Made in Amsterdam: Amsterdam Sinfonietta Solisten
Amsterdam Sinfonietta Solisten
Candida Thompson viool
Jacobien Rozemond viool
Georgy Kovalev altviool
Veit Hertenstein altviool
Sébastien van Kuijk cello
Örs Köszeghy cello
Dit concert maakt deel uit van de serie Made in Amsterdam.
Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621)
Chromatische fantasie (jaartal onbekend)
oorspronkelijk voor een toetsinstrument; arrangement voor strijkers van Bernhard van den Sigtenhorst Meyer (1951)
Johannes Brahms (1833-1897)
Eerste strijksextet in Bes gr.t., op. 18 (1859–60)
Allegro ma non troppo
Andante ma moderato
Scherzo: Allegro molto
Rondo: Poco allegretto e grazioso
pauze ± 21.05 uur
Jan Pieterszoon Sweelinck
Mein junges Leben hat ein End (jaartal onbekend)
oorspronkelijk voor een toetsinstrument; arrangement voor strijkers van Mathilde Wantenaar (2019; in opdracht van het Compositieopdrachten Fonds van Het Concertgebouw Fonds)
Antonín Dvořák (1841-1904)
Strijksextet in A gr.t., op. 48 (1878)
Allegro moderato
Dumka (Elegie): Poco allegretto
Furiant: Presto
Finale, Tema con variazioni: Allegretto grazioso, quasi andantino
einde ± 22.10 uur
Toelichting
Jan Pieterszoon Sweelinck 1562-1621
Sweelinck: Chromatische fantasie
Door Agnes van der Horst
Kort nadat de van huis uit katholieke Jan Pieterszoon Sweelinck in dienst was gekomen als organist van de Oude Kerk van Amsterdam werd de stad protestants. Vanaf 1578 werd tijdens de kerkdienst niet meer meerstemmig gezongen en het niet bespeeld.
Toch veranderde er niet veel voor Sweelinck. Hij was stadsorganist, in dienst van de gemeente en niet van de kerk, en werd geacht de hele week door regelmatig orgelconcerten te geven.
Zijn faam als organist en componist verspreidde zich al snel over heel Europa en zorgde voor een gestage toeloop van binnen- en buitenlandse leerlingen (John Bull, Samuel Scheidt, Heinrich Scheidemann), die bij ‘Meester Jan’, zoals hij werd genoemd, de kneepjes van het klaviervak leerden. Ook Sweelincks orgelimprovisaties trokken muziekliefhebbers van heinde en verre naar Amsterdam.
Hoe die s klonken zullen we nooit weten, maar het zou goed kunnen dat de organist de beste ervan vastlegde in de verschillende fantasia’s (composities in vrije vorm) die hij componeerde. Daarvan is de fantasie een van de bekendste.
Het werk (voor of klavecimbel – Sweelinck gaf niet aan voor welk klavierinstrument hij componeerde) is opgebouwd vanuit een chromatisch van zes noten, samen een dalende kwart.
Het ontvouwt zich in drie secties. Eerst is de chromatische steeds te horen in de ene of de andere stem. Daarna wordt zij in lange notenwaarden opgedeeld en omringd door verbijsterend virtuoze passages. Het werk eindigt met een duizelingwekkende versnelling van het muzikale materiaal.
In muziek van de tijd van Sweelinck was de stemming anders, waardoor bijvoorbeeld de noten dis en es (die in onze huidige stemming hetzelfde klinken) duidelijk van elkaar verschilden. De Nederlandse componist en Sweelinck-kenner Bernhard van den Sigtenhorst Meijer bewerkte in de jaren veertig van de vorige eeuw Sweelincks Chromatische fantasie, zodat het stuk ook op moderne instrumenten en in de stemming van nu kan worden uitgevoerd.
Johannes Brahms 1833-1897
Brahms: Eerste strijksextet
Johannes Brahms schreef twee strijksextetten – wat opvallend is, want strijksextetten (voor twee violen, twee altviolen en twee ’s) werden en worden weinig gecomponeerd.
Brahms werd componist in een tijd waarin grote meesters als Richard Wagner en Franz Liszt alle aandacht kregen. Ze waren behalve grote talenten ook revolutionairen, die zich losmaakten van de vaste regels en vormen van de muziek uit de .
Voor een beginnend componist als Brahms toen was (in 1860), moet dat imponerend zijn geweest. Toch was hij het meest onder de indruk van al overleden genieën als Bach, Haydn, Mozart, Beethoven en Schubert.
Brahms bleef trouw aan de klassieke vormen als , strijkkwartet en symfonie, maar hij wilde ze wel componeren in zijn eigen stijl en passend in zijn eigen tijd. Dat viel hem in eerste instantie niet gemakkelijk.
Zo deed hij verschillende (minstens twintig!) pogingen strijkkwartetten te schrijven, maar nooit waren ze in zijn ogen zo goed als die van (vooral) Beethoven. Toen hij na lang aandringen van zijn goede vriend en beroemd violist Joseph Joachim toch voor viool ging componeren, koos hij voor het strijksextet, daar voelde hij zich vrijer in.
Die vrijheid en zekerheid zijn te horen het Eerste strijksextet, dat al snel een succes werd. De heeft een belangrijke rol, waardoor de hele compositie een warme vriendelijke klank heeft. Dat geldt vooral voor het eerste en laatste (vierde) deel.
Die delen lijken wel wat op elkaar. Ze beginnen allebei met een vergelijkbaar zangerig hoofdthema in de cello’s. De kopdelen eindigen ook beide met passages.
Brahms’ Eerste strijksextet ging in 1860 in première in een uitvoering van een strijkersgroep onder leiding van Joseph Joachim. Het succes van het werk droeg bij aan de erkenning van Brahms als componist.
Sweelinck: Mein junges Leben hat ein End
Tijdgenoten noemden Jan Pieterszoon Sweelinck ‘de Orpheus van Amsterdam’, of (zoals Vondel) ‘de Phoenix der Musycke’. Sweelinck werd geroemd om zijn spel, maar was ook geliefd om zijn vocale muziek. Hij componeerde veel chansons, psalmen en cantiones sacrae (heilige gezangen).
Dat hij van zang hield, klinkt door in zijn werken voor orgel en klavecimbel. Verschillende zijn gebaseerd op volksliedjes zoals Malle Sijmen, andere op psalmen als Wo Gott der Herr. De variatiereeks op Mein junges Leben hat ein End heeft een melancholiek Duits als basis.
Het werk bestaat uit zes variaties en telkens gebruikt Sweelinck andere compositorische en ische technieken. In de eerste variatie horen we de oorspronkelijke versie van het met een tamelijk eenvoudige contrapuntische begeleiding. In de tweede variatie is het contrapunt complexer.
In de derde verandert de ritmiek en stijgen de virtuositeit en de snelheid. In de vierde en vijfde variatie verwerkt Sweelinck len en sextolen en in de laatste mengt hij schijnbaar moeiteloos imitatie en contrapunt, maar met behoud van de eenvoudige charme van het lied.
Componiste Mathilde Wantenaar, die afgelopen seizoen haar eigen Octet voor strijkers bewerkte voor Amsterdam Sinfonietta, maakte een strijkersarrangement van Sweelincks Mein junges Leben hat ein End.
Antonín Dvořák 1841-1904
Dvořák: Strijksextet
Zoals gezegd: een strijksextet is geen doorsnee genre. De Italiaanse componist Luigi Boccherini was een van de eersten – misschien wel dé eerste – die aan het eind van de achttiende eeuw strijksextetten componeerde, en dan meteen ook maar liefst zes. Daarna duikt het muziekgenre zo af en toe op.
Antonín Dvořáks (enige) Strijksextet in A groot is hoogstwaarschijnlijk geïnspireerd op Brahms’ Eerste strijksextet; het heeft een vergelijkbare opbouw, opgewektheid en zangerigheid.
Toen de Tsjechische componist dit stuk schreef was hij, net als Brahms toen zijn Eerste strijksextet werd uitgevoerd, nog weinig bekend. Maar in de achttien jaar die de sextetten van elkaar scheiden was Brahms een invloedrijk componist geworden en bovendien lid van een comité in Wenen dat kunstenaars voordroeg voor een ondersteuning door de staat.
In 1874 stuurde Dvořák, die in armoede leefde, een paar van zijn composities naar het comité. Brahms onderkende zijn talent, zorgde ervoor dat zijn jongere collega financiële ondersteuning kreeg, en dat zijn werk bekend werd en gepubliceerd. De erkenning door een grootheid als Brahms gaf Dvořák vleugels, direct erna componeerde hij het ene prachtwerk na het andere.
Het Strijksextet in A groot ontstond in een periode waarin Dvořák zijn Slavische dansen en Rapsodie voor orkest componeerde, en veel bezig was met de muzikale folklore van zijn land. De volkse elementen kwamen ook terecht in het sextet.
De titels van de middelste delen – Dumka (een Oost-Europees genre) en Furiant (Boheemse dans) – duiden daar al op, de Slavische s en ën bevestigen het.
Net als bij Brahms’ Eerste strijksextet was het violist Joseph Joachim die Dvořáks Strijksextet in première bracht. Het was Dvořáks eerste kamermuziekstuk dat in het buitenland (Berlijn) bekend werd.
Biografie
Candida Thompson, viool
Candida Thompson studeerde in 1989 met onderscheiding af bij David Takeno aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen en bekwaamde zich verder aan het Banff Centre for the Arts in Canada. Ze leidde strijkorkesten in Scandinavië, Nederland, Spanje en Groot-Brittannië.
De Britse violiste is een gepassioneerd kamermusicus, deelde het podium met musici als Isaac Stern, Janine Jansen, Harriet Krijgh, Simone Lamsma, Isabelle Faust en Bruno Giuranna, en werd uitgenodigd op evenementen als het Kuhmo Festival (Finland), het Gubbio Festival (Italië), het Internationaal Kamermuziek Festival Utrecht en La Musica (Verenigde Staten).
Met celliste Xenia Jancovic en pianist Paolo Giacometti vormt ze het Hamlet Pianotrio. Als soliste trad Candida Thompson op met talloze orkesten in Europa, de Verenigde Staten en het Verre Oosten. Bij Amsterdam Sinfonietta werd ze in 1995 concertmeester en in 2003 tevens artistiek leider. Ze bespeelt een viool van Guarneri del Gesù (Cremona, 1698-1744).
Jacobien Rozemond, viool
Jacobien Rozemond studeerde viool bij Davina van Wely en Ilya Grubert en won in 1995 de Essoprijs voor het beste eindexamen van dat jaar aan het Rotterdams Conservatorium. In datzelfde jaar was ze finaliste in de Vriendenkrans van Het Concertgebouw. Ze vervolgde haar studie bij David Takeno in Londen.
Als lid van het Ruysdael Kwartet nam Jacobien Rozemond in 2006 de Kersjesprijs in ontvangst. Van 1997 tot 2004 maakte de violiste deel uit van Combattimento Consort Amsterdam, en met het Amsterdam Bridge Ensemble nam ze onder andere kamermuziek van Hendrik Andriessen en René Samson op.
Sinds 2003 is Jacobien Rozemond aanvoerder van de tweede vioolgroep van Amsterdam Sinfonietta en in 2015 richtte ze met violiste Floor Le Coultre, altvioliste Francien Schatborn en cellist William McLeish het Hermitage Kwartet op.
Georgy Kovalev, altviool
De Russisch-Duitse altviolist Georgy Kovalev werd geboren in Tbilisi, werd leerling van Yuri Bashmet in Moskou en van Matthias Buchholz in Keulen, en studeerde vervolgens aan de Kronberg Academy bij Nobuko Imai en aan de Hochschule für Musik ‘Hanns Eisler’ bij Tabea Zimmermann.
Hij won prijzen van de Yuri Bashmet International Viola Competition, de Tokyo International Viola Competition en de Johannes Brahms Wettbewerb en soleerde bij de New Japan Philharmonic, het Münchener Kammerorchester en de Kremerata Baltica.
De altist heeft een grote liefde voor kamermuziek, wat resulteerde in optredens met Christian Tetzlaff, Steven Isserlis, Fazıl Say, Frans Helmerson, Emanuel Ax en Jörg Widmann en uitnodigingen van evenementen als de Schubertiade, het Verbier Festival, het Ravinia Festival, de Heidelberger Frühling en het Rheingau Festival.
Georgy Kovalev maakt deel uit van het Corneille Piano Quartet en vormt een strijktrio met violist Stephen Waarts en celliste Ella van Poucke. Sinds 2021 is hij bovendien aanvoerder van de altviolen van Amsterdam Sinfonietta. Bij zijn vorige optreden in de , in november vorig jaar, stonden klarinetkwintetten op de lessenaar met Olivier Patey, Maria Milstein, Mathieu van Bellen en Quirine Viersen. Georgy Kovalev bespeelt een instrument uit 1820 van de Londense bouwer Bernhard Simon Fendt.
Veit Hertenstein, altviool
Veit Hertenstein studeerde cum laude af aan de Haute École de Musique in Genève bij Nobuko Imai. Onder zijn inspiratoren rekent hij verder György Kurtág, Krzysztof Penderecki, Gabor Takács-Nagy, Yuri Bashmet en Kim Kashkashian.
De Duitse altviolist won in 2009 zowel de eerste Tokyo International Viola Competition als de New Talent Competition van de European Broadcasting Union. Toen hij in 2011 naast de eerste prijs nog acht onderscheidingen behaalde van de Young Concert Artists International Auditions in New York volgden uitnodigingen van verschillende Amerikaanse podia.
Veit Hertenstein is een graag geziene gast op bijvoorbeeld het Marlboro Music Festival, het Viola Space Festival Tokyo, het Menuhin Festival in Gstaad, La Folle Journée in Nantes en het Verbier Festival. Kamermuziek speelde hij met Midori, het Trio Wanderer, het Modigliani Kwartet en het Ysaÿe Kwartet.
De altviolist is oprichter van het Orion String en was van 2011 tot 2017 aanvoerder van de altgroep van het Sinfonieorchester Basel.
Sébastien van Kuijk, cello
Sébastien van Kuijk volgde zijn conservatoriumopleiding in Parijs, waar hij les had van Jean-Marie Gamard en Philippe Müller. Onder zijn mentoren zijn ook Gary Hoffman en Frans Helmerson. Prijzen won de cellist tijdens prestigieuze concoursen in onder meer Praag, Parijs en Kronberg.
In 2007 nam hij deel aan de Holland Music Sessions en hij debuteerde bij die gelegenheid in de van Het Concertgebouw. Inmiddels werd Sébastien van Kuijk als solist uitgenodigd door bijvoorbeeld het HR-Sinfonieorchester in Frankfurt, het London Orchestra en het Bohuslav Martinů Filharmonisch Orkest. Hij is ook actief als kamermusicus, en componisten als Karol Beffa en Nicolas Bacri droegen hun werken aan hem op.
Örs Köszeghy, cello
Örs Köszeghy is afkomstig uit Boedapest en was in deze stad leerling van Csaba Onczay. Hij vervolgde zijn studie aan het Conservatorium van Amsterdam bij Dmitri Ferschtman en rondde in 2006 zijn opleiding af.
Prijzen won de cellist tijdens onder meer het János Starker Concours in zijn geboortestad en het David Popper Internationaal concours in de Hongaarse plaats Várpalota.
Örs Köszeghy was de afgelopen jaren te gast op vele podia in binnen- en buitenland. In 2007 was hij eerste cellist in het Luzern Festivalorkest, waar hij werkte met Pierre Boulez en Peter Eötvös. Aan de zijde van cellist Anner Bijlsma is hij te zien in de documentaire The Secret of Boccherini (2008).
Örs Köszeghy speelde herhaaldelijk in Asko|Schönberg en maakt sinds 2009 deel uit van Amsterdam Sinfonietta.





