Liza Ferschtman, Marc Desmons, Antoine Lederlin en Jonathan Biss: Brahms
Liza Ferschtman viool
Marc Desmons altviool
Antoine Lederlin cello
Jonathan Biss piano
Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)
Nr. 1 in d klein (naar BWV 853)
Nr. 5 in Es groot (naar BWV 526)
uit ‘Zes preludes en fuga’s’, KV 404a (1782)
voor viool, altviool en cello
Béla Bartók (1881-1945)
Tweede sonate (1922)
voor viool en piano
Molto moderato
Allegretto
pauze ± 20.55 uur
Johannes Brahms (1833-1897)
Tweede pianokwartet in A gr.t., op. 26 (1861)
Allegro non troppo
Poco adagio
Scherzo. Poco allegro
Finale. Allegro
einde ± 22.15 uur
Toelichting
Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791
Zes preludes en fuga’s
Door Agnes van der Horst
In het voorjaar van 1781 worstelde Wolfgang Amadeus Mozart zich eindelijk los van zijn tirannieke broodheer Hieronymus von Colloredo, de aartsbisschop van Salzburg, die hem behandelde als een van zijn bediendes. Mozart vestigde zich onmiddellijk als onafhankelijk musicus in Wenen, toen al een wereldstad met een rijk muziekleven. Hij werd er met open armen ontvangen en kreeg het drukker dan ooit.
Zijn zelfstandigheid bood hem de vrijheid om zich als componist naar eigen inzicht verder te ontwikkelen. Dat deed hij onder meer door zich grondig te verdiepen in de complexe ische stijl van Johann Sebastian Bach, iets wat in zijn tijd werd beschouwd als hopeloos ouderwets.
Mozart was ermee in aanraking gekomen door de uit Nederland afkomstige baron Gottfried van Swieten. De baron was behalve musicus, muziekkenner en directeur van de keizerlijke bibliotheek van Wenen vooral een groot pleitbezorger van de ’s van Bach en de oratoria van Georg Friedrich Händel.
Mozart werd al snel door Van Swietens enthousiasme aangestoken. ‘Ik ga alle zondagen om 12 uur naar Baron van Swieten en daar wordt niets anders gespeeld dan Händel en Bach. Ik ben zelfs een verzameling aan het opzetten van Bach-’s, zowel die van Sebastian als van Emmanuel en Friedemann Bach’, schreef hij in een brief aan zijn vader.
Mozart heeft in die tijd (1782-83) veel muziek van Bach bewerkt en uitgevoerd. In diezelfde periode ontstond de reeks van zes bewerkingen voor strijktrio van preludes en fuga’s van Johann Sebastian Bach en van zijn oudste zoon, Wilhelm Friedemann. Vier van de inleidende preludes, die ook wel ’s worden genoemd, werden door Mozart in de stijl van Bach nieuw gecomponeerd. De overige twee preludes zijn, net zoals de zes fuga’s, s (aangepast voor de huidige bezetting).
In Mozarts tijd werd Bach beschouwd als hopeloos ouderwets
Het is niet helemaal zeker dat Mozart de bewerker was van al deze fuga’s en preludes, maar veel onderzoekers zien in de manier van versieren en variëren toch echt de hand van Mozart. De combinatie van het strenge van Bach en de elegante en soms frivole mozartiaanse lijnen en ën in deze zes composities, levert een totaal nieuw klankbeeld op.
Mozart wist de ogenschijnlijk tegenstrijdige stijlen om te smeden tot een wonderbaarlijke eenheid. De ontdekking van de wondere wereld van de fuga’s van Bach verrijkte zijn compositiestijl. Sindsdien gebruikte Mozart regelmatig contrapunt in zijn werk.
Béla Bartók 1881-1945
Tweede sonate
Béla Bartók had roerige jaren achter de rug toen hij in 1922 zijn Tweede voor viool en piano schreef. Na de Eerste Wereldoorlog en de opdeling van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk werd Hongarije een dictatuur waarin Bartóks moderne, op de geënte expressionistische muziek (extreme contrasten en emoties, bevreemdende klanken) niet werd gewaardeerd. De conflicten met een buurland als Roemenië, dat een deel van Hongarije bezette en leegplunderde, maakten het te gevaarlijk om zijn volksmuziek-verzamelreizen voort te zetten.
Maar Bartók hoefde niet stil te zitten. Behalve componist en wetenschapper op het gebied van de volksmuziek was hij ook concertpianist en pianodocent. Bovendien begonnen zijn composities in het buitenland succes te oogsten.
In een artikel verklaarde Bartók dat atonale muziek en volksmuziek heel goed samen kunnen gaan
Een belangrijke Weense muziekuitgeverij publiceerde al zijn partituren en uit verschillende landen kwamen uitnodigingen om zijn werk te komen uitvoeren. In 1921 voerde hij samen met een bevriende Hongaarse violiste zijn Eerste vioolsonate uit in Parijs en Londen. Een jaar later componeerde hij de Tweede vioolsonate die in Berlijn in première ging.
In april van dat jaar was Bartók voor het eerst in Nederland. In Het Concertgebouw gaf hij onder meer een uitvoering van het werk, samen met Zoltán Székely, de violist die later enkele jaren de concertmeester van het Concertgebouworkest zou zijn. Het concert werd opgenomen en was via de radio in heel Nederland te horen.
In tegenstelling tot Bartóks andere s heeft deze Tweede vioolsonate geen drie, maar twee delen die – hoe verschillend ook – toch een eenheid vormen. Het eerste opent als een traditionele volksdans, met een langzame inleiding waarin de musici als het ware improviseren op wat later gaat komen. Het beginmotief van lange lijnen en korte len komt een paar keer terug, maar telkens anders.
Het tweede deel lijkt nog meer op een volksdans, die gaandeweg vuriger wordt, vertraagt en opnieuw begint. Halverwege duikt het triolenmotief van het eerste deel weer op. Op het hoogtepunt van de dans worden de ferme en in de piano omcirkeld door hoge snelle vioolepisodes die klinken als een nijdige wesp op een warme zomeravond. Uiteindelijk keert de rust weer en sluit het triolenmotief, maar nu licht en mijmerend, de sonate af.
Bartók schreef regelmatig artikelen in belangrijke muziektijdschriften. In een ervan verklaarde hij dat atonale muziek en volksmuziek heel goed samen kunnen gaan. Met deze Tweede sonate bewijst hij het.
Johannes Brahms 1833-1897
Tweede pianokwartet
Hoewel de muziek van Béla Bartók en Johannes Brahms niet op elkaar lijkt, hebben de componisten wel iets gemeen, namelijk de interesse voor Oost-Europese volksmuziek.
Brahms’ Tweede pianokwartet begint, net als Bartóks , met een kort lenmotief (gevolgd door er lijnen). Het is door het hele eerste deel te horen. Het is tamelijk eenvoudig, maar Brahms fantaseert er voortdurend nieuwe ideeën bij die hij kunstig met elkaar verwerkt. Stemming, en emoties wisselen vaak, zodat de luisteraar geboeid blijft en nieuwsgierig naar wat er gaat komen. Geheel volgens de regels van de keert aan het eind het openingsthema weer terug.
De componist liet zich voor dit pianokwartet inspireren door Franz Schubert. Dat is vooral te horen in het uze tweede deel. Het weemoedige thema waarmee het opent wordt steeds herhaald (vorm). De strijkers spelen met gedempte snaren wat de atmosfeer van triestig verlangen (onderbroken door gepassioneerde uitbarstingen) versterkt.
Het energieke klinkt trots en tegelijk. In het gedeelte wordt het muzikaal materiaal verwerkt tot een virtuoze voor piano en strijkers. Brahms sluit zijn Tweede pianokwartet af met een onstuimige dans waarin zigeunermelodieën en -s een rol spelen. De temperamentvolle dans wordt regelmatig verstoord door uitingen van smachtend verlangen, maar de levenslust overwint. Komend vanuit serene kalmte schrijft Brahms dit pianokwartet naar een denderend slot.
Zoals de Zes preludes en ’s van Mozart en de Tweede vioolsonate van Bartók ontstond ook Brahms’ Tweede pianokwartet op een belangrijk punt in het leven van de componist. Zijn muziek, die vooral door Wagner-adepten lang werd afgedaan als achterhaald, kreeg steeds meer waardering. Brahms twijfelde vaak aan zichzelf, maar het is alsof zijn nieuwe zelfvertrouwen doorklinkt in dit machtige pianokwartet.
Biografie
Jonathan Biss, piano
Recentelijk werd Jonathan Biss benoemd tot co-artistiek leider – naast Mitsuko Uchida – van het Marlboro Music Festival. De pianist groeide op in een muzikale familie in Bloomington, Indiana: zijn ouders zijn beiden violist en aan zijn grootmoeder, celliste Raya Garbousova, droeg Barber zijn concert op.
Jonathan Biss studeerde bij Evelyne Brancart aan Indiana University en bij Leon Fleisher aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia (waar hij zelf sinds 2010 lesgeeft). In 2000 maakte de jonge musicus zijn debuut in New York en in 2001 debuteerde hij onder leiding van Kurt Masur bij de New York Philharmonic.
Een jaar later werd hij geselecteerd voor het BBC New Generation Artists Scheme. Jonathan Biss soleerde bijvoorbeeld bij het Koninklijk Concertgebouworkest, het Gewandhausorchester Leipzig, het Boedapest Festival Orkest en de orkesten van Cleveland, Boston en Chicago.
In Beethovenjaar 2020 zal hij zijn cd-cyclus van Beethovens complete pianosonates voltooien. Met zijn onlinecursus Exploring Beethoven’s Piano Sonatas bereikte Jonathan Biss meer dan 150.000 mensen in 185 landen. Bovendien initieerde hij het project Beethoven/5: opdrachten aan Timo Andres, Sally Beamish, Salvatore Sciarrino, Caroline Shaw en Brett Dean om nieuw werk te componeren, geïnspireerd door een pianoconcert van Beethoven.
Jonathan Biss is geregeld te gast in de , voor het laatst met een solo in maart 2017.
Marc Desmons, altviool
Marc Desmons studeerde aan de conservatoria in eille en Parijs en volgde lessen bij Serge Collot, Jean Sulem, Jean Mouillère, Christian Ivaldi, Hatto Beyerle en Walter Levin. Hij specialiseerde zich in kamermuziek en was in 1995 onder de laureaten van het Internationaal Yuri Bashmet Concours in Moskou.
De altviolist musiceerde met collega’s als pianist Frank Braley, cellist Jean-Guihen Queyras en violiste Hilary Hahn. Ook werkte hij met bijvoorbeeld het Galitzine Kwartet en het Ensemble intercontemporain en maakt hij deel uit van de vooruitstrevende kamermuziekformatie TM+ - die hij tevens geregeld dirigeert.
Marc Desmons speelde lange tijd in het Orchestre de l’Opéra National de Paris. Sinds 2010 is hij eerste altviolist van het Orchestre Philharmonique de Radio France.
Een hoogtepunt in de discografie van Marc Desmons is een opname van Brittens Lachrimae met het Orchestre d’Auvergne onder leiding van Armin Jordan.
Marc Desmons geeft les aan het Conservatoire National Supérieure de Musique in Parijs, geeft regelmatig masterclasses in Japan en componeerde Furibonderies voor en vijf ’s.
Ook in januari 2014 en januari 2017 speelde hij in de van Het Concertgebouw in kamermuziekprogramma’s m Liza Ferschtman.
Liza Ferschtman, viool
Liza Ferschtman, dochter van Dmitri Ferschtman en Mila Baslawskaja, had vanaf haar vijfde les van Philipp Hirshhorn, studeerde in Amsterdam bij Herman Krebbers, in Philadelphia bij Ida Kavafian en in Londen bij David Takeno.
In 1997 won ze het Nationaal Vioolconcours ‘Oskar Back’ en in 2006 ontving ze de Nederlandse Muziekprijs. Haar Concertgebouwdebuut was in Het Zondagochtend Concert van 6 oktober 1996 met het Radio Kamerorkest, en in zomer 1998 volgde haar -debuut.
De violiste werkte met vrijwel alle Nederlandse orkesten, en bijvoorbeeld ook met de BBC Philharmonic, de orkesten van Dallas, San Francisco, Boston, Montréal en Hongkong en het Budapest Festival Orchestra. Afgelopen november stond ze nog met de Brussels Philharmonic in de met het Vioolconcert van Sibelius.
Gezelschappen als Amsterdam Sinfonietta en de Kammerakademie Potsdam leidde Liza Ferschtman als solist. Kamermuziek speelt ze met Enrico Pace, Elisabeth Leonskaja, Jonathan Biss, Christian Poltéra en vele anderen, en van 2007 tot 2022 was ze artistiek leider van het Delft Chamber Music Festival. Solos zijn een belangrijk onderdeel van haar agenda en met solo-opnames van Bach, Ysaÿe, Biber, Bartók en Berio ook van haar discografie. Liza Ferschtman bespeelt de Guarnerius del Gesù ‘Benno Rabinof’ uit 1742.
Antoine Lederlin, cello
De Fransman Antoine Lederlin doorliep zijn studietijd aan het Conservatoire National Supérieur de Musique in Parijs, waar hij leerling was van Roland Pidoux. Daarnaast volgde hij lessen bij de cellisten János Starker en Anner Bijlsma, componist Henri Dutilleux en violist Isaac Stern.
Op zijn twintigste werd hij solocellist van het Orchestre Philharmonique de Radio France en eerste cellist van zowel het Orchestre Philharmonique de Monaco als Lorin Maazels Orchestra Filarmonica Arturo Toscanini. Momenteel is hij aanvoerder van de groep van het Sinfonieorchester Basel.
In de loop der jaren was Antoine Lederlin als solist te gast bij verschillende orkesten, en met het Orchestre d’Auvergne onder leiding van Armin Jordan nam hij het concert van Schoeck op. Als fervent kamermusicus deelde hij het podium met collega’s als Leon Fleisher, Martha Argerich en Miriam Fried, en met pianist Jonathan Biss en violiste Midori vormt de cellist een .
Sinds 2006 maakt Antoine Lederlin deel uit van het Belcea Quartet, dat talrijke cd’s opnam en wereldwijd optreedt op de belangrijke podia. Zo verzorgt het volgende maand in de samen met het Quatuor Ébène een octetprogramma.
Antoine Lederlin heeft een instrument in bruikleen van Matteo Goffriller, gebouwd in 1722.



