LUCY CROWE EN ANNA TILBROOK

Vocaal 1 20.15 uur

Lucy Crowe sopraan
Anna Tilbrook piano

 

Henry Purcell 1659-95

Sweeter than Roses
uit ‘Pausanias, the Betrayer of his Country’, Z 585
(1695/arr. Benjamin Britten 1947)

O Solitude, my Sweetest Choice, Z 406 (1684-85)

Benjamin Britten 1913-1976

Sweet Polly Oliver
uit ‘Folk Song Arrangements, vol. 3: British Isles’ (1945-46)

Henry Purcell

Alleluia
uit ‘O, Lord, Rebuke Me Not’
(toegeschreven aan John Weldon, 1676-1736)

Franz Schubert 1797-1828

An den Mond, D 193 (1815)
Gretchen am Spinnrade, D 118 (1814)
An die Sonne, D 270 (1815)
Heidenröslein, D 257 (1815)
Marie, D 658 (1819)
Nacht und Träume, D 827 (1823)

Richard Strauss 1864-1949

Ich schwebe
uit ‘Fünf Lieder’, op. 48 (1900)

Die Nacht
uit ‘Acht Gedichte aus Letzte Blätter’, op. 10 (1885)

Morgen
Cäcilie
uit ‘Vier Lieder’, op. 27 (1894)

pauze

Claude Debussy 1862-1918

Rondel Chinois (1881)
La fille aux cheveux de lin (1881)
Jane (1881)
Seguidille (1882)
Benjamin Britten
The Ash Grove
The Salley Gardens
uit ‘Folk Song Arrangements, vol. 1: British Isles’ (1941-42)

traditioneel

The Lark in the Clear Air 
(arr. Phyllis Tate)
She Mov’d thro the Fair

Benjamin Britten

She’s Like the Swallow
uit ‘Eight Folk Songs’ (1976)

William Walton 1902-83

A Song for the Lord Mayor’s Table (1962)
The Lord Mayor’s Table
Glide Gently
Wapping Old Stairs
Holy Thursday
The Contrast
Rhyme


begin van de pauze ca. 21.00 uur
einde van het concert ca. 22.15 uur

teksten gratis verkrijgbaar aan de zaal

Toelichting

1659-95 en 1913-1976

Purcell en Britten

Tekst: Marco Nakken

Henry Purcell heeft ruim tweehonderdvijftig eren en ’s gecomponeerd. Hij schreef ze voor het hof, de adel, de gegoede ­burgerij en het theater. Een groot deel ervan is in samenwerking met Purcells weduwe Frances onder de titel Orpheus Britannicus in 1698 en 1702 in twee delen in druk verschenen.

Purcell noteerde alleen de bas en de bovenstem. Aan de hand van de bas, aangevuld met wat cijfers om len aan te geven, werd de begeleider, meestal een klavecinist of luit­speler, geacht de ën al improviserend uit te werken.

Benjamin Britten heeft voor zijn continuo-uitwerkingen (‘realisations’) de hem toegestane vrijheid optimaal benut. ‘Purcell heeft een solide en betrouwbare structuur geleverd die de wildste fantasieën op een betekenisvolle wijze kan omvatten’, schreef hij in het essay On Reali­sing the Continuo in Purcell’s Songs.

In Sweeter than Roses borduurt Britten voort op de door Purcell reeds gesuggereerde tekstuitbeelding: pendelende sexten bij ‘trembling’, glazige en in het hoge register die ‘bevriezen’ en geschal op ‘victorious love’.

Oh, Solitude wordt in Orpheus Britannicus aangeduid als ‘a song upon a ground’. Een ‘ground’ is een , een melodisch patroon dat telkens wordt herhaald, in de bas. In dit geval omvat het ostinato vier ma­ten die achtentwintig keer herhaald worden.

Alleluia, een miniatuur colaratuur-, komt niet uit Orpheus Britannicus, maar uit een negentiende-eeuwse anthologie, waarin die abusievelijk aan Purcell werd toegeschreven. Tegenwoordig gaat men ervan uit dat John Weldon, een tijdgenoot van Purcell, de componist is.

In zijn arrangementen van volksliederen heeft Britten ernaar gestreefd om de begeleidingen een eigentijds karakter te geven. Het werd hem door de folklore-puristen niet in dank afgenomen. The Salley Gardens en The Ash Grove uit respectievelijk Ierland en Wales behandelen het van de verloren liefde. Opmerkelijk is de bitonaliteit in de laatste strofe van The Ash Grove: de bovenstem van de piano staat in een andere dan de zangstem, wat een vervreemdend effect heeft.

Sweet Polly Oliver is een ballade over een meisje dat zich als soldaat verkleedt om bij haar geliefde te kunnen zijn. Het arrangement voor She’s Like the Swallow stamt uit Brittens laatste levensjaar en werd oorspronkelijk voor harp en hoge stem geschreven.

Volksliederen

The Lark in the Clear is een Ierse volksmelodie, die m 1850 door de dichter Samuel Ferguson van een Engelse tekst is voorzien. Het arrangement van Phyllis Tate, die vooral door haar koor­werken bekend is geworden, is in vergelijking met Brittens bewerkingen tamelijk conventioneel. She Mov’d thro the Fair is een van de meest geliefde Ierse volksliederen. De is gebaseerd op de in de Middeleeuwen en Renaissance gangbare mixolydische toonladder: met een verlaagde zevende trap.

1797-1828

Franz Schubert

In 1814 had de zeventienjarige Franz Schubert reeds een kleine honderd eren op zijn naam staan, maar het in oktober van dat jaar gecomponeerde Gretchen am Spinnrade, op een gedicht uit Goethes Faust, wordt over het algemeen beschouwd als zijn eerste meesterwerk.

Het perpetuum mobile in de piano beeldt zowel het draaiende spinne­wiel als Gretchens cirkelende gedachten uit, terwijl de doorgecomponeerde haar stemmingswisselingen volgt. An den Mond heeft vier strofen in een ABA-vorm. De eerste en laatste strofe, met hun naar Beethovens Mondscheinsonate verwijzende ­begeleiding, staan in .

De middelste strofen, waarin gelukkige herinneringen worden opgeroepen, staan in Heidenröslein en An die Sonne hebben de strofische vorm van een volkslied. Het ontroerende Marie, een overpeinzing over de maagd Maria, is waarschijnlijk het kortste dat Schubert heeft gecomponeerd.

In Nacht und Träume, een ode aan de nacht als brenger van zoete dromen, geeft de plotselinge na ‘stille Brust’ de verrukking die de dromen schenken volmaakt weer.

1864-1949

Richard Strauss

Richard Strauss liet zich bij het componeren van eren naar eigen zeggen inspireren door de schoonheid van de sopraanstem en had de muziek vaak al in gedachten voordat zich een geschikte tekst had aangediend.

De sopraanstem die Strauss het meest bewonderde was die van de zangeres Pauline d’Ahna, met wie hij in 1894 zou trouwen. De Vier Lieder, 27 waren zijn huwelijksgeschenk voor Pauline. In Cäcilie presenteert Strauss, nooit gehinderd door bescheidenheid, zichzelf als de held die zijn geliefde zal laten zien hoe de goden leven.

Het mfantelijke slot verwacht men eerder in een - dan in een . Tegenover deze bravoure staat de ingetogen extase van Morgen. Het slot van de lange van het voorspel (in de georkestreerde versie een vioolsolo) en de eerste frase van de zangstem overlappen elkaar, waarna de lange melodie als tegenstem van de vocale lijn wordt herhaald.

Die Nacht lijkt geïnspireerd door Schumanns Mondnacht uit Liederkreis, 39. Ich schwebe is een lichtvoetig je.

Claude Debussy

Van 1880 tot en met 1884, het jaar waarin hij zijn studie aan het conservatorium afsloot, was Claude Debussy de vaste begeleider van de uiterst getalenteerde amateurzangeres Marie-Blanche Vasnier, de echtgenote van een welgestelde hoge ambtenaar.

Er groeide een hechte vriendschap (en waarschijnlijk meer) tussen de jonge componist en de elf jaar oudere zangeres. Ze werd zijn muze en hij componeerde zo’n twintig eren voor haar. Jane en La fille aux cheveux de lin (het lied heeft alleen de titel met het pianostuk uit de Préludes I gemeen) zijn opgebouwd uit een refrein en gevarieerde strofen.

La fille aux cheveux de lin opent met een vocalise: het gezang van het meisje, of de leeuwerik. De piano-inleiding voor de laatste strofe sugge­reert een volksliedje. ‘Al het goede wat ik kon bedenken zit erin. Kijk en oordeel’, luidt de opdracht voor Mme Vasnier. In Rondel Chinois komen alle ‘oosterse’ clichés aan bod: melismen, pentatoniek en parallelle kwarten.

‘Voor Mme Vasnier, de enige die alles wat aan deze muziek onzingbaar en Chinees is kan zingen en doen vergeten,’ vermeldt het handschrift. Séguidille, met zijn coloraturen en flamenco-melismen, schildert het portret van Manola, een sigaretten rokende zigeunerin à la Carmen.

1902-83

William Walton

William Walton werd als jongeman opgenomen in de artistieke kring van de steenrijke excentrieke broers (Satcheverell en Osbert) en zus (Edith) Sitwell. De première van zijn Façade voor spreker (door een megafoon) en ensemble op surrealistische gedichten van Edith Sitwell in 1923 veroorzaakte een schandaal.

Het bezorgde Walton de naam van avant-gardist, maar met de opkomst van een nieuwe generatie componisten na de Tweede Wereldoorlog werd zijn muziek al snel als verouderd beschouwd. ‘De blanke hoop van vandaag is het zwarte schaap van morgen,’ had Walton reeds in 1939 opgemerkt. A Song for the Lord Mayor’s Table, een cyclus van zes eren waarin een beeld van Londen wordt geschetst, werd in 1962 in opdracht van het City of London Festival gecomponeerd.

The Lord Mayor’s Table is een loflied op de gilden van Londen en de welvaart die zij de stad gebracht hebben (de ‘Lord Mayor’ in de titel is het hoofd van de verschillende gilden). De zelfingenomen redenaar lijkt redelijk aangeschoten en verslikt zich letterlijk in ‘milk and honey’.

In Glide Gently, een evocatie van de Thames, zweeft de zangstem hoog boven de kalme golfslag van de pendelende en in het lage register van de piano. Wapping Old Stairs schildert een tafereel in het matrozen­kwartier van Londen. In Holy Thursday wonen wees-kinderen een dienst in St. Paul’s bij.

Een in de rollende ’s in de begeleiding beeldt uit hoe hun stemmen zich als een ‘mighty wind’ verheffen. In het caba­reteske The Contrast wordt de levendigheid van de stad afgezet tegen de saaiheid van het platteland. Rhyme is een kinderrijmpje waarin de klokken van Londen opgenoemd worden en vrolijk beierend en tinkelend door elkaar heen klinken.

Biografie

Lucy Crowe, sopraan

Lucy Crowe groeide op in de Engelse landstreek Staffordshire, studeerde aan de Royal Academy of Music in Londen en ontwikkelde zich tot een graag gehoorde e so­pra

an. Met een breed palet aan rollen was ze te gast in theaters als het Royal House Covent Garden in Londen, de Deutsche Oper Berlin en de Bayerische Staatsoper in München. Haar Amerikaanse debuut maakte ze als Iole in Händels Hercules, bij de Chicago Lyric Opera. Dezelfde rol vertolkte ze bij de Canadian Opera Company.

In 2014 debuteerde de sopraan als zangeres in de Verenigde Staten, met een optreden in Carnegie Hall in New York.

Voor het vertolken van partijen in vocaal-­symfonisch repertoire werd Lucy Crowe geëngageerd door vele orkesten en ensembles, waaronder het London Symphony Orchestra, het Orchestre National de France, The Sixteen en het Orchestra of the Age of Enlightenment. Op cd is ze te beluisteren in muziek van onder anderen Händel, Vivaldi en Lutosławski.

Lucy Crowe was in de van Het Concertgebouw eerder als solist te gast bij bijvoorbeeld het Monteverdi Choir onder leiding van John Eliot Gardiner, The King’s Consort en het Gabrieli Consort. In de maakt ze haar debuut.

Anna Tilbrook, piano

Anna Tilbrook studeerde aan York University en bij Julius Drake aan de Royal Academy of Music in Londen. Ze debuteerde in 1999 in Wigmore Hall en speelt sindsdien regelmatig in bekende concertzalen en muziekfestivals in Europa.

Haar debuut in Carnegie Hall in New York maakte ze samen met sopraan Lucy Crowe. Anna Tilbrook musiceerde ook met vocalisten als Mark Padmore, Ian Bostridge, Barbara Bonney, Barbara Hannigan, Willard White en James Gilchrist.

Met laatstgenoemde tenor maakte ze opnamen van onder meer Engelse eren uit de twintigste eeuw en werken van Schubert; hun Winterreise werd in de pers hoog geprezen. Als kamermusicus sloot Anna Tilbrook zich aan bij bijvoorbeeld het Fitzwilliam Kwartet en het Elias Kwartet.

Naast de genoemde activiteiten werkt Anna Tilbrook als repetitor, vocal coach en continuospeler bij gezelschappen als de Royal Covent Garden, het Royal Ballet, het Aldeburgh Festival en het London Symphony Orchestra. De pianiste debuteert in de van Het Concertgebouw.