Kopelman Kwartet met Sjostakovitsj en Tsjaikovski
Strijkkwartetten 20.15 uur
Kopelman Kwartet:
Mikhail Kopelman viool
Boris Kuschnir viool
Igor Sulyga altviool
Mikhail Milman cello
Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975
Tweede strijkkwartet in A gr.t., op. 68 (1944)
Ouverture: Moderato con moto
Recitatief en Romance: Adagio
Wals: Allegro
Thema met variaties: Adagio
pauze
Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893
Derde strijkkwartet in es kl.t., op. 30 (1876)
Andante sostenuto – Allegro moderato
Allegretto vivo e scherzando
Andante funebre e dolorosa ma con moto
Finale: Allegro non troppo e risoluto
begin van de pauze ca. 20.50 uur
einde van het concert ca. 22.00 uur
Toelichting
Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975
Tweede Strijkkwartet
tekst: Rutger Helmers
Dmitri Sjostakovitsj schreef zijn Tweede strijkkwartet in A groot in de zomer van 1944 in Ivanovo, op het voormalige landgoed dat de Sovjet-Componistenbond in de Tweede Wereldoorlog had ingericht om haar leden te midden van alle onrust de omstandigheden te bieden voor serieus creatief werk. Hoewel het werk onmiskenbaar sporen vertoont van de moeilijke tijden waarin het geschreven is, is de oorlog in dit kwartet minder nadrukkelijk aanwezig dan in bijvoorbeeld de monumentale Zevende en tragische Achtste symfonie, die Sjostakovitsj in de jaren ervoor had voltooid.
Wel sluit dit kwartet aan bij de trend om nationaal-gekleurde werken te schrijven in een folkloristische stijl die het Russische patriotisme aan zou kunnen wakkeren, maar de boodschap is, zoals altijd bij Sjostakovitsj, allerminst eenduidig. Zo begint het stuk in een voorzichtig , maar eindigt nadrukkelijk in . Bovendien bevat het naast Russische ook sporen van joodse traditionele muziek, net als het Tweede piano- dat hij in dezelfde zomer voltooide. De twee werken gingen samen in première in Sjostakovitsj’ geliefde Leningrad, dat inmiddels bevrijd was van het lange en verwoestende beleg van de Duitsers.
Het kwartet is opgedeeld in de gebruikelijke vier delen, die in dit geval titels hebben gekregen die aan een doen denken. De Ouverture opent met een fris en optimistisch , dat verstoord wordt door een nerveus tweede thema bestaande uit hardnekkig herhalende noten en dalende lijnen; de spanning die hierdoor ontstaat wordt nooit echt opgelost. Het tweede deel biedt ruimte voor contemplatie: het heeft een mijmerende, improvisatorisch aandoende van de eerste viool, die voortdurend tegen de lang aangehouden en van de andere instrumenten aan schuurt.
De Romance in dit deel (‘romans’ is in het Russisch de gebruikelijke term om een kunstlied aan te duiden) heeft, net als sommige passages in de Ouverture, een ritme, waarmee vooruitgeblikt wordt op het derde deel, de Wals, die weliswaar het van de zwierige Weense dans heeft, maar deze in een bijzonder vervreemdend en verontrustend licht plaatst.
Voor de echte kenners is in de tumultueuze middensectie van dit derde deel ook een citaat uit de finale van de Vierde symfonie te herkennen, een werk dat de componist in 1936 onder druk had teruggetrokken en dat op het moment dat hij zijn Tweede strijkkwartet schreef nog altijd niet in première was gegaan. De variatiereeks in de finale past wat de vorm en de melodie van het thema betreft mooi in de trend van de folkloristisch geïnspireerde muziek van de oorlogsjaren, maar van de optimistische noot waar de Ouverture mee begon, is uiteindelijk maar weinig over.
Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893
Derde Strijkkwartet
Het Derde strijkkwartet in es klein is een van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski’s zwaarmoedigste composities. De componist schreef het in 1876 tijdens een van zijn vele bezoeken aan Parijs als eerbetoon aan Ferdinand Laub, een van zijn collega’s op het conservatorium van Moskou, die als violist de premières van zijn eerste twee kwartetten had verzorgd en het jaar ervoor aan een longziekte was overleden. Het is een werk diep gedompeld in rouw, en het is dan ook niet verwonderlijk dat juist dit kwartet bij de dood van de componist zelf op verschillende plaatsen te zijner herinnering werd gespeeld.
Het openingsdeel van het kwartet begint met een langzame inleiding die gelijk een toon van intense droefenis neerzet. De lucht klaart enigszins op in het daaropvolgende moderato, dat na de nodige strubbelingen zelfs bestemd lijkt om in te eindigen; maar juist als dat punt wordt bereikt, keren de klanken terug, en belanden we uiteindelijk weer bij de treurzang van de inleiding, teruggeworpen in de bittere realiteit. Het tweede deel is een vederlicht met veel ’s, van het type waar Felix Mendelssohn in uitblonk, en lijkt vooral bedoeld om de luisteraar even op adem te laten komen voor het daaropvolgende funebre.
Dit derde deel is het emotionele hart van het werk. Het wordt gekenmerkt door onverbiddelijke en met wrange en, waar de eerste viool soms met e frasen bovenuit stijgt. Bij de afsluiting van dit blijft de tweede viool in eigenaardige s op één toon hangen, afgewisseld met archaïsche slotformules voor het kwartet als geheel: een imitatie van het reciteren van een priester en een koor bij een rouwdienst.
Na een meer beweeglijke en zangerige middensectie keert het openingsthema terug en doet de componist er nog een schepje bovenop door de zijn basnoten nadrukkelijk te laten herhalen. Het resultaat is een uitdrukking van onverdunde, kloppende pijn. Anders dan in de neerslachtige Zesde symfonie, die Tsjaikovski aan het eind van zijn leven schreef, is er in dit kwartet nog wel ruimte voor verlossing: in een robuuste, Beethoveniaanse Finale keert de levenslust terug en kan de luisteraar proberen het beklemmende gevoel van de eerdere delen achter zich te laten.
Biografie
Kopelman Kwartet, kwartet
De leden van het Kopelman Kwartet studeerden in de jaren 1970 aan het conservatorium in Moskou. In deze bloeiperiode van het instituut werkten de studenten met vermaarde musici als Mstislav Rostropovitsj, David Oistrach, Natalia Gutman en Dmitri Sjostakovitsj.
Deze sterke muzikale invloeden waren vormend voor de leden van het Kopelman Kwartet – al werd dat pas veel later, in 2002, opgericht. In de tussenliggende decennia hadden de musici ieder een individuele carrière opgebouwd.
Primarius Mikhail Kopelman leidde zo’n twintig jaar lang het Borodin Kwartet. Tweede violist Boris Kuschnir en altviolist Igor Sulyga waren mede-oprichters van het Moscow String Quartet, dat met Sjostakovitsj werkte aan diens late strijkkwartetten. Mikhail Milman was twintig jaar lang -aanvoerder van de Moscow Virtuosi.
Het Kopelman Kwartet debuteerde in 2003 op het Edinburgh Festival en concerteert sindsdien op belangrijke podia wereldwijd, waaronder de Londense Wigmore Hall, Dom Muziki in Moskou, Bozar in Brussel, de Wiener Musikverein en het Amerikaanse Ravinia Festival.
In Het Concertgebouw was het voor het laatst te gast in maart 2017 met muziek van Sjostakovitsj en Tsjaikovski. Kamermuziekpartners van het kwartet waren onder anderen Elisabeth Leonskaja, Mischa Maisky en Julian Rachlin (een leerling van Kuschnir). Op cd is het Kopelman Kwartet te beluisteren in werken van onder anderen Sjostakovitsj, Prokofjev, Tsjaikovski, Weinberg en Schubert.
