Manfred Honeck leidt Bruckners Symfonie nr. 9

Koninklijk Concertgebouworkest
Manfred Honeck dirigent

Dit programma maakt deel uit van de serie E en Z.

Ook interessant:
- Anton Bruckner in facts & figures

ANTON BRUCKNER (1824-1896) 

Symfonie nr. 9 in d kl.t. (eerste drie delen 1887-1894, Finale 1896)
Feierlich, misterioso
Scherzo: Bewegt, lebhaft – Trio: Schnell
Adagio: Langsam, feierlich
Finale 
Finale in de uitvoeringsversie van Samale, Phillips, Cohrs en Mazzuca, 2012, revisie 2022 John A. Phillips; Nederlandse première

er is geen pauze
einde ± 21.45

    

Toelichting

Toelichting

Door Dirk Luijmes

Terwijl de inkt van zijn Achtste symfonie nog maar net droog was, begon Anton Bruckner op 21 september 1887 aan zijn ­Negende symfonie in d klein. Veel kwam er aanvankelijk nog niet op papier; de componist was vooral druk met het reviseren van eerdere symfonieën. Pas in april 1891 kwam de Negende weer in beeld. De nieuwe d-klein-symfonie is ‘mir ins Herz gewachsen’, schreef hij dat jaar in een brief. 

Mede omdat zijn gezondheid inmiddels te wensen overliet, vreesde hij dat hij het werk niet meer kon voltooien en ‘de dood de pen te vroeg uit zijn hand zou nemen’. Die angst werd bewaarheid: de Negende werd Bruckners ‘Onvoltooide’: voordat hij de Finale kon afmaken stierf de componist op 11 oktober 1896. Had hij de twee voorgaande symfonieën opgedragen aan aardse vorsten, zijn zwanenzang reserveerde hij – zo vertelde hij zijn arts – voor de ‘majesteit der majesteiten’: ‘dem lieben Gott… wenn Er sie annimmt’. Het is dan ook geen wonder dat in de literatuur over Bruckner het werk nogal eens in religieuze termen wordt besproken: ‘De Bruckneriaanse ‘Ferne’ bereikt hier de diepste zingeving’, aldus een Brucknerkenner, ‘Meester Eckharts mystieke woorden ‘Ik moet leeg worden, zodat God helemaal in mijn ziel kan komen’ manifesteren zich in Bruckners Negende symfonie als een klinkende wijsheid.’

Eerste deel

Door negen symfonieën te schrijven (zijn ‘studiesymfonie’ in F groot en de ‘Nulde’ in d klein telde hij niet mee) schaarde de componist zich naast zijn grote voorbeeld Ludwig van Beethoven. Je ontkomt er bijna niet aan nog meer parallellen te zien. Toen Bruckner aan zag komen dat hij zijn symfonie niet af kon maken, overwoog hij een noodoplossing: het werk zou wellicht afgesloten kunnen worden met zijn eigen Te Deum (1881-84). In dat geval zou het werk net als Beethovens Negende een koorsymfonie zijn geworden. Zowel Bruckners als Beethovens Negende staan in d klein en je zou ook de onbestemde openingen met (flarden van) gebroken en met elkaar kunnen vergelijken. 

Bruckners werk begint zelfs bijna uit het niets: vanuit een mysterieus van de strijkers zoeken acht s aarzelend hun weg. Het langzame ontwaken mondt uit in een majestueus openingsthema dat unisono in het orkest losbarst. Dit ‘oerbegin’ wordt vaak de eerste ‘groep’ genoemd; zo’n themagroep beslaat meerdere samenhangende thema’s of motieven. In de milde tweede groep heffen de violen een zangerig thema (in A groot) aan en raken ze met de blazers in een knap lijnenspel verwikkeld. Na een breed derde gegeven speelt Bruckner al deze gegevens in een vrije vorm tegen elkaar uit.

  • Anton Bruckner

Anton Bruckner in 1894

Tweede en derde deel

Net als in de Achtste symfonie volgt op het openingsdeel niet een langzaam deel maar een . Van een vrolijke dans is geen sprake, na de dissonerende klanken van de en de ’s in de strijkers brengt het orkest grimmig een hamerend . Met de pastorale in de hobo klaart de sfeer wat op. Het middensegment van het Scherzo is opvallend snel en onderstreept min of meer de wat spookachtige sfeer van dit deel. Het derde deel, een , is een waardig ‘Afscheid van het leven’, zoals Bruckner zelf bij een dalende lijn in de noteerde. De componist zet meteen de toon door de strijkers met een opvallende sprong (een kleine none) te laten beginnen. In gewijde achtige passages, breed uitgesponnen, weemoedige ’s en verstilde episodes laat de (volgens Richard Wagner) ‘grootste symfonicus na Beethoven’ voor het laatst van zich horen. ‘Het moet het mooiste zijn, dat ik heb geschreven’, zei Bruckner zelf over dit Adagio. ‘Ik word er elke keer als ik het speel door gegrepen.’ 

Bruckners Negende ging op 11 februari 1903, zeven jaar na zijn dood, in première onder leiding van Ferdinand Löwe, die grote veranderingen in de aanbracht. Pas in 1932 klonken de drie bewaard gebleven delen voor het eerst in een originelere versie, terwijl in 1951 dankzij Leopold Nowak de eigenlijke ‘Originalfassung’ in druk verscheen. 

Nadat het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Mengelberg in ­december 1919 voor het eerst de Negende (in de Löwe-versie) had uitgevoerd, jubelde een recensent: ‘In deze symphonie is alles tot levende schoonheid geworden, ook de groote Godseerbied en Godsvreeze van den kinderlijken, eenzamen Bruckner. Dat wonderlijk diepe en innige Adagio zingt en aanbidt in één stroom van melodie, maar ook de eerste Satz is – niettegenstaande het hoofdthema der strenge grootheid – één zingende ziel. Ook het Scherzo is ernstig, héél ernstig: een grootsch afscheid aan de stof van een, die zich-zelf vond op den weg welke onmiddellijk leidt van den Oorsprong over het Doel naar het Einde.’

Vierde deel

In zijn uitgave van 1903 stelde Löwe dat er van de door Bruckner voorziene Finale slechts ‘vage schetsen’ waren overgebleven, waaruit niet ondubbelzinnig was op te maken wat Bruckner er mee wilde. Bovendien vormden de drie voltooide delen in zijn ogen een fraai artistiek geheel. In de loop van de twintigste eeuw werd echter duidelijk dat er van de Finale een behoorlijke hoeveelheid materiaal bewaard was gebleven: zowel de expositie als de doorwerking zijn redelijk compleet. Volgens musicologen ontbreekt nog niet eens een vijfde van het slotdeel. Bovendien groeide het besef dat Bruckner steeds een vierdelige symfonie voor ogen had gehad en de Negende door zijn dood een wezenlijk gedeelte miste: een finale waarin thema’s uit de eerdere delen zouden moeten klinken, samen met fragmenten uit zijn Te Deum en de paashymne Christ ist erstanden. Met een nauwgezette reconstructie van de Finale zou Bruckner meer recht gedaan worden dan met het symfonische torso dat we meestal krijgen te horen.

Een van de deskundigen die zich er mee bezig ging houden was de Australische musicoloog John A. Phillips. Het kostte hem in samenwerking met verschillende collega’s decennia om zich Bruckners stijl en grammatica eigen te maken en zo waarheidsgetrouw mogelijk een reconstructie van het slotdeel te maken. ‘Het is echt werk van een praktische muzikale archeoloog.’ Phillips en de zijnen bleven vanaf 1983 eindeloos schaven en schuren aan het materiaal totdat in 2012 de eerste versie van de zogenaamde ‘SPCM’-Finale werd uitgegeven, verwijzend naar de achternamen van de verantwoordelijke musicologen: Samale, Phillips, Cohrs en Mazzuca. Geheel in de geest van Bruckner (die van verschillende symfonieën meerdere versies naliet) bleef het daar niet bij: de Finale werd in 2021/22 gereviseerd naar aanleiding van de laatste inzichten.

Biografie

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

Manfred Honeck, dirigent

Manfred Honeck, de Oostenrijkse chef- van het Pittsburgh Symphony Orchestra, begon als violist en altviolist en maakte ooit deel uit van de Wiener Philharmoniker. Het directievak leerde hij van onder anderen Claudio Abbado, die hij assisteerde bij het Gustav Mahler Jugendorchester.

Begin jaren 1990 leidde Manfred Honeck regelmatig uitvoeringen van het Opernhaus Zürich en zijn eerste vaste post werd die van chef-dirigent van de Nationale van Noorwegen.

In de daaropvolgende decennia bekleedde hij vergelijkbare posities bij het MDR-Sinfonieorchester, het van de Zweedse Radio en de Staatsoper Stuttgart. In mei 2006 stond Manfred Honeck voor het eerst op de bok bij het Pittsburgh Symphony Orchestra, dat hem aanstelde als chef- met ingang van het seizoen 2008/2009.

Als gastdirigent stond Manfred Honeck voor alle grote Amerikaanse orkesten – Boston, Chicago, Cleveland, Los Angeles, New York, Philadelphia, San Francisco – maar ook voor bijvoorbeeld het Orches­tre de Paris, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, de Berliner en de Wiener Philharmoniker, de Staatskapelle Dresden, het London Symphony Orchestra en de Accademia Nazionale di Santa Cecilia Roma. ’s leidde hij bij de Komische Oper Berlin, De Munt in Brussel en de Salzburger Festspiele. In 2018 werd hij bij de International Classical Music Awards 2018 verkozen tot ‘artist of the year’.

Bij het Concertgebouworkest stond Manfred Honeck in januari 2004 voor het eerst op de bok. Hij kwam terug in 2016 en 2018, en leidde in de Bruckner-cyclus van het orkest zowel de Achtste (juni 2024) als de Negende symfonie (februari 2025).