Kwartet rond Renaud Capuçon speelt spannende Schubert
Renaud Capuçon viool
Guillaume Chilemme viool
Adrien La Marca altviool
Edgar Moreau cello
Ludwig van Beethoven 1770-1827
Strijkkwartet in cis kl.t., op. 131 (1826)
Adagio ma non troppo e molto espressivo
Allegro molto vivace
Allegro moderato – Adagio – Più vivace
Andante ma non troppo e molto cantabile
Presto
Adagio quasi un poco andante
Allegro
pauze
Franz Schubert 1797-1828
Strijkkwartet in G gr.t., D 887 (1826)
Allegro molto moderato
Andante un poco moto
Scherzo: Allegro vivace – Trio: Allegretto
Allegro assai
Toelichting
Ludwig van Beethoven 1770-1827
strijkkwartet in cis klein
De vijf strijkkwartetten plus de Grosse Fuge die Ludwig van Beethoven in de laatste jaren voor zijn dood schreef, worden aangeduid als zijn ‘late’ kwartetten. Het zijn grootse, epische en meesterlijke werken waar de musici en luisteraars van die tijd eigenlijk nog niet aan toe waren. Componist Louis Spohr bijvoorbeeld noemde ze ‘onleesbare, ongecorrigeerde verschrikkingen’. Sinds die tijd zijn de meningen compleet veranderd. Inmiddels worden Beethovens late strijkkwartetten gerekend tot de beste composities aller tijden. In november 1822 stuurde prins Nikolaj Galitsin (ook wel Golitsin gespeld) een brief aan Beethoven waarin hij hem om ‘een, twee of drie’ strijkkwartetten vroeg en aanbood hem te betalen wat de componist ‘gepast’ achtte. In januari 1823 schreef de componist terug dat hij een prijs van vijftig dukaten per werk in gedachten had. Het duurde nog tot het volgende jaar voordat hij aan het componeren van de kwartetten toe kwam, maar het geduld van de Russische prins werd uiteindelijk rijkelijk beloond: Beethoven schreef in 1824-25 de strijkkwartetten 127, 132 en 130 (met als oorspronkelijke finale de Grosse Fuge). En had blijkbaar zo de smaak te pakken, dat hij in 1825-26 ook het tisch aan beide voorafgaande kwartetten verbonden opus 131 en daarna nog opus 135 en een nieuwe finale voor opus 130 componeerde.
Beethoven liet zijn Strijkkwartet in cis klein, opus 131 door Schott in Mainz publiceren en droeg het op aan baron Joseph von Stutterheim (een Moravische veldmaarschalk die Beethovens neef Karl in dienst had genomen na diens zelfmoordpoging). De componist zou de uitgave van het werk in 1827 niet meer meemaken, laat staan de publieke première in 1835. Een van de besloten uitvoeringen vond plaats op 14 november 1828, op speciaal verzoek van Franz Schubert, vijf dagen voor diens dood. Na de uitvoering zou Schubert hebben verzucht: ‘Wat kun je hierna nog componeren?’
Beethovens Strijkkwartet in cis klein is uitzonderlijk, zowel qua lengte als qua opzet, harmonische voortgang en emotionele zeggingskracht. Het strijkkwartet heeft zeven delen (in plaats van de gebruikelijke vier), die allemaal zonder pauze in elkaar overgaan. Maar ze zijn niet alle zeven even uitgebreid, dus je zou ze ook zo kunnen zien: de openingsfuga – volgens Richard Wagner ‘het meest zwaarmoedige ooit in muziek uitgedrukt’ – is een langzame introductie op het tweede deel, molto , dat een typisch eerste deel had kunnen zijn. Het derde deel doet dienst als een kort intermezzo vóór het omvangrijke langzame deel ma non troppo e molto cantabile, dat bestaat uit een en zes variaties. Het vijfde deel, , is in alles behalve de naam een levendig , inclusief gedeelte. Het korte zesde deel fungeert ten slotte als opmaat voor het laatste deel, Allegro, waarin de componist dan eindelijk toch nog de gebruikt en bovendien de openingsfuga citeert. Een krachtig sluit dit monumentale strijkkwartet af, dat velen beschouwen als Beethovens meest indrukwekkende en dat Beethoven zelf ook bestempelde als zijn favoriet.
Anneloes Brand
Franz Schubert 1797-1828
strijkkwartet in g groot
In het jaar dat Beethoven zijn laatste strijkkwartetten voltooide, om precies te zijn tussen 133 en 135, schreef de 29-jarige Franz Schubert in tien dagen zíjn zwanenzang voor deze bezetting, het magistrale Strijkkwartet in G groot. Het kwartet is klassiek van vorm, met de gebruikelijke vier delen, maar een toonbeeld van Schubertiaanse vrije fantasie en nonconventionaliteit waar het de behandeling van het muzikale materiaal betreft. De componist speelt voortdurend met contrasten: in , in , tussen en . Alleen al in de korte introductie van het openingsdeel wisselen majeur en mineur elkaar snel af. Daarna begint het eigenlijke hoofdthema, een aangrijpend, gespeeld door de eerste viool, gevolgd door een kunstige combinatie en variatie van ’s, onverwachte harmonische veranderingen, snelle ’s en dynamische contrasten. Spanning en turbulentie worden afgewisseld met mysterieuze pianissimo passages. De speelt in de klankkleur een belangrijke rol. Zo opent het langzame deel met een weemoedige cellosolo in een hoog register in mineur, tweemaal onderbroken door dramatische, stormachtige passages met razende toonladders, stevige s en dreigende tremolo’s. Ook hier dus weer het spel met contrasten. Het bestaat uit een tot het eind volgehouden ritmischmelodisch patroon, melodieus gecontrasteerd met een in de vorm van een Ländler. Anders dan Beethoven blonk Schubert niet uit door groots opgezette finales in zijn strijkkwartetten. Deze finale heeft een vorm en doet met zijn snelle 6/8-beweging aan een tarantella denken. Er is monotoon voortjagende motoriek met ook hier weer de afwisseling van majeur- en mineurakkoorden en onverwachte harmonische veranderingen. Het kwartet dat opvalt door zijn emotionele en muzikale intensiteit genoot in eigen tijd nauwelijks publieke belangstelling. Nu geldt het als een van Schuberts belangrijkste en meest geliefde composities.
Lies Wiersema
Biografie
Renaud Capuçon, viool
Geboren in de Franse plaats Chambéry werd Renaud Capuçon op veertienjarige leeftijd toegelaten tot het conservatorium in Parijs. Vervolgens studeerde hij in Berlijn, waar Thomas Brandis en Isaac Stern zijn docenten waren.
In 1997 nodigde Claudio Abbado de jonge violist uit om concertmeester te worden van het Gustav Mahler Jugendorchester. In deze jaren musiceerde Renaud Capuçon onder leiding van maestro’s als Pierre Boulez, Seiji Ozawa en Claudio Abbado. Ondertussen werkte hij aan een carrière als solist en maakte hij debuten bij orkesten als het Boston Symphony Orchestra, de Berliner Philharmoniker en het Orchestre de Paris.
In zijn agenda staan momenteel optredens met bijvoorbeeld het London Symphony Orchestra en het Chamber Orchestra of Europe. Als kamermusicus werkte Renaud Capuçon met vele beroemde collega’s, onder wie Yuri Bashmet, Martha Argerich, Vadim Repin en Maria João Pires.
Ook treedt hij graag op met zijn broer, cellist Gautier Capuçon. Renaud bespeelt de Guarneri del Gesù ‘Panette’ (1737) waar eerder Isaac Stern op speelde.
Guillaume Chilemme, viool
Guillaume Chilemme begon op jonge leeftijd met vioolspelen. Aan de conservatoria van Toulouse en Parijs volgde hij lessen bij onder anderen Laurent Pellerin en Boris Garlitsky. De inzichten die hij opdeed bij pianist Pierre-Laurent Aimard waren van groot belang voor zijn ontwikkeling als kamermusicus.
In 2010 vervolgde Guillaume Chilemme zijn opleiding aan de Musikhochschule in Berlijn bij onder anderen Stephan Picard en leden van het Artemis Kwartet. Seiji Ozawa selecteerde de violist tweemaal voor deelname aan een cursus in het kader van zijn International Music Academy in Zwitserland. Inmiddels was Guillaume Chilemme te gast op tal van belangrijke festivals in onder meer Duitsland, Frankrijk, Zweden en Japan.
Samen met pianist Nathanael Gouin treedt de violist veelvuldig op en in 2014 bracht het duo zijn eerste cd uit, met daarop werken van Maurice Ravel en Marguerite Canal. Ook op 17 en 19 december 2015 en 19 februari 2016 speelde Guillaume Chilemme in de in kamermuziekprogramma’s m Renaud Capuçon.
Adrien La Marca, altviool
Adrien La Marca begon zijn muziekstudie op jonge leeftijd in Aix-en-Provence. In 2005 werd hij toegelaten tot het conservatorium in Parijs, waar hij vervolgens met de hoogste onderscheiding afstudeerde. Adrien La Marca had ook les in Duitsland en Zwitserland; onder zijn docenten waren Tabea Zimmermann, Yuri Bashmet en Hatto Beyerle.
De altist won een reeks onderscheidingen en maakte in de afgelopen jaren debuten in tal van Europese concertzalen. Zo speelde hij in Wigmore Hall in Londen, de Salle Rameau in Lyon en het Auditorium van het Louvre in Parijs. Kamermuziek voert hij uit met partners als Frank Braley, Nicholas Angelich, Edgar Moreau en Renaud Capuçon.
In kamermuziekcombinaties met de laatstgenoemde violist was Adrien La Marca al drie keer eerder te gast in de . Ook deelt hij het podium graag met zijn broer, de cellist Christian-Pierre La Marca. In 2016 verscheen de eerste cd van Adrien La Marca, English Delight, opgenomen met pianist Thomas Hoppe.
Edgar Moreau, cello
Edgar Moreau werd op zijn dertiende toegelaten tot het Conservatoire National Supérieur de Musique en studeerde later bij Frans Helmerson aan de Kronberg Academy. Masterclasses volgde hij bij Anner Bijlsma, Miklós Perényi, Gary Hoffman en David Geringas.
Hij viel in de prijzen bij het Rostropovitsj Concours 2009 en het Tsjaikovski Concours 2011, won in 2014 in New York de Young Concert Artists International Auditions en kreeg twee jaar later een ECHO Klassik voor Giovincello, opgenomen met de oudemuziekspecialisten van Il Pomo d’Oro.
Edgar Moreau musiceerde inmiddels met vele beroemde collega’s, onder wie Valery Gergiev, András Schiff, Gidon Kremer, Yuri Bashmet, Krzysztof Penderecki, Gustavo Dudamel, Renaud Capuçon, Frank Braley, Khatia Buniatishvili en het Talich Kwartet.
Als solist werd hij uitgenodigd door onder meer het Orkest van het Mariinski Theater, het Los Angeles Philharmonic Orchestra, het Orchestre Philharmonique de Radio France, het Simón Bolívar Symphony Orchestra of Venezuela en Hong Kong Sinfonietta. In de was Edgar Moreau eerder te beluisteren in 2015/16 in drie programma’s m violist Renaud Capuçon, met pianist Pierre-Yves Hodique in de serie Rising Stars van 2016/17 en met pianist David Kadouch tijdens de Robeco SummerNights 2018.



