Lenneke Ruiten zingt Britten, Liszt en Rachmaninoff

Lenneke Ruiten sopraan
Thom Janssen piano

pauze ca. 21.00 uur
einde ca. 22.10 uur 

teksten gratis verkrijgbaar aan de zaal
Dit concert maakt deel uit van de serie Vocaal 2.

Scroll naar beneden voor de toelichting op dit concert 

Reynaldo Hahn 1875-1947

Le printemps (1899)
Quand la nuit n’est pas étoilée (1900)
Le rossignol des lilas (1913)

Ernest Chausson 1855-1899

Chanson perpétuelle, op. 37 (1898)

Benjamin Britten 1913-1976

The Salley Gardens
uit ‘Folk Song Arrangements, vol. 1: British Isles’ (1941-42)

O Waly, Waly
uit ‘Folk Song Arrangements, vol. 3: British Isles’ (1945-46) 

Tell Me the Truth about Love
Funeral Blues
Johnny
Calypso
uit ‘Cabaret Songs’ (1937-39)

pauze

Fanny Mendelssohn 1805-1847

Schwanenlied, op. 1 nr. 1 (1840)

Warum sind denn die Rosen so blass, op. 1 nr. 3 (1837)

Der Abendstern (1823) 

Franz Liszt 1811-1886

Wie singt die Lerche schön (1854-59)

Er liebte mich so sehr! (1840)

Die Loreley (1841)

Serge Rachmaninoff 1873-1943

Georgisch lied (Zing niet, o schoonheid, in mijn bijzijn)
uit ‘Zes liederen’, op. 4 (1890-93)

Het kleine eiland
uit ‘Twaalf liederen’, op. 14 (1894-96)

O jij, mijn golvend veld
Hoe lang nog, mijn vriend
uit ‘Zes liederen’, op. 4 

Toelichting

door Hugo Bouma

Hahn: Mélodies

Parallel aan de Duitstalige er-traditie ontstond in het Franse taalgebied in de negentiende eeuw het genre ‘mélodie’. Vaak waren deze vocale werken wat korter en lichter van toon dan de breedsprakige, zwaarmoedige Duitse liederen. Ook is de muziek, getrouw aan de meestal contemporaine teksten, vaak vrijer van vorm. 

De drie werken van voormalig wonderkind Reynaldo Hahn op dit programma passen moeiteloos in deze traditie: het is muziek in dienst van de tekst, charmant en schijnbaar ongecompliceerd. Le printemps (De lente) is een enthousiaste uitroep van vreugde over het opbloeien van de natuur.

De lente schaterlacht ook in de virtuoze pianobegeleiding. Een geheimzinnige overdenking op de kalme, maar onpeilbare diepte van de zee klinkt vervolgens in Quand la nuit, op een gedicht van Victor Hugo. In Le rossignol des lilas wordt de nachtegaal bezongen, dit ‘goddelijke schepseltje in de sering onder mijn raam’.

Chausson: Chanson perpétuelle

Ernest Chausson was een muzikale laatbloeier, wiens carrière eigenlijk pas net op gang kwam toen hij op vierenveertigjarige leeftijd omkwam bij een fietsongeluk. Stilistisch bleef hij lang onder invloed van zijn mentor, Jules Massenet.

Zijn latere werken echter zijn een eigenzinnige ing tussen de en extraversie van Richard Wagner en de mistige ingetogenheid van de impressionisten.

Dit Chanson perpétuelle is het laatste stuk dat hij voltooide, en bestaat in meerdere versies, waaronder één met orkestbegeleiding. Het is de klaagzang van een vrouw die door haar geliefde is verlaten en op het punt staat voor het eeuwige te kiezen.

Britten: Songs

De eren van Benjamin Britten op dit programma staan in zekere zin aan twee verschillende zijlijnen van zijn oeuvre. De zeven boeken met Folk Song Arrangements hebben hun oorsprong in de jaren die Britten en zijn levenspartner, de tenor Peter Pears, in de Verenigde Staten doorbrachten vanaf 1939.

Deels uit heimwee naar zijn vaderland begon de Engelsman traditionele muziek van de Britse eilanden te bewerken, die kon dienen als toegift voor de concerten die het duo daar gaf. Hoewel veel van zijn muziek, zowel ervoor als erna, de volksmuziek als basis heeft, verzette de componist zich tegen het chauvinisme van een eerdere generatie Britse componisten.

Ook het uitbreken van de oorlog in Europa gaf een bittere bijsmaak aan onverbloemd nationalisme. Hij presenteert de volksmelodieën dan ook op een objectieve, twintigste-eeuwse manier, met een ingetogen begeleiding.

Aan een compleet andere zijlijn staan de vier Cabaret Songs. Ook dit zijn gelegenheidswerken, geschreven voor het Londense theatergezelschap ‘The Group’ in de jaren 1930, waarvoor W.H. Auden de teksten schreef. De voorstellingen volgden elkaar in hoog tempo op, dus moest Britten ook snel werken.

Moeiteloos bediende hij zich van allerlei populaire stijlen. Het jazzy openingsnummer, Tell Me the Truth About Love, vergelijkt de liefde met steeds absurdere zaken. W.H. Audens beroemde gedicht Funeral Blues is een bittere, gefrustreerde treurmars geworden.

De hoofdpersoon van Johnny heft bij ieder couplet een andere muziekstijl aan, maar het kan Johnny allemaal niet bekoren en hij vertrekt. In de opzwepende Calypso probeert iemand tenslotte halsoverkop naar het station te komen om haar geliefde van de trein te halen.

Fanny Mendelssohn: Lieder

‘Voor je broer zal de muziek wellicht zijn beroep worden, maar voor jou kan en moet het enkel een sieraad blijven.’ Dit schreef Fanny’s vader aan haar, en daarmee was de kous af. Hoewel zus en broer Mendelssohn ruwweg dezelfde muzikale opvoeding genoten en de talenten van Fanny hierbij allerminst onderdeden voor die van Felix, was het gegeven van een vrouwelijke componist in de negentiende eeuw eenvoudigweg te exotisch.

Bij leven is het haar nooit echt gelukt uit de schaduw van haar broer te treden. Sindsdien is echter steeds meer gebleken hoe onterecht dit was. De twee eren uit haar 1 zijn beide op teksten van die favoriet onder Duitse romantische componisten: Heinrich Heine.

De zwaan uit het Schwanenlied symboliseert de tijdelijkheid van de liefde en het leven, als hij na even gezongen te hebben ‘zijn waterige graf in duikt’. De verdwenen geliefde doet in Warum sind denn die Rosen so blass de bloemen verbleken, en de leeuwerik klaaglijk zingen. De hoop dat de liefde ooit terugkeert, wordt in het derde, relatief onbekende lied op de Avondster, Venus, gevestigd; hier op aarde zullen wij gescheiden blijven, maar daarboven, tussen de sterren, zijn wij samen.

Liszt: Lieder

Relatief onbekend repertoire zijn ook de eren van Franz Liszt, beter bekend om zijn pianomuziek en zijn orkestwerken. In stijl is hij duidelijk een generatie verwijderd van de Mendelssohns en aanverwanten.

Waar deze meestal een pianobegeleiding kiezen die van begin tot eind in dienst staat van de gezongen , deinst Liszt er niet voor terug hierin te variëren, pauzes te nemen en een muzikaal verhaal te vertellen. Ook harmonisch neigt hij meer naar wagneriaanse , vol onverwachte wendingen en schijnoplossingen.

Zijn onderwerpen zijn echter nog steeds typisch voor de er-traditie: Wie singt die Lerche schön is een lichte ode aan de leeuwerik, die zich als vogel van en niets aantrekt. Er liebte mich so sehr! blikt terug op een liefdesverhouding die slechts van één kant leek te komen.

In Die Loreley tenslotte is de volledige legende (op woorden van, wederom, Heine) naar muziek vertaald, als ware het een symfonisch gedicht waarbij toevallig gezongen wordt.

Rachmaninoff: Liederen

Diepgewortelde melancholie is een rode draad in Rachmaninoffs werk, en deze eren van 4 en opus 14 zijn hierop geen uitzondering. Gecomponeerd aan het begin van zijn carrière vinden we hier we geen sarcasme, geen afstandelijkheid, geen niemendallige overpeinzingen van Heinrich Heine over de natuur en de liefde.

Zing niet opent met een Georgische volksmelodie en bezingt vervolgens de pijnlijke heimwee naar dat land. Het kleine eiland hierna is een droombeeld van een onbereikbaar paradijs. Het golvende veld uit het derde is gevuld met de gedachten van de schrijver die, indien verstoord, hun plaats niet terug kunnen vinden.

Zelfs als verre vrienden – of zijn het geliefden? – in het laatste lied herenigd worden, kunnen we enkel denken aan het ‘vaarwel’ dat eraan voorafging.

Biografie

Lenneke Ruiten, sopraan

Lenneke Ruiten studeerde zang bij Maria Rondèl en Meinard Kraak aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en aan de Bayerische Theaterakademie in München. Ook voltooide ze een opleiding tot ­fluitist. Op het Internationaal Vocalisten Concours in Den Bosch was ze in 2002 meervoudig prijswinnaar.

In concert- en repertoire zong ze onder meer bij de English Baroque Soloists en The Monteverdi Choir, de Akademie für Alte Musik Berlin, de Wiener Philharmoniker en Symphoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfuks, het Mahler Chamber Orchestra, het Moz­arteum Orchester en het Concertgebouw Kamerorkest.

Een grote passie is ook het . zong de sopraan in het Theater an der Wien, het Staatstheater Stuttgart, de Scala in Milaan, De Munt in Brussel en het Théâtre des Champs-Elysées in Parijs en op de ­Salzburger Festspiele, het Festival d’Aix-en-Provence en de BBC Proms. Haar eerste grote rol bij De Nationale Opera in Amsterdam was in december 2015 die van Konstanze in een productie van Mozarts Die Entführung aus dem Serail, hernomen in seizoen 2016/2017.

Bij het Concertgebouworkest debuteerde Lenneke Ruiten in februari/maart 2024 in BrahmsEin deutsches Requiem onder leiding van Dinis Sousa en keerde ze in april 2024 terug met ­Händels solocantate Il delirio amoroso onder leiding van Emmanuelle Haïm. In de was ze in mei 2024 bovendien te horen in een Mozart-­programma van PRJCT Amsterdam.

Thom Janssen, piano

Thom Janssen ­studeerde muziektheorie en ­piano en specialiseerde zich in begeleiding. ­Onder zijn docenten waren Jan Wijn, Rudolf Jansen en Helmut Deutsch. Ook nam hij deel aan de vermaarde Schubert-­masterclass van bas-bariton Robert Holl.

Voor het vertolken van liederen deelt hij het podium geregeld met sopraan Lenneke Ruiten. Dit duo concerteerde veelvuldig en maakte ­succesvolle opnamen. Een live-cd uit 2003, opgenomen in Het Concertgebouw, gooide hoge ogen.

Als begeleider verleende Thom Janssen tevens medewerking aan concoursen als het Internationale Mozartwettbewerb van het Mozarteum in ­Salzburg en het ARD Concours in München. Hij geeft ook graag solorecitals en werkt met ­diverse ­ensembles en orkesten.

Als muzikaal leider was de pianist verbonden aan SKON. Hij maakte ook enkele succesvolle educatieve voorstellingen voor het Noordhollands Philharmonisch Orkest. Als repetitor is hij regelmatig actief tijdens solistenrepetities van het Koninklijk Concertgebouworkest.