Makhtin, Korobeinikov & friends met Beethoven en Brahms
Dmitri Makhtin viool
Johannes Moser cello
Alexei Ogrintchouk hobo
Alexander Gurfinkel klarinet
Daniel Gurfinkel klarinet
Andrei Korobeinikov piano
pauze ca. 21.15 uur
einde ca. 22.35 uur
Dit concert maakt deel uit van de serie Strijkers met Variatie.
Johannes Brahms 1833-1897
Eerste sonate in G gr.t., op. 78 (1879) ‘Regen’
voor piano en viool
Vivace ma non troppo
Adagio
Allegro molto moderato
Eerste sonate in f kl.t., op. 120 (1894)
oorspronkelijk voor klarinet en piano, in een bewerking voor twee klarinetten en piano van Amir Bakman
Allegro appassionato
Andante un poco adagio
Allegretto grazioso
Vivace
pauze
Ludwig van Beethoven 1770-1827
Klarinettrio in Bes gr.t., op. 11 (1797) ‘Gassenhauer’
in een transcriptie voor hobo, cello en piano
Allegro con brio
Adagio
Tema, ‘Pria ch’io l’impegno’: Allegretto
Pianotrio in c kl.t., op. 1 nr. 3 (1794-95)
Allegro con brio
Andante cantabile con variazioni
Menuetto: Quasi allegro – Trio
Finale: Prestissimo
Toelichting
1879
Brahms: Eerste vioolsonate, 'regen'
tekst: Anneloes Brand
Johannes Brahms liet een groot oeuvre na, dat nog veel omvangrijker had kunnen zijn als de perfectionistische componist zelf niet een aantal van zijn werken had vernietigd. Zo was zijn Eerste in G groot, ‘Regen’, die hij tijdens zijn zomerverblijven in Pörtschach aan de Wörthersee in 1878 en ’79 componeerde, eigenlijk zijn vierde, volgens zijn leerling Gustav Jenner.
De sonate en het kort daarvoor voltooide Vioolconcert hadden veel te danken aan Brahms’ goede vriend Joseph Joachim, die met viooltechnische adviezen had geholpen. Zoals hij vaker deed met nieuwe composities, stuurde Brahms het manuscript van zijn vioolsonate ter beoordeling aan hartsvriendin Clara Schumann.
De pianiste schreef onverwijld terug: ‘Ik wil je even melden hoe enthousiast ik ben over je , die ik vandaag ontving. Natuurlijk speelde ik het werk meteen door, en aan het eind kon ik mijn tranen van geluk niet bedwingen.’
Brahms’ Eerste sonate is een onderhoudend werk voor beide instrumenten en de delen – niet vier, zoals gebruikelijk, maar drie – zijn op verschillende manieren met elkaar verbonden. De van zijn Regenlied, 59 nr. 3, die Brahms in het laatste deel citeerde en waaraan de sonate zijn bijnaam dankt, leverde het lang-kort-lang-motto dat we in alle drie de delen vinden.
‘Regen, regen dat het giet, en laat me mijn jeugddromen herinneren en de oude jes die we binnen zongen als we de regendruppels buiten hoorden.’ De nostalgische stemming van de tekst sijpelde als vanzelf door de hele sonate. Bovendien liet Brahms het regenen van de prachtige melodieën. ‘Zoveel dat je moet oppassen dat je er niet op gaat staan’, aldus de componist.
1894
Brahms: Eerste klarinetsonate
Na de succesvolle première van zijn Tweede strijkkwintet in 1890 leek het Brahms een mooi moment om met pensioen te gaan. ‘Ik heb genoeg bereikt; ik heb een zorgeloze oude dag voor me, waar ik in vrede van zou kunnen genieten’, zei hij tegen een vriend. Z
ijn bewondering voor Richard Mühlfeld, de eerste klarinettist van de Meininger Hofkapelle, die hij het jaar erop ontmoette, bracht hem echter weer aan het componeren. In de zomer van 1891 schreef Brahms in het schilderachtige Oostenrijkse bergdorp (Bad) Ischl het Klarinettrio, 114 en het Klarinetkwintet, opus 115.
Drie jaar later, opnieuw tijdens zijn zomerverblijf in Ischl, voegde hij daar nog de twee s voor klarinet en piano aan toe. Samen met Mühlfeld bracht hij de sonates op 11 januari 1895 in Wenen in première en speelde hij ze daarna nog diverse malen.
De componist bewerkte de klarinetpartij ook voor en liet beide versies later dat jaar publiceren door zijn uitgever Simrock. De Eerste sonate in f klein etaleert de (klank)mogelijkheden van de klarinet en Mühlfelds sensitieve spel. Met het melancholieke , bespiegelende , dansante Allegretto en energieke (in F groot!) beweegt het werk zich van donker naar licht.
Vandaag klinkt Brahms’ Eerste klarinetsonate in een bewerking voor twee klarinetten en piano van de Israëlische hoboïst Amir Bakman.
1797
Beethoven: Klarinettrio
‘Voordat ik begin met werken, moet ik iets te eten hebben’ is de openingszin van een luchtig, zeer populair uit Joseph Weigls L’amor marinaro, in de herfst van 1797 in Wenen in première gebracht.
Naar verluidt verzocht klarinettist Franz Joseph Bähr het aanstormend compositietalent Ludwig van Beethoven een trio voor klarinet, en piano te schrijven en suggereerde voor het derde deel deze geliefde , ‘Pria ch’io l’impegno’, te gebruiken.
Zo gezegd, zo gedaan, maar omdat de viool hoger aangeschreven stond dan de klarinet, maakte Beethoven van het Klarinettrio in Bes groot ook een (haast identieke) versie voor : viool, en piano. Hij droeg de publicatie in 1798 op aan gravin Maria Wilhelmine von Thun-Hohenstein, de schoonmoeder van een van zijn beschermheren, prins Karl von Lichnowsky.
Het is, zeker voor Beethovens doen, een charmant, zonnig werk, alhoewel sommige tijdgenoten er toch moeite mee hadden. De Allgemeine Musikalische Zeitung oordeelde dat het ‘op verschillende momenten niet makkelijk, maar toch vloeiender dan menig ander werk van deze componist’ was.
Inderdaad, het levendige eerste deel bevat diverse abrupte wendingen en harmonische verrassingen. Het middendeel echter is een prachtig zangerig . En in de finale – een met negen variaties en een – etaleert Beethoven evenzeer zijn pianistische vaardigheden als zijn variatiekunsten.
Zo populair was Weigls melodie, dat naast Beethoven ook componisten als Hummel en Paganini haar hergebruikten en dat zij in Wenen op straat werd gezongen en gefloten. Een echte Gassenhauer (hit) dus, en zo kwam Beethovens trio aan zijn bijnaam. Vandaag wordt de klarinetpartij uitgevoerd op hobo.
1794-95
Beethoven: pianotrio
Beethoven publiceerde in 1795 een set van drie ’s: zijn allereerste (zijn voorgaande werk vond hij blijkbaar niet publicatiewaardig).
De jonge componist gaf daarin rekenschap van zijn lessen bij Joseph Haydn, maar vernieuwde het populaire genre ook. Beethoven voegde een extra deel aan de gebruikelijke drie toe, maakte de ’s langer en emotioneel expressiever, en gaf alle drie de instrumenten een (bijna) gelijkwaardige rol.
Hij spreidde bovendien een grote diversiteit aan karakter en sfeer binnen de set tentoon: het onbezorgde Tweede fungeert als rustig middelpunt tussen het extraverte Eerste en het donkere Derde. Het verhaal gaat dat Haydn na het beluisteren van de drie pianotrio’s Beethoven adviseerde het Derde pianotrio in c klein nog niet uit te geven, omdat het te moeilijk zou zijn en het het publiek niet zou aanstaan.
Dit deed de relatie tussen de twee componisten geen goed. Beethoven liet het drieluik tóch publiceren en droeg het op aan prins Karl von Lichnowsky, die de jonge componist na diens verhuizing van Bonn naar Wenen onder zijn hoede had genomen.
Inderdaad is het derde voor die tijd het meest gedurfd en zijn er elementen in te horen die als ‘typisch beethoveniaans’ bekend raakten: ferme, dramatische ’s, dynamische en, stuwende s en harmonische innovaties. De trio’s werden zo goed verkocht dat de uitgever het publiekssucces ervan als reclame gebruikte toen hij in 1796 Beethovens Pianosonates, 2 op de markt bracht.
Biografie
Dmitri Makhtin, viool
Dmitri Makhtin kreeg vanaf zijn vierde les van zijn ouders, die destijds beiden viool speelden in het Sint-Petersburg Filharmonisch Orkest. Op zesjarige leeftijd werd hij toegelaten tot de jongtalentklas van het conservatorium in deze stad. Later waren Philipp Hirshhorn en Herman Krebbers zijn docenten.
In 1990 kreeg Dmitri Makhtin een beurs van de Young Musicians Foundation in de Verenigde Staten; in dat kader gaf hij s in onder meer New York en San Francisco. Een belangrijk moment in zijn vroege carrière was zijn debuut bij The Cleveland Orchestra in 1998.
Sindsdien soleerde de violist bij tal van toonaangevende orkesten en ensembles. In de van Het Concertgebouw was hij zo te beluisteren met het Nederlands Kamerorkest en het Residentie Orkest. Ook in de was hij eerder te gast, voor het eerst in mei 2006.
Johannes Moser, cello
De Duits-Canadese cellist Johannes Moser werd geëngageerd door de belangrijke orkesten wereldwijd, waaronder de Berliner Philharmoniker, de orkesten van New York, Los Angeles, Philadelphia, Cleveland en Chicago, het BBC Philharmonic Orchestra (op de Proms), het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Tonhalle Orchester Zürich, het NHK Symphony Orchestra in Tokio en het Concertgebouworkest (2009).
Hij soleerde onder en als Riccardo Muti, Lorin Maazel, Mariss Jansons, Valery Gergiev, Zubin Mehta, Vladimir Jurowski, Pierre Boulez, Paavo Järvi, Yannick Nézet-Séguin en Gustavo Dudamel. Zijn laatste optreden in Het Concertgebouw was in de zomer van 2021 Brahms’ Dubbelconcert met Simone Lamsma en het Residentie Orkest Den Haag onder leiding van Anja Bihlmaier.
Johannes Moser nam de concerten op van Dvořák, Lalo, Elgar, Lutosławski, Dutilleux en Tsjaikovski, en wijdde met pianist Alasdair Beatson ook een album (2019) aan het werk van Felix en Fanny Mendelssohn.
Kamermuziek speelde hij met Emanuel Ax, Joshua Bell, Jonathan Biss, James Ehnes, Leonidas Kavakos, Midori en Menahem Pressler. Johannes Moser was betrokken bij compositie-opdrachten aan Julia Wolfe, Ellen Reid, Elena Firsova en Andrew Norman.
Hij studeerde bij David Geringas, won in 2002 het Tsjaikovski Concours en bespeelt een instrument van Andrea Guarneri (1694) uit een privé-collectie.
Alexei Ogrintchouk, hobo
Alexei Ogrintchouk is solohoboïst van het Concertgebouworkest sinds augustus 2005. De hoboïst studeerde aan de Gnessin School in Moskou en soleerde al op zijn dertiende in Rusland, Europa en Japan. Aan het Conservatoire National Supérieur de Musique in Parijs studeerde hij af met eerste prijzen voor hobo en kamermuziek.
Zijn docenten waren onder meer Maurice Bourgue, Jacques Tys en Jean-Louis Capezzali. Hij won het CIEM-Concours van Genève, twee Victoires de la Musique, de Triumph Prijs in Rusland en een Borletti-Buitoni Trust Award. Van 1999 tot 2005 was Alexei Ogrintchouk eerste solohoboïst van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Als solist werkte hij onder meer met de orkesten van het Mariinski Theater en het Bolsjoj Theater, het Nationaal Orkest van Rusland, de orkesten van de BBC (waar hij New Generation Artist 2005 was), het Boedapest Festival Orkest en het Concertgebouworkest.
Kamermuziek speelde hij met musici als Gidon Kremer, Leif Ove Andsnes, Radu Lupu en Thomas Quasthoff. Alexei Ogrintchouk doceert onder meer in Londen en aan het Koninklijk Conservatorium Den Haag, en volgde in 2011 zijn voormalige docent Maurice Bourgue op aan de Haute École de Musique de Genève.
Ook geeft hij masterclasses aan bijvoorbeeld de Pablo Casals Chamber Music Academy in Prades en de Mahler Academy in Ferrara. Alexei Ogrintchouk bespeelt een hobo van de Parijse bouwer Marigaux uit de collectie van Foundation Concertgebouworkest.
Alexander en Daniel Gurfinkel, klarinet
De tweelingbroers Alexander en Daniel Gurfinkel groeiden op in een muzikale familie en begonnen hun opleiding in 2000. Op twaalfjarige leeftijd ontvingen ze een uitnodiging van Zubin Mehta voor een optreden met het Israël Filharmonisch Orkest.
Dat was de start van een succesvolle carrière. In recente seizoenen traden de broers op met een reeks bekende gezelschappen, waaronder het Jerusalem Symphony Orchestra, het Zagreb Philharmonisch Orkest en het Orchestre National des Pays de la Loire.
Ook musiceerden ze opnieuw met het Israël Filharmonisch Orkest. Een aantal hedendaagse componisten schreef nieuw werk voor het duo; zo componeerde Doron Toister in 2013 voor hen het Klezmer Concerto. Ook voor het spelen van kamermuziek reizen Alexander en Daniel Gurfinkel over de wereld. In Het Concertgebouw maken ze vandaag hun debuut.
Andrei Korobeinikov, piano
Andrei Korobeinikov kreeg pianoles vanaf zijn vijfde. Op zijn zeventiende voltooide hij zijn studie rechten en op zijn negentiende studeerde hij cum laude af aan het conservatorium van Moskou, om zijn opleiding te vervolgen aan het Royal College of Music in Londen.
Hij won de eerste prijs van de Scriabin International Piano Competition (2004) en de tweede en de publieksprijs van de Los Angeles Rachmaninoff International Piano Competition (2005). Inmiddels verzorgde de pianist soloprogramma’s – vaak combinaties met poëzie en literatuur – op podia als het Théâtre des Champs-Elysées in Parijs, La Scala in Milaan, de Suntory Hall in Tokio, het Wiener en het Berliner Konzerthaus, het Mariinski Theater in Sint-Petersburg, het Washington Performing Arts Center, de Tonhalle in Zürich en Wigmore Hall in Londen.
Als solist werd hij uitgenodigd door bijvoorbeeld de orkesten van Dresden, Bremen en Johannesburg, het Boedapest Festival Orkest, het Orchestre National de France en Kremerata Baltica. Met het Lahti Symphony Orchestra nam hij de twee pianoconcerten van Sjostakovitsj op.
In de debuteerde Andrei Korobeinikov in 2014 met het Radio Filharmonisch Orkest. In de zomerprogrammering van 2017 gaf hij een solorecital in de en in februari 2018 keerde hij daar terug in kamermuziek met onder anderen hoboïst Alexei Ogrintchouk en cellist Johannes Moser.
Voor hun cd met muziek van Rachmaninoff en Prokofiev kregen Andrei Korobeinikov en Johannes Moser een Diapason d’Or.




