Mäkelä dirigeert Strauss' Alpensinfonie bij het Concertgebouworkest

Concertgebouworkest
Klaus Mäkelä dirigent
Sol Gabetta cello

Dit concert maakt deel uit van de serie D.

Het concert wordt opgenomen door ­AVROTROS voor uitzending op zondag 15 januari om 14.00 uur via NPO Radio Klassiek.

Ook interessant:
- Achtergrondverhaal: Zo werd de cello een soloinstrument
- Infographic: wie is wie in de familie Strauss?
Lijstje (geen) soloconcerten
- Interview met Klaus Mäkelä uit het novembernummer 2022.

Jimmy López Bellido (1978)

Aino (2022)
symfonisch gedicht voor orkest
geschreven in opdracht van het Orchestre de Paris|Philharmonie de Paris, het Concert­gebouworkest en het Chicago Symphony Orchestra;
Nederlandse première

Ernest Bloch (1880-1959)

Schelomo (1915-16)
Hebreeuwse rapsodie voor cello en orkest

pauze ± 20.50 uur

Richard Strauss (1864-1949)

Eine Alpensinfonie, op. 64 (1911-15)
symfonisch gedicht
Nacht – Sonnenaufgang – Der Anstieg – Eintritt in den Wald – Wanderung neben dem Bach– Am Wasserfall – Erscheinung – Auf blumigen Wiesen – Auf der Alm – Durch Dickicht und Gestrüpp auf Irrwegen – Auf dem Gletscher – Gefahrvolle Augenblicke – Auf dem Gipfel – Vision – Nebel steigen auf – Die Sonne verdüstert sich allmählich – Elegie – Stille vor dem Sturm – Gewitter und Sturm, Abstieg – Sonnenuntergang – Ausklang – Nacht

einde ± 22.15 uur

Toelichting

Richard Strauss (1864-1949)

Eine Alpensinfonie

Door Aad van der Ven

  • Richard Strauss

De Beierse Alpen vormden het decor van Richard Strauss’ dagelijks leven. Vanuit zijn villa in Garmisch keek hij uit op de Zug­spitze en het Wettersteingebirge. Dit was de plaats waar hij zich thuis voelde. Wat ligt bij een componist die als geen ander de realiteit in klanken kon weergeven meer voor de hand dan een te schrijven die dit natuurschoon weerspiegelt!

Dat gebeurt in Eine Alpensinfonie met alle vaardigheid en verbeeldingskracht waarover hij als vijftigjarige, met een geweldige staat van dienst als componist, beschikte. Daarvoor gebruikt hij het grootste instrumentale apparaat dat hij ooit in stelling had gebracht. De symfonische gedichten waarmee hij beroemd was geworden waren geleidelijk gegroeid in omvang en mankracht en Eine Alpensinfonie vormt de afsluiting en de bekroning van dit genre.

Alsof iemand plotseling een raam openzet en de schoonheid van buiten op zijn gekwelde geest laat inwerken.

Toen hij aan deze partituur werkte, tussen 1911 en 1915, stond niet meer de orkestmuziek maar de in het centrum van zijn belangstelling. Maar nog één keer leefde hij zich uit met een orkestrale weelde van onder meer twintig s (waarvan twaalf achter het podium), een viervoudige bezetting van de andere blaasinstrumenten, uitgebreid (waaronder een donder- en een windmachine), , celesta, twee harpen en uiteraard een fors strijk­orkest.

Toch is de dosering zodanig dat de muziek niet zozeer overdondert als wel bekoort en intrigeert door haar subtiele kleurenrijkdom en weidse visie. Dat hangt samen met het ‘scenario’ waarvan Strauss uitging, namelijk de indrukken die men krijgt en de kracht van de natuur die men ervaart tijdens de beklimming en de afdaling van een berg. De tweeëntwintig secties van het werk dragen titels die aangeven wat de alpinist ziet en meemaakt, waarbij diens vorderingen door de luisteraar als het ware kunnen worden gevolgd. De componist schiep door deze opzet voor zichzelf de mogelijkheid al zijn kunstvaardigheid in het verklanken van visuele indrukken te demonstreren, van lieflijke beekjes tot gure gletsjers, van zonovergoten bergweiden tot winderige ravijnen. De partituur zelf heeft als het ware de vorm van de berg die hier beklommen wordt. Het werk begint en eindigt met respectievelijk de zonsopgang en –ondergang. In de eerste helft neemt de muziek in grote lijnen in spanning en volume toe totdat de top is bereikt, waarna de afdaling ongeveer evenveel tijd in beslag neemt.

Menigeen zal bij het luisteren naar dit werk denken aan de manier waarop de natuur zich in sommige symfonieën van Gustav Mahler manifesteert, namelijk alsof iemand plotseling een raam openzet en de schoonheid van buiten op zijn gekwelde geest laat inwerken. Dit beeld van de natuur als balsem voor de ziel en als symbool van een nimmer verdwijnende nostalgie, zo sterk bij Mahler aanwezig, was Strauss onbekend. Voor hem was de natuur een prachtig object, niet meer en niet minder.

De eerste uitvoeringen van het werk door het Concertgebouworkest waren op 3 februari 1916 onder leiding van Willem Mengelberg en een week later, op 10 februari, onder Richard Strauss. Semyon Bychkov leidde de laatste uitvoering op 8 februari 2015.

Op 24 en 25 september 2020 debuteerde Klaus Mäkelä bij het Concertgebouw­orkest. Programma en tijdsduur waren aangepast aan de toen geldende coronamaatregelen, de musici zaten ruim twee meter bij elkaar vandaan, evenals het publiek. Op het programma stond onder meer het slotdeel uit de Eerste symfonie van Jimmy López Bellido, een componist die met zijn ­kleurrijke orkestratiekunst een ware nazaat bleek van Richard Strauss.

Twee jaar later is Klaus Mäkelä bezig aan zijn eerste seizoen als artistiek partner van het orkest, en komt hij terug met een nieuw werk van López, gekoppeld aan… Strauss. ‘Ik heb een verhaal voorgesteld waarin de natuur een centrale rol speelt’, zegt Mäkelä over Aino van López, ‘en omdat Richard Strauss’ Eine Alpensinfonie volgens mij een van de mooiste natuurbeschrijvingen uit de muziek is, bleek dat een perfecte combinatie.’ Centraal in het programma staat nóg zo’n verhalend orkestwerk: Schelomo van Ernest Bloch.

Jimmy López Bellido (1978)

Aino

Door Martijn Voorvelt

  • Jimmy López Bellido

Jimmy López Bellido studeerde compositie in zijn geboortestad Lima (Peru), in Helsinki en aan de University of California in Berkeley. Door zijn opdrachtwerk Aino een symfonisch gedicht te noemen plaatst de componist zich zonder blikken of blozen in de romantische traditie. De muziek is gebaseerd op het verhaal van de ongelukkige titelheldin zoals verteld in het vierde gedicht van Finlands nationale epos, de Kalevala. ‘Ik maakte kennis met de Kalevala door Sibelius’ oeuvre’, vertelt López, ‘maar toen ik naar Helsinki ging realiseerde ik me pas goed hoezeer het werk centraal staat in het gevoel van nationale identiteit van de Finnen.’

Aino, onberispelijk gekleed en ontroostbaar, kijkt uit over de zee. Drie dagen geleden verliet ze haar huis, waarna ze door de bossen dwaalde. Bij zonsopgang ziet ze met betraande ogen drie wonderschone meisjes op een landtong baden in het water. Betoverd door de aanblik kleedt Aino zich uit om zich bij hen te voegen, maar zodra ze de landtong betreedt zinkt die in het water en neemt haar mee naar de zeebodem om een eind te maken aan haar verdriet.

Wat López vooral aantrok in het verhaal van Aino – het meisje dat door haar broer wordt uitgehuwelijkt aan een oude rijke man, vlucht, ronddwaalt en uiteindelijk verdrinkt – was de rijke klankwereld: ‘Het gekwelde snikken van Aino, het hypnotiserende visioen van de drie badende meisjes, de rots die zinkt, de haas die door het bos rent om het nieuws over te brengen, de moeder van Aino die weent als ze het lot van haar dochter verneemt, de watervallen, gouden bergen en bomen die aan de eindeloze stromen van haar tranen ontspringen, en de drie koekoeken die klaaglijk zingen op een berkentak. Al die geluiden leidden mij in de manier waarop ik het werk orkestreerde.’ Aan het eind verweven de koekoeken zich met het lie­d van de badende meisjes, dat klinkt in de hoogste regionen van twee soloviolen en een solo-.

López droeg Aino op aan Klaus ­Mäkelä.

Ernest Bloch (1880-1959)

Schelomo

Door Martijn Voorvelt

Ernest Bloch begon op zijn tiende te componeren en bleef dat doen tot aan zijn dood, bijna zeventig jaar later. Zijn vroege composities, veelal beïnvloed door Richard Strauss, hoor je bijna nooit en ook zijn latere, meer neoclassicistische werk wordt weinig gespeeld. De roem van de Zwitserse componist is grotendeels gebaseerd op enkele stukken uit zijn zogenaamde ‘joodse cyclus’ (geschreven tussen 1912 en 1926), waaronder de ‘Hebreeuwse rapsodie’ Schelomo voor en orkest. Deze stukken kwamen voort uit Blochs groeiende verbondenheid met zijn joodse achtergrond: ‘Ik heb geluisterd naar een innerlijke stem… een stem die in mij omhoog golfde toen ik bepaalde passages uit de Bijbel las.’

Het is vooral het boek Prediker dat – in combinatie met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog – aan de basis staat van Schelomo. Bloch trachtte de woorden van Koning Salomo al enige tijd op muziek te zetten, ‘maar noch Frans, noch Duits of Engels vond ik geschikt en mijn kennis van het Hebreeuws was te gering.’ Toen hij de cellist Alexander Barjanski ontmoette begon een plan te rijpen. ‘Waarom zou ik mijn Prediker-­materiaal niet gebruiken, maar dan in plaats van een menselijke stem [...] een veel grootsere en diepzinnigere stem gebruiken, een stem die alle talen kan spreken: die van de cello?’ Volgens Bloch is de cello in dit stuk de stem van de wijze Salomo, terwijl het orkest zowel de wereld om hem heen verklankt als zijn innerlijke wereld.

Hoewel Bloch zelden bestaande muziek citeerde of persifleerde, zijn er vele karakteristieken aan te wijzen die op een joodse invloed wijzen, zoals toonladders met overmatige secunden en kwarten, klagende ën die sterk aan joodse gezangen doen denken, en een ritmiek die afgeleid is van het gesproken Hebreeuws. Dat laatste wordt door musicologen het Bloch-­ genoemd. Het feit dat in het Hebreeuws het ac­cent meestal op de laatste lettergreep valt, wordt bij Bloch muzikaal uitvergroot doordat hij zijn melodieën vaak laat versnellen naar het einde toe, en dan afsluit met een geaccentueerde korte noot. De melodische frasen hebben daardoor steeds de neiging naar een climax toe te werken. Dat horen we niet alleen in zijn vocale werk, maar ook in instrumentaal werk als Schelomo.

Willem Mengelberg leidde de eerste uitvoering door het Concertgebouworkest op 21 april 1921; de solist was Max Loevensohn. De laatste uitvoering was op 29 november 2012 met Jurjen Hempel en solocellist Gregor Horsch.

Biografie

Klaus Mäkelä, dirigent

Klaus Mäkelä is chef- van de Oslo Philharmonic sinds 2020 en muziekdirecteur van het Orchestre de Paris sinds 2021. In 2022 werd bekendgemaakt dat hij in 2027 de achtste chef-dirigent van het Concertgebouworkest wordt. Tegelijkertijd begint de Fin dan als music director van het Chicago Symphony Orchestra.

Klaus Mäkelä heeft een exclusief contract met Decca Classics, waarvoor hij met het Orchestre de Paris drie albums uitbracht en met het Oslo Filharmonisch Orkest onder meer alle symfonieën van Sibelius en drie symfonieën van Sjostakovitsj opnam. De afgelopen seizoenen reisde de met de Oslo Philharmonic door Oost-Azië en trad hij op in Hamburg, Amsterdam, Parijs en Wenen. Bij het Orchestre de Paris lag de focus op Franse componisten en nieuwe muziek tijdens concerten in heel Europa en op tournee in Azië.

Sinds zijn overtuigende debuut bij het Concertgebouworkest in september 2020 staat Klaus Mäkelä ieder seizoen meerdere keren voor het orkest met een grote variëteit aan programma’s. Seizoen 2025/2026 ging van start met een uitgebreide zomertournee naar onder meer de BBC Proms en de Salzburger Festspiele, in november gevolgd door een tournee door Japan en Zuid-Korea. Afgelopen december leidde Klaus Mäkelä de Kerstmatinee en deze maand start een jaarlijkse residency van het Concertgebouworkest op de Osterfestspiele in Baden-Baden, overgenomen van de Berliner Philharmoniker, het orkest waar Klaus Mäkelä dit seizoen terugkeert als gastdirigent.

Als cellist speelt hij bij gelegenheid samen met leden van het Concertgebouworkest en het ­Orchestre de Paris. Klaus Mäkelä studeerde orkestdirectie aan de Sibelius-Academie in Helsinki bij Jorma Panula en bij Marko Ylönen, Timo Hanhinen en Hannu Kiiski.

Sol Gabetta, cello

Sol Gabetta begon haar ­studie in Buenos es en Madrid en zette haar opleiding voort bij David Geringas aan de Hochschule für Musik in Berlijn. In 2004 vestigde ze haar naam definitief door het winnen van de Credit Suisse Young Artist Award en een aansluitend optreden met de Wiener Philharmoniker.

Inmiddels is de Argentijnse celliste van Frans-Russische afkomst onder meer gelauwerd met een Grammy Award, vijf keer een Echo Klassik en de Herbert von Karajan Preis.

Componisten als Peteris Vasks en Wolfgang Rihm droegen nieuw werk aan haar op. Sol Gabetta trad onder meer op met de Berliner en de Wiener Philharmoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het BBC Symphony ­Orchestra (Proms), het Orchestre National de France en de Los Angeles Philharmonic.

Na recente residencies bij het Wiener Konzerthaus, de Bamberger Symphoniker en het Orchestre Philharmonique de Radio France is ze in het huidige seizoen focus artist bij het Tonhalle-Orchester Zürich en artist in residence in zowel het Konzerthaus Dortmund als Bozar in Brussel. De celliste is oprichter en artistiek leider van het Solsberg Festival in Zwitserland en geeft sinds 2005 les aan de Musik-Akademie Basel.

Sol Gabetta was sinds 2011 meermaals te gast bij het Concertgebouworkest, zoals in mei 2019 met het dubbelconcert akin dat Michel van der Aa schreef voor haar en violiste Patricia Kopatchinskaja, en in januari 2023 met Blochs Schelomo onder leiding van Klaus Mäkelä. Sol Gabetta bespeelt een van Matteo Goffriller (Venetië, 1730).