Martin Fröst en Roland Pöntinen in Frans programma

Martin Fröst klarinet
Roland Pöntinen piano

Dit concert maakt deel uit van de serie Grote Solisten in de Kleine Zaal.

Ernest Chausson (1855-1899)

Andante et Allegro (1881)
voor klarinet en piano

Claude Debussy (1862-1918)

Première rhapsodie (1909-10)
voor klarinet en piano

Camille Saint-Saëns (1835-1921)

Sonate in Es gr.t., op. 167 (1921)
voor klarinet en piano
Allegretto
Allegro animato
Lento
Molto allegro

pauze ± 20.55 uur

Olivier Messiaen (1908-1992)

Abîme des oiseaux
voor klarinet solo
uit ‘Quatuor pour la fin du Temps’ (1940-41)
Le Courlis cendré
voor piano solo
uit ‘Catalogue d’oiseaux’ (1956-58)

Francis Poulenc (1899-1963)

Sonate (1962)
voor klarinet en piano
Allegro tristamente
Romanza
Allegro con fuoco

einde ± 22.00 uur

Met dank aan Evi van Lanschot.

Toelichting

Al eeuwen schrijven Franse componisten graag voor , in het bijzonder voor de klarinet. Martin Fröst en Roland Pöntinen krijgen op hun beurt geen genoeg van de ‘French ­Beauties’ die ze in 1994 op cd zetten. In ­chronologische volgorde presenteert het ervaren Zweedse duo vanavond een dwarsdoorsnede van het Franse repertoire voor klarinet en piano vanaf de late negentiende eeuw.

Ernest Chausson (1855-1899)

Andante et Allegro

Chausson: Andante et Allegro

De samenwerking tussen componisten en uitvoerders is vaker bepalend geweest voor de uitbreiding van het klarinetrepertoire, maar het et van Ernest Chausson is een geval apart. Dit werk uit 1881 verdween in de spreekwoordelijke la zonder publieke uitvoering en werd pas in 1977 herontdekt toen klarinettist Robert Fontaine de hand-geschreven bij de Bibliothèque Nationale de France terugvond. Fontaines commerciële uitgave werd een succes, net als de talrijke opnames die volgden. In deze fijngevoelige compositie laat Chausson de klarinet zingen. Hij toont zich daarbij een waardige leerling van Jules Massenet en César Franck, zijn twee compositie-docenten.

Claude Debussy (1862-1918)

Première rhapsodie

In januari 1910 legde Claude Debussy de laatste hand aan zijn Première rhapsodie voor klarinet en piano (ondanks de titel kwam er nooit een tweede rapsodie). Dit werk, bedoeld voor de afstudeerexamens aan het Parijse conservatorium, was een opdracht van conservatoriumdirecteur Gabriel Fauré. Debussy woonde de examensessies in juli bij en toonde zich onder de indruk van slechts één kandidaat – de anderen vond hij matig. Hij droeg het werk op aan klarinetdocent Prospère Mimart, die op 16 januari 1911 de eerste openbare uitvoering gaf bij de nieuwe Société Musicale Indépendante. In datzelfde jaar verscheen Debussy’s eigen bewerking voor klarinet en orkest. Dit wedstrijdstuk of ‘solo de concours’ vertoont de formele vrijheid die bij het genre van de rapsodie past. Zowel het dromerige begin als de latere virtuoze passages stellen hoge technische en muzikale eisen aan de klarinettist.

Camille Saint-Saëns (1835-1921)

Sonate

Camille Saint-Saëns had een bijzonder lange carrière. Toen hij in 1846 als wonderkind op de piano zijn debuut maakte, leefden Felix Mendelssohn en Robert Schumann nog. Toen hij in 1921 zijn Sonate in Es groot voor klarinet en piano componeerde (samen met twee andere s voor ), ­waren Gustav ­Mahler en Claude Debussy al dood. Met zijn klassiek-romantische inborst had de bejaarde Saint-Saëns een anachronisme kunnen zijn, maar zijn behoudende stijl sloot perfect aan bij het opkomende .

De vierdelige klarinetsonate is opgedragen aan Auguste Périer, docent aan het Parijse conservatorium, wiens warme en wendbare klank op plaat is behouden. Elk deel bezit een geheel eigen persoonlijkheid. In het eerste deel houden zangerigheid en expressiviteit elkaar in balans. Het speelse tweede deel, een , is gebaseerd op een dansritme. Een mengeling van nostalgie en strengheid voert de boventoon in het langzame derde deel met zijn onontkoombare reeksen, waarna de sonate met een opgewekt slotdeel en een verwijzing naar het beginthema eindigt.

Olivier Messiaen (1908-1992)

Abîme des oiseaux en Le Courlis cendré

Bij de ineenstorting van het Franse leger in mei 1940 gaf de eenheid van infanteriesoldaat Olivier Messiaen zich over aan de Duitsers. Messiaen werd overgebracht naar Frontstalag 162, een gevangenenkamp in de openlucht bij Toul (Lotharingen). Daar ontmoette hij lotgenoot Henri Akoka, een klarinettist die toestemming had gekregen om zijn instrument bij zich te houden. Messiaen begon meteen een stuk voor hem te schrijven. Onder de titel ‘Afgrond van de vogels’ werd dit werk voor klarinet solo onderdeel van het Quatuor pour la fin du Temps, een kwartet dat Messiaen enkele maanden later in gevangenenkamp Stalag VIII A bij Görlitz (Silezië) voltooide.
In dit klarinetstuk gaat het volgens Messiaen om een wezenlijke tegenstelling. Terwijl de afgrond de treurnis van de Tijd symboliseert, staan de vogels juist voor het tegenovergestelde, namelijk ‘ons verlangen naar licht, sterren, regenbogen en jubelende vocalises’. Het muzikale verloop onderstreept dit contrast: tegenover een grondstemming van ingetogen droefheid klinkt het snelle middendeeltje juist zonnig en fantasievol.

De vrome katholiek Messiaen beschouwde de vogels als de beste musici van Gods schepping. Mede dankzij een werkbezoek aan ornitholoog Jacques Delamain ging hij vanaf 1952 steeds meer vogelgeluiden noteren (en later opnemen), transcriberen en in zijn muziek gebruiken. In de jonge sterpianiste Yvonne Loriod, die later zijn tweede vrouw zou worden, vond Messiaen bovendien een ideale vertolker. Zij verzorgde dan ook in 1959 de eerste uitvoering van Catalogue d’oiseaux, een dertiendelige pianocyclus waarvan elk deel aan een specifieke vogel uit Frankrijk gewijd is. In het laatste deel staat de wulp centraal. Messiaen reisde af naar Ouessant, het meest westelijke eiland van Bretagne, om deze steltloper met lange snavel in zijn natuurlijke habitat te beluisteren. De componist verwerkte in zijn pianostuk Le Courlis cendré niet alleen de dikwijls melancholische roep van de wulp, maar ook zang van andere vogels uit de streek en omgevingsgeluiden zoals de golven en de sirene van de vuurtoren.

Francis Poulenc (1899-1963)

Sonate

Francis Poulenc had zijn leven lang een voorliefde voor blaasinstrumenten. Al op ­negentienjarige leeftijd schreef hij een voor twee klarinetten. Zo’n veertig jaar later voegde hij aan zijn kamermuziekoeuvre drie sonates voor blaasinstrument en piano toe: die voor fluit en piano ontstond in 1957, vijf jaar later gevolgd door een sonate voor klarinet en piano en een voor hobo en piano.

De driedelige klarinetsonate volgt een traditioneel patroon snel – langzaam – snel, maar blijft verrassen wat tempi en karakter aangaat. Hierin klinkt door wat Poulencs vriend Jean Cocteau beschreef als ‘dit wonder van een geheimzinnig evenwicht tussen het nieuwe en het klassieke, tussen de erfenis van de meesters, de robuuste en haast boerse uitvinding van ën waarin wetenschap en kinderlijke frisheid met elkaar vervlochten zijn’. Op 10 april 1963 hield opdrachtgever Benny Goodman het werk ten doop in de New Yorkse Carnegie Hall, helaas zonder de componist, die twee maanden eerder aan een hartaanval was bezweken, maar met Leonard Bernstein aan de piano.

Door Michel Khalifa

Biografie

Martin Fröst, klarinet

De Zweedse klarinettist Martin Fröst bouwde een grote carrière op als kamermusicus, solist en . Hij soleerde bij orkesten als de New York Philharmonic, de Los Angeles Philharmonic, het Gewandhausorchester Leipzig, de Münchner Philharmoniker en het NDR Elbphilharmonie Orchester. Bij het Concertgebouworkest debuteerde hij in 2014; in seizoen 2022/2023 was hij bij het orkest in residence en soleerde hij in premières van Anna Clyne en Sally Beamish. Martin Fröst staat bekend als een musicus die de wereld van de klassieke muziek graag uitdaagt en opschudt.

Hij ontwikkelde innovatieve presentaties van nieuw en bestaand repertoire in combinatie met bijvoorbeeld dans, beeld, spraak en koorzang. Componisten als Kalevi Aho, Anders Hillborg, Krzysztof Penderecki, Karin Rehnqvist en Bent Sørensen schreven nieuwe werken voor hem; op zijn repertoire staat ook muziek van Mozart, Brahms, Nielsen, Copland en Messiaen. Zijn nieuwste cd Beyond All Clarinet History (B.A.C.H.) verscheen in oktober 2025.

Als dirigent leidde Martin Fröst onder meer het Oslo Filharmonisch Orkest en het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Stockholm; sinds 2019 is hij chef-dirigent van het Swedish Chamber Orchestra. Martin Fröst was voor het laatst te gast in de in april 2023, toen hij als onderdeel van zijn residency kamermuziek speelde met musici van het Concertgebouworkest.

Roland Pöntinen, piano

Roland Pöntinen maakte zijn debuut in 1981 bij het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Stockholm en soleerde sindsdien bij tal van orkesten in Europa, de Verenigde Staten, Azië en Australië. Hoogtepunten waren optredens met het Philharmonia Orchestra in Londen en Parijs, met de Los Angeles Philharmonic in de Hollywood Bowl en met het Scottish Chamber Orchestra in Glasgow en Edinburgh. Bij de Londense Proms vertolkte hij zowel het Pianoconcert van Grieg als dat van Ligeti. De Zweedse pianist heeft een brede muzikale smaak maar concentreert zich in de eerste plaats op de ‘gouden eeuw’ van de pianoliteratuur: het werk van Beethoven, Chopin en Liszt.

Recentelijk voerde hij de volledige cyclus van Beethovens pianosonates en Liszts Années de pèlerinage uit. Daarnaast vertolkt hij graag composities uit de eerste helft van de twintigste eeuw, van onder meer Debussy, Busoni en Rachmaninoff. Verscheidene hedendaagse componisten, onder wie Sven-Erik Bäck en Anders Hillborg, droegen werken aan hem op. Kamermuziek speelde hij ook met zangeres Barbara Hendricks en de violisten Janine Jansen en Ulf Wallin.

Roland Pöntinen is ook actief als componist en arrangeur, en nam inmiddels bijna honderd cd’s op. In Het Concertgebouw was hij in 2007 en 2015 te gast met Martin Fröst en verzorgde hij in december 2015 een goeddeels Scandinavisch programma met sopraan Lisa Larsson.