Mariss Jansons dirigeert Saint-Saëns’ Orgelsymfonie

Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks 
Mariss Jansons dirigent
Iveta Apkalna orgel

Antonín Dvořák (1841-1904)

Negende symfonie in e kl.t., op. 95 (1893) 
‘Uit de Nieuwe Wereld’ 
Adagio - Allegro molto
Lento
Scherzo: Molto vivace
Allegro con fuoco

pauze ± 21.00 uur

Camille Saint-Saëns (1835-1921)

Derde symfonie in c kl.t., op. 78 (1886) 
‘Orgelsymfonie’
Adagio - Allegro moderato
Poco adagio
Allegro moderato - Presto
Maestoso - Allegro

einde ± 22.00 uur

 
Dit concert wordt mede mogelijk gemaakt door Fugro.

Toelichting

Antonín Dvořák 1841-1904

Negende symfonie

Door Sabien van Dale

In 1892 werd Antonín Dvořák aangesteld als directeur van het Nationaal Conservatorium in New York. Hij werd er geconfronteerd met het onvermogen van de zogenaamde ‘Amerikaanse’ componisten om een eigen artistieke identiteit op te bouwen. De vanuit Europa overgewaaide, romantische golf van nationalisme ging voorbij aan de schat van traditionele muziek die op Amerikaanse bodem voorhanden was en bleef steken in academische imitaties in de geest van Franz Liszt of Johannes Brahms.

Dvořák, zijn tijd ver vooruit, zag in de strijdvaardige gezangen van de indianenstammen en in de zogenaamde ‘negro-spirituals’ de werkelijk authentieke kiem van een nationale compositieschool. Hij gaf zelf het voorbeeld met zijn eerstvolgende symfonie: Z Nového Svéta, ‘Uit de Nieuwe Wereld’. Eind januari 1893 waren de schetsen van de eerste drie delen klaar en tegen eind mei van hetzelfde jaar was de volledige symfonie voltooid en georkestreerd.

Op 16 december werd de eerste uitvoering in Carnegie Hall met veel bijval onthaald. Het voornemen om een nationale toonkunst te stimuleren resulteerde echter in een stijl die grotendeels op niet-plaatselijke folklore was gefundeerd. Dvořák ontkwam namelijk niet aan een alles overheersende heimwee naar zijn geboorteland. Hoewel er indirect Amerikaanse inspiratiebronnen aanwezig zijn (onder meer de sfeer van het epos Hiawatha van Henry Longfellow), blijven die van secundair belang.

De melancholische solo van de in het Largo is niet – zoals zo vaak onterecht beweerd – ontleend aan een negro-spiritual. De is van de hand van Dvořák maar werd later herschapen tot een ‘imitatie’-spiritual met de titel Going Home. De invloed van plaatselijke volksmuziek wordt verder soms nog ten onrechte geïllustreerd aan de hand van het hoofdthema van het eerste deel, dat verwant zou zijn aan het bekende Swing Low, Sweet Chariot (met weglating van de eerste noten).

Dvořáks ontkrachtte deze bewering en verklaarde dat zijn ’s met de pentatonische reeks zijn samen­gesteld (dus met vijf tonen en niet met zeven tonen zoals in de westerse muziek). Met name dit vijftoonssysteem en Dvořáks typische, kernachtige ritmische figuren zijn in de folklore van culturen over de hele wereld terug te vinden. Dvořáks melodische taal ontspringt manifest uit zijn Boheemse wortels. De technieken waarmee hij zijn ideeën tot een groots symfonisch en cyclisch geheel smeedt blijven evenwel dezelfde als die van Beethoven, Tsjaikovski, Brahms of Schubert. Daarom vertelt de Negende symfonie in wezen veel meer over de ‘Oude Wereld’ dan over de ‘Nieuwe Wereld’ die ze tot het einde der dagen in haar titel zal meedragen. 

Camille Saint-Saëns 1835-1921

Saint-Saëns: Derde symfonie

Door Carine Alders

De Royal Philharmonic Society in Londen nodigde Camille Saint-Saëns in augustus 1885 uit om in het voorjaar een piano­concert te komen spelen, liefst een eigen werk. Een tweede verzoek volgde snel: of hij misschien ook genegen zou zijn een symfonisch werk te componeren? Zes maanden later schreef Saint-Saëns aan zijn uitgever Auguste Durand dat het werk binnenkort op de post zou gaan.

‘Ik waarschuw je vast, het wordt formidabel. […] Gelukkig zitten er geen harpen in, maar helaas wordt het wel moeilijk. Ik doe wat ik kan om de moeilijkheden te beperken. […] Ik kijk er naar uit om de symfonie te dirigeren. Of de anderen er naar uitzien om het te horen is de vraag. Jij wilde deze symfonie, ik was mijn handen in onschuld.’

Saint-Saëns gekscherende opmerking was geheel overbodig, want daags na de première in St. James Hall in Londen schreef hij dat de symfonie ‘een kolossaal succes’ was. ‘De Prins en Prinses van Wales moeten zich enorm verveeld hebben.’ De symfonie werd al spoedig ook in Parijs uitgevoerd (ondanks het bange vermoeden van Saint-Saëns dat het pleisterwerk van de muur zou kunnen komen) en nog geen jaar later volgde de Amerikaanse première in New York.

De bijzondere orkestratie met piano en – als onderdeel van het orkest, niet als solo-instrument – bracht het publiek overal in vervoering. Nog altijd is het moment waar het orgel inzet aan het begin van het een waar kippenvelmoment. ‘Ik heb alles gegeven wat ik in me had. Wat ik hier gepresteerd heb zal ik nooit kunnen evenaren’, aldus de componist. De symfonie bestaat formeel uit twee delen, maar Saint-Saëns schreef in de toelichting voor de première dat de vier traditionele symfoniedelen wel degelijk te onderscheiden zijn. Het moderato wordt voorafgegaan door een introductie en het is verbonden aan de finale.

In december 1889 dirigeerde Willem Kes voor het eerst het Concertgebouworkest (ruim een jaar eerder opgericht) in de monumentale en vernieuwende symfonie. Kes moest het doen met een tijdelijk orgel. Het fonkelnieuwe Concertgebouw beschikte nog niet over een eigen orgel, dat zou het volgende jaar pas besteld worden bij de firma Maarschalkerweerd. Enkele maanden na de feestelijke inwijding in oktober 1891 programmeerde Kes de symfonie opnieuw. De recensent van het Algemeen Handelsblad was niet onder de indruk van het gebruik van een ­piano. Voor hem had die best vervangen kunnen worden door ‘een paar harpen’. Kennelijk had hij de prachtig parelende begeleiding van het orgel in de finale niet gehoord.  

Biografie

Iveta Apkalna, orgel

Iveta Apkalna studeerde piano en aan de Jāzep Vītols Muziek­academie in Riga en vervolgde haar opleiding aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen en de Musikhochschule in Stuttgart. In 2005 kreeg ze een Echo Klassik als ‘instrumentalist van het jaar’ en in 2015 werd ze benoemd tot cultureel ambassadeur van Letland.

In 2018 ontving ze de Latvian Grand Music Award in de categorieën ‘musicus van het jaar’ en ‘concert van het jaar’ alsmede de Orde van de Drie Sterren, de hoogste burgeronderscheiding die uitgereikt wordt door de Letse president.

Iveta Apkalna soleerde met orkesten als de Berliner Philharmoniker, de Wiener Symphoniker, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia en de Los Angeles Philharmonic. Sinds het openingsfestival van de Elbphilharmonie in Hamburg in januari 2017 met wereldpremières van Wolfgang Rihm en Jörg Widmann is ze titulair organist van het Klais- in die zaal; haar album Light & Dark is de eerste solo-cd die op dat instrument is opgenomen. In oktober 2018 wijdde ze het nieuw Klais-orgel in van het National Kaohsiung Center for the Arts in Taiwan.

Iveta Apkalna heeft een grote liefde voor hedendaagse muziek; in oktober 2017 was ze bij het Concertgebouworkest te gast voor de wereldpremière van het opdrachtwerk Multiversum van Peter Eötvös. Het Maarschalkerweerdorgel bespeelde ze al enkele malen.

Mariss Jansons, dirigent

Mariss Jansons was een van de meest vooraanstaande en ter wereld. Tussen 2004 en 2015 was hij chef-dirigent van het Concertgebouworkest. Na zijn afscheid benoemde het orkest hem tot conductor emeritus. Jansons studeerde viool en directie in Sint-Petersburg en deed vervolgstudies in Wenen en Salzburg bij Hans Swarovsky en Herbert von Karajan. In 1973 werd hij assistent van Jevgeni Mravinski bij het orkest van Sint-Petersburg, waar ook zijn vader Arvids Jansons dirigent was.

Van 1979 tot 2000 was hij chef- van het Oslo Filharmonisch Orkest, dat onder hem groot internationaal aanzien verwierf. Van 1997 tot 2004 stond Mariss Jansons aan het roer van het Pittsburgh Symphony Orchestra en vanaf 2003 was hij chef-dirigent van het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks. Als gastdirigent bij orkesten als de Berliner en Wiener Philharmoniker, het London Philharmonic Orchestra en de grote orkesten van de Verenigde Staten gaf hij wereldwijd vele concerten.

Na zijn vertrek als chef van het Concertgebouworkest keerde Mariss Jansons regelmatig terug als gastdirigent. Na de bejubelde productie van Tsjaikovski’s Pique dame bij De Nationale in juni en juli 2016 leidde hij het orkest in september in MahlerZevende symfonie. In 2017 stonden werken van Sjostakovitsj, Rachmaninoff, Tsjaikovski en Liszt op het programma.

Mariss Jansons overleed op 1 december 2019.

Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, orkest

Het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks werd in 1949 in München opgericht door Eugen Jochem, die het orkest leidde tot 1960 en gastdirigent bleef tot zijn dood in 1987. Volgende chef-en waren Rafael Kubelík, Colin Davis, Lorin Maazel en Mariss Jansons (2003-2019), en met ingang van 2023/2024 wordt Simon Rattle de nieuwe chef-dirigent.

Het orkest ziet het spelen van nieuwe muziek als kerntaak, en onder anderen Stravinsky, Milhaud, Hindemith, Maderna, Boulez, Stockhausen, Kagel, Berio en Eötvös dirigeerden er hun nieuwe partituren. In oude muziek werken de musici met specialisten als Ton Koopman, Thomas Hengelbrock en Giovanni Antonini.

Geregeld terugkerende gastdirigenten zijn Riccardo Muti, Esa-Pekka SalonenFranz Welser-Möst, Herbert Blomstedt en Daniel Harding. Altvioliste Tabea Zimmermann en pianist Kirill Gerstein zijn dit seizoen artists in residence. 

Het orkest heeft sinds 2001 een eigen orkestacademie, was van 2004 tot 2019 een vaste waarde in het Lucerne Oster-Festival en brengt sinds 2009 cd’s uit op het eigen label BR Klassik. In 2016 kreeg de live-opname van Mahlers Zesde symfonie onder Daniel Harding een Diapason d’Or en in 2018 kreeg de Derde onder Bernard Haitink twee BBC Music Awards. De vorige uitvoeringen van het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks in Het Concertgebouw, beide keren onder leiding van Mariss Jansons, waren in februari 2017 (Sommer, Mahler en Rachmaninoff) en maart 2019 (Dvořák en Saint-Saëns).