus deelde Kristina Blaumane het podium met collega’s als Isaac Stern, Gidon Kremer, Yo-Yo Ma, Yuri Bashmet, Leif Ove Andsnes, Janine Jansen, Julian Rachlin, Dmitry Sitkovetsky, Mischa Maisky, Nikolaj Znaider en Oleg Maisenberg. Ze was onder andere te beluisteren tijdens de festivals van Lockenhaus, Gstaad, Salzburg, Verbier en Aldeburgh.