La Sfera Armoniosa en Barbara Kozelj: Caccini
Barbara Kozelj sopraan
Paulina van Laarhoven lirone/viola da gamba
Emma Huijsser barokharp/barokfluit
Mike Fentross chitaronne/barokgitaar
Zangteksten zijn gratis verkrijgbaar aan de zaal.
Giullio Caccini (1551-1618)
Dolcissimo sospiro (1602)
Movetevi à pietà del mio tormento (1602)
Alessandro Piccinini (1566-ca. 1638)
Toccata XII (1623)
Giulio Caccini
Amor, io parto, e sento nel partire (1602)
Belle rose porporine (1602)
Alessandro Piccinini
Gagliarda III (1623)
Giulio Caccini
Perfidissimo volto (1602)
Queste lagrim’amare (1602)
Alessandro Piccinini
Ciaccona (1623)
Giulio Caccini
Dalla porta d’oriente (1614)
pauze (± 20.55 uur)
Giulio Caccini
Odi, Euterpe, il dolce canto (1602)
Alessandro Piccinini
Romanesca con partite variate (1623)
Giulio Caccini
Vedrò ’l mio sol, vedrò prima ch’io muoia (1602)
Alessandro Piccinini
Allemanda (1623)
Giulio Caccini
Non ha ’l ciel cotanti lumi (1614)
Dovrò dunque morire (1602)
Alessandro Piccinini
Toccata (1623)
Giulio Caccini
Amarilli, mia bella (1601)
einde (± 22.00 uur)
Toelichting
Giulio Caccini 1551-1618 | Alessandro Piccinini 1566-ca. 1638
Le nuove musiche
Door Marcel Bijlo
De twee componisten op dit programma hebben allebei een belangrijke bijdrage geleverd aan de grote muzikale veranderingen die in het begin van de zeventiende eeuw in Italië plaatsvonden. Giulio Caccini deed dat op het gebied van de vocale muziek en Alessandro Piccinini op het gebied van de instrumentale muziek. Ze waren tijdgenoten, maar voor een ontmoeting tussen de twee vernieuwers is geen historisch bewijs. Wel weten we dat Piccinini zijn collega Caccini bewonderde om zijn inventiviteit.
De pionier Caccini
De naam Giulio Caccini komt in ieder muziekgeschiedenisboek voor. Hij wordt beschouwd als de ‘uitvinder’ van de vocale stijl waarvan ook de componist Claudio Monteverdi (1567-1643) een exponent is. Caccini heeft een ontwikkeling die aan het eind van de zestiende eeuw al voorzichtig in gang was gezet – de overgang van het meerstemmige naar het sololied – een heel nieuw elan gegeven.
Het jaartal 1600 is een goed ijkpunt om de overgang van de ene muziekhistorische periode naar de andere te markeren. In dat jaar, of mogelijk in 1601, ging Caccini’s eerste muziekdramatische werk Euridice in Florence in première. We zouden het nu de allereerste noemen, maar anno 1600 werd die term nog niet gebruikt.
Caccini werd gegrepen door het ideaal van de , een genootschap van muzikanten, dichters en humanisten dat een sobere, op de tekst en het spreekritme gerichte manier van zingen propageerde. Dat zou, zo werd verondersteld, de wijze zijn waarop de Grieken en Romeinen in de Oudheid hun theaterstukken opvoerden.
Die theorie ligt ook ten grondslag aan de bundel waarmee Caccini zijn grootste bekendheid zou krijgen: Le nuove musiche, gepubliceerd in 1602. Dit is een collectie eenstemmige korte en op zichzelf staande eren waarin de componist zijn theorieën omtrent een sobere zangstijl illustreert.
In het voorwoord van de bundel beklaagt hij zich erover dat de liederen, die voordien al circuleerden in allerlei manuscripten, vaak in handen waren gevallen van zangers die niet wisten hoe je op een verfijnde manier moest zingen. In dit voorwoord legt hij daarom duidelijk uit hoe hij het zelf deed (hij was een begenadigd zanger). Dat is prettig voor ons, omdat we er veel uit kunnen leren over de uitvoeringswijze die Caccini voorstond.
Hij schrijft over ‘favellare in armonia’, het spreken in tonen, als de ideale zangwijze. Om dit te bereiken moest een zanger zich bedienen van ‘una certa nobile sprezzatura di canto’, een zekere beschaafde nonchalance van de zang. Daarmee bedoelde hij dat er niet al te strak in de maat moest worden gezongen maar wat vrijer, alsof je met de muziek een verhaal vertelt waarbij het spreektempo kan variëren.
Ook konden geïmproviseerde versieringen worden toegevoegd, zoals je bij het vertellen van een verhaal ook ineens een andere wending kunt nemen. Daarbij moest er, vond Caccini, een fundament zijn waarop de stem kon steunen. Hij noteerde dus ook een baspartij met becijferde en. Dat cijfersysteem was in de zestiende eeuw door organisten ontwikkeld en zou de basis vormen voor de -praktijk die gedurende de hele barokperiode in gebruik zou blijven.
In zijn tweede bundel Nuove musiche e nuova maniera di scriverle uit 1614 ging Caccini veel verder. Hierin noteert hij bij alle eren ook de zeer subtiele versieringen die hij al zingend had ontwikkeld om de tekst zo goed mogelijk op de luisteraar over te brengen. Maar hij legde deze versieringen niet dwingend op, zangers moesten vooral ook zelf improviseren.
Het allerbekendste lied van Caccini is Amarilli, mia bella. Van dit lied werden ook buiten Italië vele bewerkingen gemaakt, zoals door de Engelse klaviercomponist Peter Philips, de Nederlandse blokfluitvirtuoos Jacob van Eyck en de Nederlandse dichter Pieter Corneliszoon Hooft.
De virtuoos Piccinini
Net als van Monteverdi is van Caccini geen puur instrumentale muziek bekend. Caccini speelde weliswaar luit maar hij is waarschijnlijk niet zo’n geweest als Alessandro Piccinini.
We weten niet van wie Piccinini het vak leerde, het zou kunnen dat hij autodidact was. Behalve de luit bespeelde Piccinini de chitarrone. Voor dit begin zeventiende eeuw vrij nieuwe instrument schijnt hij een voorkeur te hebben gehad. Hij heeft er in ieder geval veel voor gecomponeerd.
De klank van de chitarrone is anders dan die van de luit, wat helderder, en daardoor leent dit instrument zich bijzonder goed voor de virtuoze instrumentale stijl die begin zeventiende eeuw werd ontwikkeld. We horen vanavond diverse compositievormen: dansen, toccata’s (een virtuoze instrumentale fantasie zonder vaste vorm) en op een herhaald basthema gebaseerde composities.
Piccinini liet zich zeker inspireren door een componist als Girolamo Frescobaldi (1583-1643), maar vertaalde diens virtuositeit op het klavier moeiteloos naar de luit en dus vooral de chitarrone. In Italië bleef dit instrument een groot deel van de zeventiende eeuw populair als solo-instrument, terwijl men bijvoorbeeld in Frankrijk juist de voorkeur gaf aan de donkere klank van de .
Caccini en Piccinini kunnen we beiden beschouwen als pioniers van de eerste orde en de combinatie van hun muziek levert een spannend en toch intiem concert op.
Biografie
Barbara Kozelj, mezzosopraan
De Sloveense, in Nederland woonachtige Barbara Kozelj studeerde aan de Muziekacademie in Ljubljana, het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, De Nederlandse Academie en de Dutch Opera Studio.
Ze werd gecoacht door Sasja Hunnego, Meinard Kraak, Ann Murray, Graciela Araya en Anne Sofie von Otter.
Met haar debuut bij het Concertgebouworkest in 2012 in Bachs Matthäus-Passion met Iván Fischer kwam haar carrière in een stroomversnelling. Al snel werkte ze ook met hem bij zijn Budapest Festival Orchestra, met Richard Egarr en diens Academy of Ancient Music, met het Gabrieli Consort and Players en Paul McCreesh, en met en als Reinbert de Leeuw, Kenneth Montgomery, Jan Willem de Vriend, Ed Spanjaard, Gennadi Rozjdestvenski, Neeme Järvi, Antony Hermus en Otto Tausk.
Uitgebreide -ervaring deed de mezzosopraan op bij De Nationale Opera, Opera2day, het Aalto-Theater Essen en de Oper Bonn. Het concertrepertoire van Barbara Kozelj reikt van de tot en met de liederen van Mahler en Berlioz’ Les nuits d’été. Haar veelzijdigheid trok de aandacht van hedendaagse componisten; zo zong ze in 2015 de wereldpremière van Max Knigges Dobro do (gebaseerd op haar eigen levensverhaal).
In april 2019 maakte Barbara Kozelj met pianist Julius Drake haar recitaldebuut in de Vocale Serie, en in september 2019 zong ze in de muziek van Caccini met Le nuove musiche.
Paulina van Laarhoven, lirone en viola da gamba
Paulina van Laarhoven studeerde viola da gamba en rondde deze opleiding in 1985 af. Om haar continuospel te verrijken, bekwaamde ze zich vervolgens ook op de lirone en de renaissancegitaar.
Ze ontwikkelde een vruchtbare concertpraktijk, is geregeld te horen op de radio en is veelvuldig te gast in de Nederlandse concertzalen. Ook reist ze regelmatig door Europa. Ze musiceerde met gezelschappen als Cantus Cölln, La Fenice, L’Arpeggiata en het Huelgas Ensemble.
Met de Duitse choreografe Reinhild Hoffman werkte Paulina van Laarhoven aan twee danstheaterproducties; voor het stuk Folias ontwikkelde ze de muzikale structuur. Ook was ze betrokken bij voorstellingen van het Nederlands Dans Theater.
Paulina van Laarhoven maakt deel uit van het ensemble La Sfera Armoniosa van Mike Fentross. Haar eigen ensemble heet La Violetta. Sinds 2003 speelt ze bovendien in de heavymetalband Rhapsody.
Emma Huijser, barokharp en blokfluit
Emma Huijsser studeerde blokfluit bij Dorothea Winter, Sébastien Marq en Daniël Brüggen aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, waar ze in 2011 afstudeerde. Daarnaast studeerde ze harp bij Mara Galassi aan de Civica Scuola di Musica Claudio Abbado in Milaan. Voor deze tweede studie ontving ze zowel een Huygens- als een VSBfonds-beurs, en ze behaalde haar masterdiploma barokharp in februari 2017.
Emma Huijsser werkte met het Tulipa Consort van Johannette Zomer, het ensemble Música Temprana onder leiding van Adrián Rodríguez Van der Spoel en het Amsterdam Baroque Orchestra van Ton Koopman. Met Holland Baroque was ze onder meer te horen in De Wereld Draait Door, met La Sfera Armoniosa en Geert Mak in Podium Witteman.
Bijvoorbeeld in de Komische Oper Berlin en tijdens de Innsbrucker Festwochen was Emma Huijsser bij begeleidingen te vinden in de orkestbak. Ze verzorgde s met werken van Weiss en Bach en in Kassel soleerde ze in het Harpconcert van Händel.
Mike Fentross, dirigent
Mike Fentross is voornamelijk actief in de oude muziek, als solist, basso-continuospeler en . Hij begon zijn studie bij luitpionier Toyohiko Satoh aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en speelde kamermuziek in diverse ensembles en met collega’s als Janine Jansen, Philippe Jaroussky en Yo-Yo Ma.
Onder begeleiding van Stefan Pas wierp hij zich ondertussen op het directievak, en hij dirigeerde op onder meer het Musica Antiqua Festival in Brugge en het Haydn Festival in Eisenstadt. In de zomer van 2009 debuteerde Mike Fentross als in Het Concertgebouw en in de zomerserie van 2010 leidde hij er Monteverdi’s Mariavespers met het Nederlands Kamerkoor.
In de was hij onder meer te beluisteren met de zangers Nora Fischer, Maarten Engeltjes en Henk Neven. Samen met rietblazer Maarten Ornstein verkent Mike Fentross de grenzen tussen West-Europese klassieke muziek, Baltische folklore en ; in november 2022 kreeg het duo de Willem Breuker Prijs. Mike Fentross is medeoprichter en artistiek leider van La Sfera Armoniosa en hoofdvakdocent luit en aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.



