Liza Ferschtman en Roman Rabinovich: Beethoven en Brahms
Liza Ferschtman viool
Roman Rabinovich piano
Dit concert maakt deel uit van de serie Grote Solisten.
Johannes Brahms (1833-1897)
Eerste sonate in G gr.t., op. 78 (1879) ‘Regensonate’
Vivace ma non troppo
Adagio
Allegro molto moderato
Béla Bartók (1881-1945)
Eerste sonate in cis kl.t., Sz. 75 (1921)
Allegro appassionato
Adagio
Allegro, allegro molto
pauze (± 21.15 uur)
Witold Lutosławski (1913-1994)
Subito (1992)
Ludwig van Beethoven (1770-1827)
Sonate in G gr.t., op. 96 (1812) ‘Erzherzogssonate’
Allegro moderato
Adagio espressivo
Scherzo: Allegro
Poco allegretto
einde (± 22.15 uur)
Toelichting
Johannes Brahms 1833-1897
Brahms: Eerste vioolsonate
Door Heleen van de Leur
In dit programma omlijsten twee romantische en toegankelijke werken voor viool en piano twee modernere pareltjes met dezelfde bezetting. Het concert begint met een e van Brahms. Met een sprong naar de twintigste eeuw komen we met Bartók en Lutosławski bij het vurige en grillige deel van het programma, virtuozer en meer ritmisch georiënteerd.
Daarna keren Ferschtman en Rabinovich met Beethoven terug naar een lieflijke allemansvriend, waardoor dit programma een mooie dwarsdoorsnede biedt van het repertoire voor viool en piano van de negentiende en twintigste eeuw.
Brahms: Eerste vioolsonate
Johannes Brahms schreef zijn Eerste sonate in G groot in 1879, op het hoogtepunt van zijn carrière. Hij had net zijn eerste twee symfonieën en zijn Vioolconcert voltooid, die zouden uitgroeien tot veelgeprezen werken.
De vioolsonate is het summum van twee belangrijke kenmerken van Brahms’ compositiestijl: het bevat zowel lyrische ’s als een hechte motivische eenheid. De sonate dankt zijn bijnaam ‘Regensonate’ aan de verwijzingen naar Brahms’ eigen Regenlied uit 1866 voor piano en zang; geen wonder dat de thema’s bijna lijken te worden gezongen door de viool.
De eenheid tussen de verschillende delen van de is groot – Brahms zet hiermee een vormprincipe door dat al in zijn eerste symfonie te horen valt. Door bepaalde korte ritmische en melodische motieven in alle delen te laten terugkomen wordt het werk een eenheid.
In de ‘Regensonate’ laat Brahms een gepuncteerd ritmisch terugkomen in alle delen: eerst in het belangrijkste van het pastorale eerste deel, daarna in een plechtige begrafenismars halverwege het tweede deel, en tot slot in het afsluitende , waar het begrafenismarsmotief halverwege terugkomt in .
Let in het middendeel ook op wat er op de begrafenismars volgt – het beginthema uit de piano komt dan in een prachtige tweestemmige zetting terug in de viool.
Béla Bartók 1881-1945
Bartók: Eerste sonate
Béla Bartók schreef zijn eerste gepubliceerde , die in cis klein voor viool en piano, in een roerige periode in de muziekgeschiedenis.
Net als Arnold Schönberg en Igor Stravinsky probeerde hij in de jaren twintig een weg te vinden uit de impasse waar de gecomponeerde muziek zich in bevond na de Eerste Wereldoorlog. Schönberg deed dat door de atonaliteit systematisch te orde, Stravinsky deed dat door expressiviteit naar de achtergrond te dringen in zijn neoclassicistische werken, en Bartók vond zijn weg door Oost-Europese volksmuziek als inspiratiebron te gebruiken – en daaraan een geheel eigen draai te geven.
Zijn compositiestijl is in de periode van de Sonate in cis klein , zo goed als , en ritmisch complex. Daarnaast is de invloed van Debussy en Ravel hoorbaar, bijvoorbeeld in het gamelan-achtige begin van het eerste deel.
Liza Ferschtman en Roman Rabinovich spelen het uit Bartók's Eerste in cis kl.t., Sz. 75 (1921)
Eigentijdse critici van Bartók vonden de percussieve benadering van de piano en de tische scheiding van viool en piano lastig om aan te wennen, maar dat maakt de voor huidige luisteraars juist intrigerend en verrassend.
De Hongaarse invloed in dit werk is vooral te horen in de s en in de keuze van bepaalde melodische len. In het laatste deel van de sonate is de volksmuziek het sterkst aanwezig: de finale heeft de sfeer van een grillige volksdans.
Witold Lutosławski 1913-1994
Lutosławski: Subito
Subito is een van de laatste werken die Witold Lutosławski schreef. De compositiestijl van deze Poolse componist en valt niet zo makkelijk samen te vatten. In zijn vroege composities werd hij duidelijke beïnvloed door volksmuziek, maar eind 1950 verandert zijn stijl drastisch, onder meer door het gebruik van twaalftoonsakkoorden: en die bestaan uit drie groepjes van vier noten, elk in hun eigen register gespeeld.
Vanaf circa 1960 wordt Lutosławski’s stijl rijper en herkenbaarder, als hij naast twaalftoonsakkoorden ook toevalsprincipes gaat toepassen. Het gebruiken van toeval bij het maken van compositorische keuzes werd geïntroduceerd door John Cage.
Lutosławski gebruikt toeval op een manier die ook wel aleatorisch (van het toeval afhangende samenklank) wordt genoemd. Hierbij staat bijvoorbeeld de toonhoogte en de grote ritmische lijn van de noten vast, maar mogen de uitvoerders zelf kiezen hoe ze het op kleinere schaal invullen, waardoor een toevallig ritmisch contrapunt ontstaat.
Vanaf 1979 spreken we van Lutosławski’s late stijl – in deze periode valt ook Subito, dat hij in 1992 schreef. Zijn muziek is in deze laatste jaren transparanter, omdat hij nog maar weinig twaalftoonsakkoorden gebruikt en ook de aleatoriek flink inperkt. De ën worden eenvoudiger, de ën er. Dit is goed te horen in Subito, waar lyrische en langzame melodieën de virtuozere en snellere passages omlijsten.
Ludwig van Beethoven 1770-1827
Beethoven: Erzherzogssonate
De Vioolsonate in G groot van Ludwig van Beethoven wordt ook wel de meest lieflijke van al Beethovens s genoemd. Dat kan komen doordat Beethoven het werk schreef voor de violist Pierre Rode, die absoluut niet hield van te veel virtuositeit en onnodig snelle finales.
De toon voor deze e wordt al meteen gezet met de triller die de langzame introductie op het eerste deel inluidt. Het is al even contemplatief en mist de gebruikelijke virtuoze ontwikkeling in het midden. Het korte derde deel, dat bestaat uit een met contrasterend , eindigt ondanks het begin in optimistisch in .
Bij wijze van finale schreef Beethoven zeven verschillende variaties op een eenvoudig pastoraal . De sonate is naast lieflijk ook nog eens bijzonder democratisch: viool en piano zijn echt gelijkwaardig en krijgen beide evenveel gelegenheid om te schitteren.
Biografie
Liza Ferschtman, viool
Liza Ferschtman, dochter van Dmitri Ferschtman en Mila Baslawskaja, had vanaf haar vijfde les van Philipp Hirshhorn, studeerde in Amsterdam bij Herman Krebbers, in Philadelphia bij Ida Kavafian en in Londen bij David Takeno.
In 1997 won ze het Nationaal Vioolconcours ‘Oskar Back’ en in 2006 ontving ze de Nederlandse Muziekprijs. Haar Concertgebouwdebuut was in Het Zondagochtend Concert van 6 oktober 1996 met het Radio Kamerorkest, en in zomer 1998 volgde haar -debuut.
De violiste werkte met vrijwel alle Nederlandse orkesten, en bijvoorbeeld ook met de BBC Philharmonic, de orkesten van Dallas, San Francisco, Boston, Montréal en Hongkong en het Budapest Festival Orchestra. Afgelopen november stond ze nog met de Brussels Philharmonic in de met het Vioolconcert van Sibelius.
Gezelschappen als Amsterdam Sinfonietta en de Kammerakademie Potsdam leidde Liza Ferschtman als solist. Kamermuziek speelt ze met Enrico Pace, Elisabeth Leonskaja, Jonathan Biss, Christian Poltéra en vele anderen, en van 2007 tot 2022 was ze artistiek leider van het Delft Chamber Music Festival. Solos zijn een belangrijk onderdeel van haar agenda en met solo-opnames van Bach, Ysaÿe, Biber, Bartók en Berio ook van haar discografie. Liza Ferschtman bespeelt de Guarnerius del Gesù ‘Benno Rabinof’ uit 1742.
Roman Rabinovich, piano
Roman Rabinovich maakte op tienjarige leeftijd zijn debuut bij het Israëlisch Filharmonisch Orkest onder leiding van Zubin Mehta en keerde in 1999 en 2003 bij dit gezelschap terug.
Geboren in Tasjkent, de hoofdstad van Oezbekistan, emigreerde de jonge musicus in 1994 naar Israël.Hier volgde hij lessen bij onder anderen Arie Vardi. Vervolgstudies deed hij aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia en de Juilliard School of Music in New York.
Een belangrijk moment in zijn carrière was in 2008 het winnen van de Arthur Rubinstein International Piano Master Competition in Tel Aviv. Sindsdien trad de pianist veelvuldig op, bijvoorbeeld in het Gewandhaus Leipzig, Carnegie Hall en Lincoln Centre in New York, de van het Moskous Conservatorium en het Parijse Cité de la Musique. Ook werd hij uitgenodigd door de festivals van Marlboro, Luzern, Davos en Mecklenburg-Vorpommern en door het Klavierfestival-Ruhr.
Samen met Liza Ferschtman was hij te gast in Wigmore Hall in Londen, en hij gaf er ook een solorecital. In 2016 speelde hij de complete Haydn-s in Tel Aviv en Cleveland en tijdens het Lammermuir Festival in Schotland.
Roman Rabinovich soleerde bij verschillende orkesten, waaronder het Royal Scottish National Orchestra, het van Praag, het Pools Radio Orkest en het Orchestre de Chambre de Paris. De pianist, die zijn programma’s graag illustreert met eigen tekeningen, maakt vandaag zijn debuut in Het Concertgebouw.

