Mahler en Bruckner door de Bamberger Symphoniker en Jakub Hrůša
Bamberger Symphoniker
Jakub Hrůša dirigent
Konstantin Krimmel bariton
Dit concert maakt deel uit van de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten.
Dit concert wordt voorzien van boventiteling.
Ook interessant:
- De werkdag van Jakub Hrůša
- Zo ontstond de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten
Gustav Mahler (1860-1911)
Blumine (1883-88)
Lieder eines fahrenden Gesellen (1883-85)
voor bariton en orkest
Wenn mein Schatz Hochzeit macht
Ging heut’ morgen übers Feld
Ich hab’ ein glühend Messer
Die zwei blauen Augen
pauze ± 20.50 uur
Anton Bruckner (1824-1896)
Symfonie nr. 4 in Es gr.t., ‘Romantische’ (1874; tweede versie 1878-80)
Bewegt, nicht schnell
Andante quasi allegretto
Scherzo: Bewegt – Trio: Nicht zu schnell.
Keinesfalls schleppend
Finale: Bewegt, doch nicht zu schnell
einde ± 22.30 uur
Met dank aan de begunstigers van het Fonds Wereldberoemde Symfonieorkesten.
Toelichting
Gustav Mahler (1860-1911)
Blumine
Door Lonneke Tausch
Toen Gustav Mahler op 20 november 1889 met het orkest van de Koninklijke van Boedapest – waarvan hij chef- was – voor het eerste een première dirigeerde van een groot orkeststuk van eigen hand, stond er nog ‘Sinfonische Dichtung’ op de . Vele luisteraars toonden zich verbaasd, hadden nog nooit zulke rijke ‘natuurmuziek’ gehoord. Het was een voorbode van Mahlers streven om steeds de klanken van de kosmos in zijn werken te vangen. Boven het eerste deel van wat in 1899 uitgegeven zou worden als zijn Eerste symfonie had de componist ‘Wie ein Naturlaut’ geschreven, en inderdaad hoor je hier de natuur ontwaken. Hoofdthema was niet toevallig de van Ging heut’ morgen übers Feld (een van Mahlers Lieder eines fahrenden Gesellen). Bij de eerste drie uitvoeringen van de symfonie liet Mahler na die opening een spelen met de titel Blumine, maar vanaf de vierde uitvoering, in maart 1896 in Berlijn, liet hij dat tweede deel weg.
Gustav Mahler in 1884
De oorsprong van het idyllische Blumine lag in de toneelmuziek bij Joseph Victor von Scheffels Der Trompeter von Säkkingen, die Mahler in juni 1884 geleverd had. Het orkestintermezzo begint en eindigt met een e cantilene voor de . Een recensent van de Boedapester première van de Eerste symfonie had er zich ‘de tedere gevoelens van verliefden in de stilte van de nacht’ bij voorgesteld. Het is aannemelijk dat sopraan Johanna Richter, met wie Mahler in 1883 had gewerkt in Kassel, zijn inspiratie voor het -achtige Blumine is geweest. Pas in 1966 werd de muziek herontdekt, door Mahler-biograaf Donald Mitchell. Op 18 juni 1967 gaf Benjamin Britten op zijn Aldeburgh Festival Mahlers noten hun eerste uitvoering sinds 1894.
Gustav Mahler (1860-1911)
Lieder eines fahrenden Gesellen
Door Frits Vliegenthart
Op 1 januari 1885 schreef Gustav Mahler aan zijn vriend Fritz Löhr: ‘Ik heb een cyclus geschreven van (voorlopig) zes eren, die ik aan haar heb opgedragen. Zij kent ze niet, maar zouden ze haar iets kunnen vertellen wat ze nog niet weet?’ De vrouw op wie Mahler hier doelt, was Johanna Richter: een sopraan aan het hoftheater in Kassel, waar de jonge musicus tweede kapelmeester was. Wees zij hem af of maakte Mahler zelf – omwille van zijn carrière – een einde aan hun affaire? De bronnen zijn hierover niet eensluidend. Hoe dan ook, hij was er erg verdrietig over.
Van de genoemde zes ‘liederen’ (eigenlijk gedichten) zou Mahler er vier op muziek zetten. Het romantische gegeven van een jongeman die na een ongelukkige liefde als zwerver (‘Wanderer’) de wijde wereld intrekt, leidt tot een prachtig kwartet van contrasterende en toch samenhangende tableaus. Wenn mein Schatz Hochzeit macht is een voorbeeld van wat Mahler later zou noemen ‘tragische, hartverscheurende ironie’. Aanvankelijk biedt de heerlijke natuur in Ging heut’ morgen übers Feld enige troost, maar naar het einde toe blijkt dit een illusie te zijn. Fel breekt dan de smart naar buiten in Ich hab’ ein glühend Messer; na de uitgesproken doodswens lost het naspel in het niets op. In het van een treurmars begint de epiloog Die zwei blauen Augen. Onder een lindenboom lijkt de ik-figuur te berusten in zijn lot, wat vervolgens wordt weerlegd door de klanken in de slotmaten van de begeleiding. Weer klinkt hier het treurmarsritme: is er sprake van verlossing in de dood?
Anton Bruckner 1824-1896
Vierde symfonie
Door Stephen Westra
Voer voor romantici, Anton Bruckners Vierde symfonie. De componist schreef het er zelf boven: ‘Symfonie nr 4 ‘Romantische’.’ In een brief aan een goede vriend was hij bepaald kwistig met allerlei associaties die hij bij het eerste deel had, dat zo sprekend opent met strijkers’s en een solo: ‘Mittelalter Stadt – Morgendämmerung – von der Stadttürmen ertönen Morgenweckrufe – die Türe öffnen sich – auf stolzen Rossen sprengen die Ritter hinaus ins Freie; der Zauber des Waldes umfängt sie – Waldesrauschen – Vogelgesang – und so entwickelt sich das ganze romantische Bild [...].’
De Vierde was de eerste symfonie waar Bruckner eens echt voor beloond werd
Dat klinkt als een soort catechismus van de – althans van een bepaalde variant daarvan, namelijk de nostalgische hang naar de geïdealiseerde Middeleeuwen. Een wereld die je ook vindt in ’s van Richard Wagner, voor wie Bruckner grote bewondering had. Voor wie nog meer auditieve handvatten wenst: Bruckner noteerde in de tweede versie van 1878/80 bij het – met andermaal een hoornsignaal – ‘Jagdthema’ en ‘Tanzweise während der Mahlzeit der Jagd’, en bij de finale ‘Volksfest’.
Bruckner heeft deze beschrijvingen verder niet naar buiten gebracht, de romantische verbeelding van de luisteraar dient immers niet aan banden gelegd; bovendien zei hij later soms weer andere dingen. En zo kon de musicoloog Alfred Einstein naar aanleiding van juist deze Vierde symfonie Bruckner ook beschrijven als ‘een romanticus van de hoogste orde [...] voor zover hij zuivere klanken tot grondslag van zijn symfonieën maakte en hierdoor [met deze symfonie] zijn meest harmonieuze werk schiep, dat bijna volledig bestaat bij de gratie van pure klankschoonheid.’ Goede, eerlijke muziek heeft eigenlijk geen woorden of associaties nodig om begrepen te worden.
De Vierde was de eerste symfonie waar Bruckner eens echt voor beloond werd. De première werd stormachtig ontvangen. Het werd waarachtig tijd ook; de componist was inmiddels 57 en was tot dan veelal miskend, zelfs bespot. ‘Muzikale boa constrictors’ noemde Johannes Brahms de symfonieën waaraan Bruckner vaak jarenlang werkte en herschreef, ‘een zwendelarij om te lachen’, en de invloedrijke criticus Eduard Hanslick was zó grof dat toen Bruckner eens bij keizer Franz Joseph op audiëntie was en deze hem vroeg of hij iets voor hem kon doen, hij nogal naïef antwoordde: ‘Kan Uwe Majesteit Hanslick van de Freie Presse niet verbieden dat hij mij zo afkamt?’
Maar op de avond van 20 februari 1881 in Wenen werd zijn muziek dus op waarde geschat. Bruckner, die zo lang had gezocht naar erkenning, vond de publieksreacties zo aanmoedigend, dat hij na elk gespeeld deel op zijn wat onhandige manier het podium opklom om met een diepe buiging het applaus in ontvangst te nemen. Op al even roerende wijze had hij tijdens de generale repetitie al Hans Richter bedankt, die samen met de Wiener Philharmoniker zijn werk zo overtuigend tot klinken bracht. Richter vertelde later graag over een zeker muntje dat hij altijd bewaard had: ‘Deze Thaler is een munt die mij herinnert aan een dag waarop ik heb moeten huilen. Voor het eerst dirigeerde ik een Bruckner-symfonie. Bruckner, toen al een oude man, woonde de generale repetitie bij. Zijn werken werden nauwelijks ergens gespeeld. Toen de symfonie voorbij was, kwam hij naar mij toe, stralend van geestdrift en blijdschap. Ik voelde hoe hij me iets in de hand drukte. ‘Neem dit en drink een pul bier op mijn gezondheid,’ zei hij. Het was deze Thaler.’
Biografie
Jakub Hrůša, dirigent
Jakub Hrůša is chef- van de Bamberger Symphoniker en – met ingang van 2025/2026 – music director van de Royal in Londen. Daarnaast is hij eerste gastdirigent van het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia en van het Tsjechisch Filharmonisch Orkest, dat hem recent benoemde tot chef-dirigent met ingang van 2028.
Als gastdirigent onderhoudt Jakub Hrůša goede banden met onder meer de Wiener, de Münchner en de Berliner Philharmoniker, het Gewandhausorchester Leipzig, de Staatskapelle Dresden, het Orchestre de Paris, het NHK Symphony Orchestra Tokyo, de orkesten van Cleveland, New York, Chicago en Boston en – sinds 2015 – het Concertgebouworkest.
dirigeerde Jakub Hrůša op het Glyndebourne Festival en in de grote theaters van Wenen, Londen, Parijs en Zürich. In 2023 benoemde Opus Klassik hem tot van het jaar. Voor opnames met de Bamberger Symphoniker won hij twee ICMA Prizes (werken van Rott respectievelijk Bruckner) en een Preis der deutschen Schallplattenkritik (Mahler), en in 2024 viel hij dubbel in de prijzen bij de Gramophone Awards, voor Brittens Vioolconcert met Isabelle Faust en het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en voor Janáčeks Kát’a Kabanová op de Salzburger Festspiele.
Jakub Hrůša studeerde in Praag bij Jiří Bělohlávek en was in 2015 de eerste winnaar van de Sir Charles Mackerras Prize. Hij kreeg samen met zijn Bamberger Symphoniker de Bayerische Staatspreis für Musik, werd in zijn vaderland onderscheiden met de Antonín Dvořák Prize en de zilveren medaille 2024 van de Tsjechische Senaat, en is erelid van de Royal Academy of Music in Londen.
Konstantin Krimmel, bariton
Konstantin Krimmel, met zingen begonnen bij de St. Georgs Chorknaben in zijn geboorteplaats Ulm, studeerde in 2020 af bij Teru Yoshihara en wordt gecoacht door Tobias Truniger in München.
De Duits-Roemeense bariton won de Deutscher Musikwettbewerb 2019 en de Internationaler Helmut Deutsch wettbewerb, was BBC New Generation Artist (2021-23) en kreeg in 2024 een Klassik als zanger van het jaar en een Gramophone Award voor Schuberts Die schöne Müllerin met pianist Daniel Heide. Voor datzelfde album en voor de cd Mythos met pianist Ammiel Bushakevitz won hij de Preis der deutschen Schallplattenkritik.
In 2023 bracht Konstantin Krimmel bovendien twee -cd’s uit met Hélène Grimaud (Silvestrov respectievelijk Brahms/Schumann). s gaf hij in de Kölner Philharmonie, het Konzerthaus Berlin, de Oper Frankfurt en Wigmore Hall in Londen en tijdens de Heidelberger Frühling, de Schubertiades van Vilabertran en Schwarzenberg en het Oxford Lieder Festival. Als solist in oratoria werd Konstantin Krimmel uitgenodigd door Raphaël Pichon (Brahms), Philippe Herreweghe (Bach), Thomas Hengelbrock (Fauré) en Hans-Christoph Rademann (Brahms).
Bij het Concertgebouworkest stond hij in 2024 in Bachs Matthäus-Passion. Met Mahlers Lieder eines fahrenden Gesellen debuteerde hij in december 2024 bij het Chicago Symphony Orchestra, en dezelfde cyclus zong hij afgelopen april in Het Concertgebouw met de Bamberger Symphoniker en Jakub Hrůša.
In het vak begon voor de zanger in september 2021 een nieuw hoofdstuk, toen hij werd opgenomen in het ensemble van de Bayerische Staatsoper in München. Met liederen van Schumann en Brahms debuteerde Konstantin Krimmel op 21 februari 2023 in de met pianist Julius Drake.
Bamberger Symphoniker, orkest
Sinds de oprichting in 1946 gaf de Bamberger Symphoniker zo’n 7.700 concerten in meer dan 500 steden in 64 landen; zo is het orkest wereldwijd een ambassadeur van zijn Beierse thuisstad, die behoort tot het Unesco Werelderfgoed. De oprichtingsgeschiedenis maakt het orkest tot een spiegel van de Duitse geschiedenis: in Bamberg troffen musici hun gevluchte collega’s van het Deutsches Philharmonisches Orchester Prag, en zo ontstond een speelstijl die teruggaat tot Mahler en Mozart.
In 2004 kreeg het orkest de eretitel Bayerische Staatsphilharmonie, en het ontvangt structureel subsidie van de deelstaat Beieren. Thuisbasis is de Joseph-Keilberth-Saal van de Konzerthalle Bamberg, geïnaugureerd in 1993 en in 2008 akoestisch geoptimaliseerd door de Japanse geluidsexpert Yasuhisa Toyota. Sinds 2010 is er de eigen orkestacademie.
Vier chef-en – Joseph Keilberth, James Loughran, Horst Stein en Jonathan Nott – en artistiek leider Eugen Jochum hebben de Bamberger Symphoniker in het verleden geleid. Met de aanstelling van de Tsjech Jakub Hrůša in 2016 is opnieuw een brug geslagen naar de wortels van het gezelschap. Ook de eredirigenten Herbert Blomstedt, Christoph Eschenbach en Manfred Honeck staan geregeld op de bok, en verder werkt het orkest met gerenommeerde gastdirigenten als Andris Nelsons en Lahav Shani. In samenwerking met de Bayerischen Rundfunk gemaakte concertopnames en -uitzendingen dragen verder bij aan de faam van de Bamberger Symphoniker.
Het vorige optreden van het orkest in Het Concertgebouw was in de zomerprogrammering van 2019, onder leiding van Jakub Hrůsa en met Joshua Bell als solist in Dvořáks Vioolconcert.



