Marc Albrecht dirigeert Bruckners vitale Zesde
Nederlands Philharmonisch Orkest
Marc Albrecht dirigent
François-Frédéric Guy piano
Aanvang 20.15 | pauze ca. 20.50 uur | einde ca. 22.00 uur
Alban Berg 1885-1935
Sonate, op. 1 (1907-08)
oorspronkelijk voor piano solo; orkestratie Theo Verbey (1984)
Franz Liszt 1811-1886
Tweede pianoconcert in A gr.t. (1839-61)
Adagio sostenuto assai
Allegro agitato assai
Allegro moderato
Allegro deciso
Marziale un poco meno allegro
Allegro animato, Stretto: molto accelerando
Pauze
Anton Bruckner 1824-1896
Zesde symfonie in A gr.t. (1879-81)
Maestoso
Adagio: Sehr feierlich
Scherzo: Nicht schnell – Trio: Langsam
Finale: Bewegt, doch nicht zu schnell
Toelichting
Alban Berg: 1885-1935 / Theo Verbey: 1959
Sonate (1984)
De Nederlandse componist Theo Verbey (1959) heeft nationaal en internationaal niet te klagen over interesse voor de vele werken die hij schreef. Toch is zijn arrangement van de pianocompositie van de Oostenrijkse componist Alban Berg zijn bekendste werk. Berg is beroemd door zijn Vioolconcert en zijn twee ’s, Wozzeck en Lulu. Hij begon in 1908 zijn officiële werkenlijst echter met een pianosonate. Geen stuk in de traditionele vorm van drie of vier delen met een vaststaande opbouw, maar een eendelig werk. Een echte Neutöner was Berg, leerling van de destijds niet erg gewaardeerde Arnold Schönberg.
In expressie is deze Pianosonate, 1 overigens romantisch, maar de klanktaal waarin de soms heftige emoties zijn vervat, doorbreekt de grenzen van de klassieke . De vrijheid in melodische ontwikkelingen en de nieuwe, e en werden door Theo Verbey in 1984 overgezet naar een orkest in grote bezetting. Het effect is overweldigend. De pianosonate is uitvergroot tot een orkestouverture die in uitdrukkingskracht doet denken aan de Lulu.
Heinz Köhnen
Franz Liszt: 1811-1886
Tweede pianoconcert (1861)
Franz Liszt geldt nog steeds als de grootste pianovirtuoos aller tijden. Tijdgenoten berichten dat de dames na een concert hun natgehuilde zakdoeken op het podium wierpen en men de maestro op handen de concertzaal uitdroeg. De hysterie die Liszt losmaakte, heeft niet alleen te maken met zijn exorbitante virtuositeit en zijn gave het publiek met waaghalzige sprongen, loopjes en trillers te verbluffen. Liszt kon zijn toehoorders ook door verleidelijke e ën en visionaire muzikale gedachtenvluchten in vervoering brengen. Juist met dat soort schrille contrasten bereikte hij de grootste effecten; je kunt zeggen dat daarin de essentie van zijn muziek besloten ligt. Liszt leidt de luisteraar in zijn werken door hemel en hel, net als Mephisto Faust – niet toevallig heeft hij Goethes drama verklankt. Liszts gevoel voor dramatische effecten bracht hem tot de literatuur en maakte hem de peetvader van het symfonische gedicht. Maar ondanks zijn muzikale vernieuwingen en fabelachtige pianistische successen – of juist daarom – had Liszt ook vijanden. Kritiek kwam vooral uit de conservatieve kringen rond Brahms en diens spreekbuis Eduard Hanslick, die hem van goedkoop effectbejag betichtten. Hanslick: ‘Wij hebben sinds vijfentwintig jaar in Wenen bijna alle symfonische gedichten van Liszt gehoord. Zij alle hangen aan de rok van een beroemde dichter (Dante, Shakespeare, Goethe, Byron) of schilder (Kaulbach). Zelf muzikaal vleugellam laten ze [Liszts aanhangers] zich door hen verder slepen. Dat is de methode: het gebrek aan muzikale vormingskracht (…) te maskeren door verblindende effecten en pseudo-geniaal gedoe.’ Zoals wij weten heeft de strijd niets opgeleverd: net als Brahms heeft Liszt nu een prominente plek in de muziekgeschiedenis.
De twee pianoconcerten van Liszt behoren naast een (Sonate in b klein voor piano solo) tot de weinige werken van deze componist zonder programmatische titel. Hij heeft lang aan de concerten gevijld. Liszt had reeds in de jaren 1830 voor beide werken schetsen gemaakt, maar heeft ze ook na voltooiing nog meerdere malen gereviseerd. Het Tweede pianoconcert in A groot werkte hij vier keer om totdat het in 1861 zijn definitieve vorm kreeg. Ook het Eerste pianoconcert in Es groot heeft Liszt achteraf aan veel veranderingen onderworpen. In hun huidige vorm zijn de concerten te vergelijken met een symfonisch gedicht: de delen voegen zich aaneen als episoden van een verhaal. Een basismotief als het ‘idée fixe’ in de Symphonie fantastique van Berlioz vormt de rode draad. De werken zouden van niemand anders kunnen zijn dan van de componist van de Mephistoen, Liebesträume en s poètiques et religieuses. Van de gevierde die zich uitleefde in ‘diabolische’ pianokunstjes, van de ‘popheld’ die zijn vrouwelijke publiek in katzwijm liet vallen en van de latere abbé die zich overgaf aan zijn extatische religieuze visioenen.
Christiane Schima
Anton Bruckner: 1824-1896
Zesde symfonie (1881)
Een van de hardnekkige misverstanden als het om Anton Bruckner gaat, is de veronderstelling dat al zijn symfonieën op elkaar lijken. Er zijn dan wel gemeenschappelijke stijlkenmerken, zoals melodieën, abrupte pauzes en slepende len, maar het karakter van deze partituren is zeer divers. Zo gaat aan de Zesde symfonie in A groot een ontzagwekkend bouwwerk vooraf, de sterk polyfone Vijfde symfonie, terwijl de Zevende symfonie gedomineerd wordt door een gelukzalig golvende lyriek.
Bruckner had een zwak voor zijn Zesde symfonie. Hij zwichtte deze keer niet voor de adviezen van vrienden, die hem al zo vaak hadden overgehaald wijzigingen in zijn partituren aan te brengen. Twee jaar had hij aan deze symfonie gewerkt. ‘Die Sechste ist die keckste’ placht hij te zeggen. Wat hij er zo ‘koket’ aan vond? Het werk heeft uitgesproken individuele, zich van andere composities onderscheidende kwaliteiten. Die manifesteren zich al op de eerste bladzijden. Hier geen mysterieus begin met trillende strijkers, maar een scherp gesneden ritmische figuur die in het verloop van dit openingsdeel steeds er wordt. Daartegenaan plaatst de componist vanaf de derde maat het eerste met de bekende langzame Bruckner-, die langs de snelle, herhaalde noten van de violen schuift. De hieruit ontstane onrust in de beweging zal nog herhaaldelijk terugkeren. Er is wellicht geen ander werk waarin de Oostenrijkse componist zoveel ritmische inventiviteit toont, terwijl hij ook een voorkeur voor gedurfde harmonische verbindingen aan de dag legt.
Het daaropvolgende , in , kan zich in zijn combinatie van nobele uitdrukkingskracht en verhevenheid zeker meten met de langzame delen van Bruckners andere, vaker gespeelde latere symfonieën. De muziek bezit afwisselend het karakter van een verheven lofzang, een introverte klaagzang en een gewijde processie.
Het is in diverse opzichten opmerkelijk. Het aangegeven tempo is langzamer dan we van dit type muziek bij Bruckner gewend zijn en het stampende , dat zo vaak een boerendans suggereert, ontbreekt. Hier is eerder sprake van een feeërieke natuurschildering.
De Britse musicoloog en componist Robert Simpson noemde het slotdeel ‘fantastisch, bijna surrealistisch’, vermoedelijk doelend op de grillige, onvoorspelbare wendingen en abrupte contrasten. Een melodie brengt de componist in herinnering als gelovige organist. In de slotmaten duikt plotseling het hoofdthema uit het eerste deel op. Deze keer niet op de manier van een plechtige apotheose, zoals we die van Bruckner kennen, maar als fanfare bij wijze van afscheidsgroet.
Aad van der Ven
Biografie
Nederlands Philharmonisch, orkest
Het Nederlands Philharmonisch speelt het grote symfonische repertoire in Het Concertgebouw, maar ook in vele andere concertzalen. Als het vaste orkest van De Nationale , samen met het Nederlands Kamerorkest, wordt het internationaal gerekend tot de beste operaorkesten. Het Nederlands Philharmonisch is in 1985 ontstaan uit het Utrechts Symfonie Orkest, het Nederlands Kamerorkest en het Amsterdams Philharmonisch Orkest.
Dat laatste was in 1953 opgericht door Anton Kersjes, die een nieuw publiek naar de concertzalen wist te trekken doordat hij wekelijks op tv te zien was en de ‘gouden meesterwerken’ uitvoerde. Vanaf 1985 was Hartmut Haenchen chef-dirigent. Hij werd in 2003 opgevolgd door Yakov Kreizberg, en na diens vroegtijdige overlijden in 2011 werd het chef-dirigentschap overgenomen door Marc Albrecht.
Zijn komst kwam een jaar voor de verhuizing van het orkest van de Beurs van Berlage naar de NedPhO-Koepel in Amsterdam-Oost, waar de musici repeteren voor hun optredens. In 2020 nam Marc Albrecht na tien jaar afscheid van het orkest en per seizoen 2021/2022 werd Lorenzo Viotti chef-dirigent van zowel het Nederlands Philharmonisch als De Nationale .
Het vorige concert van het Nederlands Philharmonisch in de Eigen Programmering van Het Concertgebouw was op 20 juni jongstleden: onder leiding van André de Ridder bracht het orkest de Nederlandse première van Dream Requiem van Rufus Wainwright.
Marc Albrecht, dirigent
Marc Albrecht is sinds september 2011 chef- van het Nederlands Philharmonisch Orkest, het Nederlands Kamerorkest en De Nationale . Naast zijn vele optredens in Amsterdam leidde hij recentelijk producties aan de Oper Zürich, het Theater an der Wien en La Scala in Milaan.
Hij onderhoudt nauwe banden met bijvoorbeeld de Semperoper Dresden, de Deutsche Oper Berlin en de Bayerische Staatsoper München en was te gast bij het Royal Opera House Covent Garden in Londen, de operahuizen van Madrid, Brussel en Parijs en de festivals van Salzburg en Bayreuth.
Marc Albrecht is ook een veelgevraagd concertdirigent en werd uitgenodigd door gezelschappen als de Staatskapelle Dresden, het Hallé Orchestra, de Berliner Philharmoniker, het City of Birmingham Symphony Orchestra, het Dallas Symphony Orchestra, het Tokyo Metropolitan Symphony Orchestra en het Orchestre National de France.
Al in zijn tienerjaren begon Marc Albrecht zijn vader, George Alexander Albrecht, te assisteren bij repetities van ’s van Strauss en Wagner – leerjaren die hij voortzette als repetitor bij het operahuis van Hamburg.
In de vroege jaren van zijn carrière was Marc Albrecht assistent van Claudio Abbado bij het Gustav Mahler Jugendorchester in Wenen en chef-dirigent van het Staatstheater Darmstadt (vanaf 1995) en het Orchestre Philharmonique de Strasbourg (vanaf 2006). Aan de piano vertolkt hij ook graag kamermuziek.
François-Frédéric Guy, piano
François-Frédéric Guy verwierf grote bekendheid met zijn vertolkingen van werk van onder anderen Beethoven en Liszt maar speelt ook graag moderne en hedendaagse composities. Hij was als solist bijvoorbeeld te gast bij het Orchestre de Paris, het London Philharmonic Orchestra, de Berliner Symphoniker en het San Francisco Symphony Orchestra.
De Fransman musiceerde onder leiding van onder anderen Esa-Pekka Salonen, Daniel Harding en Neeme Järvi. s gaf François-Frédéric Guy in steden als Londen, Milaan, München, Moskou en Washington.
De pianist bracht een aantal cd’s uit, waaronder in 2013 een box met live-opnames van alle pianosonates van Beethoven en drie jaar eerder al diens pianoconcerten. Zijn debuut als maakte François-Frédéric Guy bij het Orchestre Philharmonique de Liège, dat hij leidde van achter het klavier.
In Het Concertgebouw maakte de pianist zijn debuut in Het Zondagochtend Concert van 16 maart 2014, met Beethovens Tweede pianoconcert met Le Concert Olympique.


